MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Stadsuitbreidingen in de twintigste eeuw in Zwolle

Verhaal

Aan het einde van de vorige en begin deze eeuw zijn er in vele steden in Nederland plannen gemaakt voor stadsuitbreidingen. Dat daar nogal wat haken en ogen aan zaten, lag niet alleen aan het feit dat vele van deze steden nog geheel of gedeeltelijk in hun middeleeuwse jasje, of liever gezegd keurslijf, zaten, maar ook aan een gebrek aan deskundigheid en regelgeving op met name het gebied van de ruimtelijke ordening. Bestuurlijk gezien was een dergelijke stadsuitbreiding dan ook geen sinecure. Het kostte een gemeentebestuur al heel wat hoofdbrekens alvorens men het erover eens was welke deskundige zich mocht buigen over de problematiek.

Lag er eenmaal een plan ter tafel dan wilden 'boeren, burgers en buitenlui', gemeenteraad en hogere overheden er ook nog eens hun zegje over doen. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat het jaren duurde voordat menig plan tot uitvoering kwam. Dat daarbij vaak de bestuurlijke verhouding van meer betekenis was, dan de esthetische kwaliteit van het plan zal geen verbazing wekken. In het navolgende artikel wordt met name het bestuurlijk geharrewar rondom een voorstel voor een uitbreidingsplan voor de gemeente Zwolle uit de doeken gedaan.

De conceptie van een plan

In het eerste kwart van deze eeuw gaat het Zwolle economisch voor de wind. De stad ligt gunstig op een knooppunt van land-, water- en spoorwegen. Tussen 1919 en 1936 neemt de bevolking van de stad met 24% toe. Het woningbestand neemt zelfs met 41,5% toe. (Ook toen was er al sprake van 'gezinsverdunning'.) Er is in deze periode dan ook sprake van grote bouwactiviteiten. Grote woningcomplexen ontstaan onder andere in het Veeralleekwartier, Assendorp, op de Pierik en in de Wipstrik.

Al deze uitbreidingen vinden plaats op basis van zogenaamde partiële uitbreidingsplannen. Daar was niets onoorbaars aan. De Woningwet van 1901 bood het gemeentebestuur de mogelijkheid om op basis van deze planfiguur haar stadsuitbreidingen te reguleren. Het was echter een fragmentarisch beleid. Begin jaren twintig wordt de roep om een algemeen uitbreidingsplan (AUP) hoorbaar. In maart 1924 wijzen Gedeputeerde Staten van Overijssel de gemeente erop, dat volgens artikel 31 van de Woningwet een gemeente met meer dan 10.000 inwoners een uitbreidingsplan in hoofdzaak (behoudens vrijstelling) moet opstellen en dat dit plan tevens eenmaal in de tien jaar dient te worden herzien.

Het College van Burgemeester en Wethouders neemt de brief voor kennisgeving aan en gaat over tot de orde van de dag. Een jaar later laait de discussie over een AUP opnieuw op. Nu worden er vragen gesteld door gemeenteraadsleden. Het College blijft weigeren om aan de wet te voldoen en denkt de zaak te kunnen sussen door de partiële uitbreidingsplannen aan een externe deskundige voor te leggen. Hiervoor kiest men de Inspecteur van de Volksgezondheid ir. R. Le Poole. Le Poole acht een stedenbouwkundig adviseur niet nodig, mits het College zijn uitgangspunt namelijk "een weldoordacht net van verkeerswegen" als vervanging voor een AUP overneemt. Een minderheid in de raad wijst er op dat het idee van een verkeersstructuurplan als substituut voor een AUP wat mager is en dat Le Poole wellicht een kundig man is maar geen stedenbouwer.

De raad is van mening dat ze heel goed zelfde plannen kan beoordelen en vaststellen en dat zo nodig het oordeel van het bedrijfsleven kan worden gevraagd. De directeur van Openbare Werken is bekwaam genoeg om de plannen op te stellen. Daar heeft men volgens de meeste raadsleden geen commissie van stedenbouwkundigen voor nodig. Een bijkomende zaak, maar zeker niet onbelangrijk voor de besluitvorming, is dat de adviezen van Le Poole onbetaald verstrekt worden. Door het verwerpen van het voorstel bezuinigde men ook nog eens duizend gulden op een commissie. Het voorstel om een commissie van stedenbouwkundigen in te stellen, wordt dan ook met ruime meerderheid verworpen.

