MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.

IJsselvliet, een verdwenen buitenplaats

Verhaal

Niet ver van de Katerveersluizen in Spoolde, tegen de voet van de IJsseldijk, stond al in het begin van de achttiende eeuw een spijker of buitenplaats, IJsselvliet genaamd. Het was één van de vele buitenplaatsen en havezaten die gelegen waren in het gebied rond Zwolle. Zij dienden als zomerverblijf voor personen die in de stad een belangrijke functie vervulden. Het was er heerlijk toeven. De rust en de landelijke omgeving droegen ertoe bij dat de bewoners zich ongestoord konden bezighouden met kunst en wetenschap. Het waren ideale plaatsen om gedachten in poëzie- of prozavorm aan het papier toe te vertrouwen, zoals Rhijnvis Feith deed op Boswijk en Jacob Serrurier op het: Rodehuis. Met familie en gasten kon worden gediscussieerd over allerlei politieke en wetenschappelijke onderwerpen. Ook musiceren was een geliefd tijdverdrijf.

De buitenplaats IJsselvliet was tot 1840 in het bezit van de families Greven en Nilant. In dat jaar werd Jacob H. graaf van Rechter en eigenaar, die het huis liet herbouwen. Dit nieuwe huis werd al in 1869