Pas in 1937 wordt in de gemeenteraad aangedrongen op een sociaalgeografisch en economisch onderzoek. Het: college is het hiermee eens, maar een dergelijk onderzoek kan niet door eigen ambtenaren verricht worden wegens gebrek aan deskundigheid. Gezocht wordt naar iemand met een wetenschappelijke opleiding die in staat is een sociaaleconomisch onderzoek naar de grondslagen der welvaart van Zwolle geheel zelfstandig uit te voeren. De raad is bereid hiervoor vijfduizend gulden uit te trekken. Op aanraden van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten valt de keus op prof. L. van Vuuren, hoofd van het Geographisch Instituut van de Rijksuniversiteit Utrecht. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gooit roet in het eten. Van Vuurens survey verdwijnt voorlopig in een bureaulade.

De gemeente verleent een opdracht

Aan het begin van de oorlog worden bij Zwolle de IJsselbruggen opgeblazen. Zwolle is daardoor als verkeersknooppunt uitgeschakeld en strategisch niet meer van belang. De stad loopt dan ook tijdens de oorlog weinig schade op. Na de oorlog is een wederopbouw-programma niet nodig. Nadat het normale leven weer op gang is gekomen, doemen dezelfde problemen van voor de oorlog weer op. Het draait nog steeds om de vraag of nu wel of niet een ontwikkelingsplan en een AUP moeten worden opgesteld.

Provinciale Staten vinden met name de stedenbouwkundige plannen van de gemeente onvoldoende. "De zeer belangrijke vraagstukken van de toegang tot de stad, van de landschappelijke begrenzing van de toekomstige bebouwde kom en van de coördinatie van het stedelijk groen, zijn niet tot een oplossing gebracht", schrijft het provinciaal bestuur aan de gemeente.

In de loop van 1947 dringt de toenmalige directeur van de Provinciaal Planologische Dienst (PPD) ir. A. Kraayenhagen bij het College van Burgemeester en Wethouders erop aan om een AUP op te stellen. Zwollerkerspel, de omringende gemeente, heeft namelijk laten weten alleen mee te werken aan annexatie door de gemeente Zwolle als er een vastgesteld AUP is. Dit is een reden te meer om nu eindelijk eens iets te ondernemen. Kraayenhagen stelt voor om de stedenbouwkundige W.M. Dudok te vragen.

In maart 1948 ligt er een voorstel van Burgemeester en Wethouders aan de raad om aan Dudok een opdracht te verlenen voor:
a. Een ontwikkelingsplan, met inbegrip van een uitbreidingsplan in hoofdzaak.
b. Een uitbreidingsplan in onderdelen van die gedeelten die het eerst worden uitgevoerd.
c. Gedetailleerde plannen voor de nodige wijzigingen in de stadskern.
d. De nodige bebouwingsvoorschriften en een schriftelijke toelichting.
De kosten voor dit project worden geraamd op ƒ 32.000,-.
De gemeenteraad gaat met het voorstel akkoord en op 5 april 1948 wordt de opdracht officieel aan Dudok verleend.

Verschillen van inzicht

Ruim een jaar verstrijkt voor de presentatie van het eerste schetsplan. Deze presentatie vindt plaats op 11 mei 1949 in het gemeentehuis voor een select gezelschap achter gesloten deuren. Aanwezig zijn: Dudok, Kleinjan (hoofdingenieur van Rijkswaterstaat), Kraayenhagen, Kloos van de N.V. Ned. Spoorwegen, B&W, de waarnemend gemeentesecretaris en de directeur Openbare Werken.

Dudok licht zijn schetsplan als volgt toe: "De stad zal in het noorden begrensd worden door de rijksweg 28 (Amersfoort-Zwolle-Meppel). Het station dat nu de stad in het zuiden begrenst, krijgt een centrale ligging. Een nieuw stadscentrum sluit zich harmonisch aan bij het oude en de belangrijkste toegangsweg naar het nieuwe centrum leidt door het oude waardoor dit levend blijft."

Dat Dudok de stad in het noorden niet verder wil uitbreiden maar begrenst door de rijksweg stuit op grote bezwaren van Kraayenhagen. Hij is van mening dat Zwolle de toegangspoort tot noordoost Nederland is en dat dit in het stedenbouwkundige plan tot uitdrukking moet komen. Daarnaast wil hij industrie vestigen aan het Zwarte Water in plaats van aan de IJssel mede met het oog op de oude wet van 1919 die nog steeds een nieuwe verbinding tussen IJssel en Zwarte Water mogelijk maakt. (Dudok hoefde op uitdrukkelijk verzoek van de opdrachtgever hier geen rekening mee te houden.) Uitbreiding ten noorden van de rijksweg is voor hem dan ook noodzaak. Om uit de impasse te raken vraagt het gemeentebestuur aan Dudok om een nieuw schetsplan te maken op basis van de door Kraayenhagen gemaakte opmerkingen. Dudok stemt hiermee in. Kraayenhagen besluit zelf ook een plan te maken. Hij stelt Dudok hiervan in kennis. Dudok onthoudt zich verder van commentaar.

Inmiddels is het ETIO (Economisch Technologisch Instituut Overijssel) door het gemeentebestuur benaderd met het verzoek om het surveyonderzoek te doen - hetgeen niet meer inhoudt dan het actualiseren van het rapport Van Vuuren dat voor de oorlog is opgesteld. Daarnaast maken zowel de directeur Openbare Werken als de PPD een kostenanalyse van de plannen. (Openbare Werken begroot het plan-Dudok op ƒ 7.150.000,- en het PPD-plan op ƒ 6.150.000,-. De PPD begroot het plan-Dudok op ƒ 9.000.000,- en het PPD-plan op ƒ 3.000.000,-.)

Uit de toelichtingen die Dudok en Kraayenhagen bij hun ontwikkelingsplannen geven, blijkt hun verschil van inzicht om het doel, namelijk de industrialisatie en het economisch herstel van Zwolle, te bereiken. Voor Dudok betekent het goede aan- en afvoerwegen, geschikte industrieterreinen en een gunstige positie van de woongebieden ten opzichte van de werkgebieden. Volgens Dudok is een goed stadsplan ondenkbaar zonder een logisch verkeerswegenstramien als basis. (Een gedachte die Le Poole twintig jaar geleden ook al geopperd had.)

Letterlijk schrijft Dudok: "In de structuur van een stad is speciaal het verkeer vormbepalend (..). Geen der overige facetten van de stedenbouw heeft zulk een beangstigende ontwikkeling vertoond (...). Het is daarom dat men er overal naar streeft het verkeer te houden buiten een gebied waar het niet rechtstreeks mee te maken heeft. Dit principe brengt allereerst mede interlokale hoofdverkeerswegen te leiden niet door, maar langs de steden en het speciaal op de stad gerichte verkeer af te takken van de hoofdweg. En binnen het stadsgebied leidt het ertoe om de wijken te omspoelen niet te doorkruisen met stadsverkeer (...). Uitgangspunt is terecht geweest dat het grotere Zwolle niet mag uitgroeien ter weerszijden van de Rijksweg (...). Een stad mag immers niet meer worden opgevat als poort voor het doorgaande verkeer!"

Volgens Dudok is de totale opzet van zijn plan zo redelijk dat alleen financiële bezwaren kunnen leiden tot de uitvoering van een alternatief plan. Kraayenhagen spreekt in de toelichting van zijn plan voornamelijk over de noodzaak tot industrialisatie. Hij zegt: "Het hoofddoel van het ontwikkelingsplan voor Zwolle moet dan ook ten eerste gericht zijn op een verbreding van de bestaansbasis, hetgeen overwegend zal betekenen: vergroting van de industriesector." Kraayenhagen ziet dan ook het liefst een industrieterrein aan het Zwarte Water in plaats van aan de IJssel en uitbreiding van woonwijken ten noorden van de rijksweg. Hij schrijft: "Het doorgaande verkeer zal niet aan de stad voorbij gevoerd worden, maar zal overeenkomstig de nieuwe verkeers-technische inzichten Zwolle ontmoeten als een moment op de weg van de westelijke naar de noordelijke provincies. Op karakteristieke en moderne wijze zal dit verkeers-element, dat tot autosnelweg moet kunnen uitgroeien, in het stadsorganisme worden opgenomen met de nodige onderdoorgangen en parallelwegen voor het inter-wijk-verkeer."

Ook Kraayenhagen wijst op het kostenaspect. Hij stelt voor om de infrastructuur en de industrieterreinen zodanig te plannen dat ze van bovengemeentelijk belang zijn, zodat rijk en provincie een deel van de kosten betalen. Tenslotte wijst Kraayenhagen op het feit dat de door Dudok geplande uitbreiding ten zuiden van de spoorlijn het IJssellandschap aantast.

Een Salomonsoordeel

Dudok en Kraayenhagen zijn geen van beiden bereid om een compromis te sluiten. In overleg met Dudok besluit de gemeente tot de instelling van een forum om te beslissen over het principiële punt van geschil. De gemeente stelt voor om de volgende personen uit te nodigen om zitting te nemen in het forum.

a. De burgemeester en wethouder Openbare Werken van Zwolle en stedenbouwkundig adviseur Dudok
b. De burgemeester en wethouder Openbare Werken van Zwollerkerspel en stedenbouwkundig adviseur Ir. W. de Bruyn
c. Twee gedeputeerden en directeur PPD Kraayenhagen
d. De directeur van de rijksdienst voor het Nationale Plan mr. J. Vink
e. Het hoofd van de afdeling Stedenbouw en Onderzoek van het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting prof. dr. ir. G.H. van Beusekom.

Omdat de laatste drie partijen in een later stadium van de planvorming en uitvoering betrokken zouden kunnen raken bij beroepskwesties, weigeren ze zitting te nemen in het forum. Nu het forum niet bijeen te krijgen is, besluit het College van Burgemeester en Wethouders de kwestie rechtstreeks aan de raad voor te leggen. Op 13 januari 1950 komen beide plannen aan de orde in een besloten raadsvergadering. Zowel Dudok als Kraayenhagen krijgen de gelegenheid hun plan mondeling toe te lichten. Kraayenhagen maakt de kanttekening dat als het verbindingskanaal tussen IJssel en Zwarte Water er niet komt, hij zijn plan terugtrekt. In een geheime notitie aan de raad d.d. 20 januari 1950 meldt het College: "Na ampele discussie en alzijdige belichting van de verschillende facetten van het onderhavige vraagstuk (...) heeft ons College zich tenslotte unaniem uitgesproken voor het ontwerp Dudok. De overweging, dat ook dit plan gelegenheid zal bieden voor onmiddellijke vergroting van de industrie-sectoren (...), welke liggen in de Zwolse sfeer, doet ons inziens de keus iets gemakkelijker te maken (...). Het zo lang gekoesterde verlangen, hetwelk ook in het rapport Van Vuuren tot uitdrukking komt, nl. om Zwolle zo spoedig mogelijk een actief IJsselfront te geven, kan daarmede eveneens in vervulling gaan." Het raadslid mr. J.P. Hogerzeil schrijft een brief aan het College. Hij is het met de keus niet eens. Hij merkt op dat er niet gestreefd dient te worden naar het stedenbouwkundig beste plan, maar naar het goedkoopste plan.

Dudok wikt, maar de gemeente beschikt

In de loop van 1949 is Dudok, vooruitlopend op de vaststelling van zijn plan in hoofdzaak, al begonnen met de uitwerking van een aantal uitbreidingsplannen in onderdelen. Op 15 oktober 1951 meldt hij het gemeentebestuur dat hij ter voltooiing van zijn werkzaamheden voor Zwolle het College een studieschets voor een saneringsplan voor de binnenstad aanbiedt.

Kern van de studieschets is het slopen van alle bebouwing op de voormalige bolwerken om ze te vervangen door groen, een advies voor flatgebouwen op het Rodetorenplein, het aanleggen van een rondweg achter het vestingsfront en een hoofdverkeersweg dwars door de oude stad en het aanleggen van een 'suite van pleinen' zoals Dudok dat noemt. Vier jaar hebben Dudok en zijn medewerker Magnée aan de plannen gewerkt en ondanks het feit dat het gemeentebestuur unaniem voorstander is van het plan Dudok is het nog steeds niet vastgesteld.

In januari 1952 stelt het College eigenmachtig het plan Dudok bij. Het besluit om de industrieterreinen ten zuiden van de spoorlijn te laten vervallen. De bijbehorende woonwijk wordt echter gehandhaafd. De reden van deze ommezwaai is het onderhoud dat men heeft gehad met het hoofd van de afdeling stedenbouw van de gemeente Utrecht ir. J.A. Verhoef. Hij wijst op de problemen die Utrecht heeft gehad met de uitbreiding bij de spoorbaan Maliebaan. Een tweede argument is dat Rijkswaterstaat geen enkel bezwaar heeft tegen uitbreiding ten noorden van de rijksweg.

Medio 1952 komt er een raadsvoorstel tot vaststelling en de daarvoor noodzakelijke grenswijziging van Zwollerkerspel. Het gemeentebestuur van Zwollerkerspel stelt zich op het standpunt dat, als de PPD akkoord gaat met het plan, zij geen bezwaarschrift zullen indienen. De PPD is echter niet zo gelukkig met het plan. Zwollerkerspel dient daarop toch een bezwaarschrift in, evenals de Spoorwegen.

In juni 1952 wordt de zaak gecompliceerder als het College een preadvies aan de raad stuurt. In dit advies maakt het College plotseling een voorbehoud op het totale plan. Dit op grond van informatie van Rijkswaterstaat dat het er toch naar uitziet dat op korte termijn het kanaal waar men al sinds 1919 op zit te wachten, binnen redelijke termijn gerealiseerd kan worden. Het advies luidt: "Op die wijze zouden twee nieuwe contacten met de IJssel tot stand komen en zou het uitermate moeilijk vallen om de noodzakelijkheid van de grenswijziging, welke de industrialisatie in de richting Schelle vordert, nog aan te tonen. Hoewel wij, bezien vanuit een louter stedenbouwkundig oogpunt, het plan Dudok het liefst volledig aanvaard zouden zien, zal ons inziens anderzijds moeten worden toegegeven, dat de industrialisatie - vooral wat het tempo betreft - door de aanleg van genoemd kanaal meer gediend zal kunnen worden dan door verwezenlijking van het plan Dudok". De raad besluit vervolgens de vaststelling van het plan drie maanden uit te stellen. In deze periode wil men de kosten van het plan Dudok nog eens doorrekenen. De directeur Openbare Werken krijgt ook opdracht om het plan Kraayenhagen weer eens door te rekenen.

In december 1952 verzoekt het gemeentebestuur Dudok om op de door Zwollerkerspel en de Spoorwegen ingediende bezwaren te reageren. Dudok reageert zeer ontstemd omdat volgens hem het bezwaarschrift van Zwollerkerspel nagenoeg het standpunt van Kraayenhagen weergeeft. Met betrekking tot de bezwaren van de Spoorwegen reageert Dudok ronduit kwaad omdat de plannen in overleg met de Spoorwegen zijn opgesteld.

Als het College vervolgens aan Dudok meedeelt dat men niet tot vaststelling overgaat maar alles wil heroverwegen, schrijft Dudok in januari 1953 een woedende brief aan het gemeentebestuur met de volgende inhoud: "Hoewel ik het standpunt, neergelegd in Uw schrijven d.d. 12 januari inzake het ontwikkelingsplan Zwolle volkomen begrijp, betreur ik deze gang van zaken in hoge mate. Ik erken dat coördinatie-naar-de-tijd van belangrijke technische vraagstukken niet eenvoudig is, maar ik acht deze front verandering van de Rijkswaterstaat in dit stadium toch wel uiterst onbevredigend. Ik herinner U eraan dat wij, zodra onze inzichten betreffende het ontwikkelingsplan voor Uw gemeente zich enigszins geconcretiseerd hadden, in de eerste plaats contact opnamen met de Hoofdingenieur-Directeur van Rijkswaterstaat. Uit de bespreking nota bene reeds gevoerd op 24 november 1948, bleek dat het tijdstip voor eventuele uitvoering van een nieuwe verbinding tussen de IJssel en het Zwarte Water absoluut niet vaststond en dat er inmiddels weer andere plannen waren, volgens welke zo'n verbinding althans veel westelijker zou komen dan het kanaal volgens Staatsblad van 4 november 1919 (...). Enkele jaren van moeilijke en stedenbouwkundige arbeid berustten op deze - en andere - contacten en besprekingen met rijksdiensten, spoorwegen, enz. Wanneer dergelijke overheidsdiensten geen consequenties verbonden achten aan dergelijke besprekingen, en ondergeschikten zich de vrijheid veroorloven het weer niet helemaal eens te zijn met hun chef- wat óók voorkwam - dan is het niet mogelijk plannen te maken. Men gevoelt wel zeer duidelijk het gemis aan een ordenende overkoepelende instantie ter bevordering van intelligente technische samenwerking. Monnikenwerk is dom en duur. Ik betreur deze dreiging te meer omdat, indien de stad zich inderdaad zou moeten richten op een kanaal als bovenbedoeld, er nooit een zo gaaf en redelijk ontwikkelingsplan zou ontstaan als het dezerzijds voorgestelde. Ik heb de constructieve grondslagen van dit plan zo vaak uiteengezet dat ik mij ontslagen mag achten hierop nader in te gaan."

Af door de zijdeur

In december 1953 ontvangt Dudok een exemplaar van het rapport van de commissie die de Minister adviseert omtrent de kanaalverbinding. Het is duidelijk dat de commissie adviseert het kanaal zo spoedig mogelijk aan te leggen. Dudok kan zich hier niet mee verenigen en er volgt een bijeenkomst op 9 januari 1954 in Zwolle. Uit de notulen van deze bijeenkomst blijkt dat Dudok vindt dat hij in de adviescommissie zitting had moeten hebben. Hij heeft het gevoel dat er achter zijn rug om gehandeld wordt en dat Kraayenhagen per sé zijn plan wil doordrijven. Dudok had verwacht dat hij op z'n minst zijn plan voor de commissie had mogen verdedigen. Dan was er sprake geweest van een afweging tussen zijn plan en dat van Kraayenhagen, maar dit is niet gebeurd. Dergelijke teleurstellingen scheppen een sfeer van werken die Dudok niet bevalt. Hij ziet daarom zijn taak als definitief beëindigd.

Op 24 maart 1954 vindt er een geheime vergadering plaats tussen B&W en de PPD (Kraayenhagen). Er zijn namelijk problemen omdat Gedeputeerde Staten op formeel-juridische gronden bouwplannen in de stadswijk Dieze-Noord blokkeren aangezien het AUP nog niet is vastgesteld. Kraayenhagen dringt aan op snelle planvorming. Hij stelt voor dat de gemeente een eigen sociograaf in dienst neemt en het AUP aan een stedenbouwkundig bureau toevertrouwd. De naam Van Embden valt. De gemeente reageert tamelijk snel. Ze neemt geen eigen sociograaf in dienst maar geeft het ETIO opdracht om een aanvullend sociografisch onderzoek te doen. Men nodigt Van Embden uit om het werk van Dudok over te nemen. Op 20 april 1954 aanvaardt deze de opdracht van het gemeentebestuur. Het plan-Dudok wordt vrijwel geheel naar de prullenmand verwezen.

Een definitief besluit

Op 23 september 1956 na meer dan dertig jaren vergaderen, wikken en wegen, halve en hele besluiten van talloze overheidslichamen over vele plannen al dan niet in overleg met deskundigen met als hoogte- of zo u wilt dieptepunt het zeven jaar durende geharrewar over het plan Dudok, neemt de gemeenteraad van Zwolle een definitief besluit. Het uitbreidingsplan van Van Embden, dat in wezen niet meer is dan een uitgewerkte versie van het plan Kraayenhagen en is gebaseerd op de survey van het ETIO, dat in wezen niet meer is dan een uitgewerkte versie van het survey van Van Vuuren, wordt goedgekeurd en vastgesteld. Vervolgens gaat men in Zwolle over tot de orde van de dag.

Het goedgekeurde uitbreidingsplan zal de basis gaan vormen voor de ontwikkeling van wijken als Holtenbroek en de Aa-landen. Ook zal de nieuw aangetrokken stedenbouwkundig adviseur Van Embden, op verzoek van het gemeentebestuur een plan maken voor de sanering en herstructurering van de Zwolse binnenstad.

*Bovenstaand artikel is eerder verschenen in het Zwols Historisch Tijdschrift nr. 1 – 1992. Het Zwols Historisch Tijdschrift is het huisorgaan van de Zwolse Historische Vereniging.

Auteur:Raymond Salet
Trefwoorden:Stadsuitbreiding, Structuurplan, Stad rukt op
Personen:le poole, van vuuren, Kraayenhagen, magnée, Van Embden
Periode:1919-1956
Locatie:Zwolle
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand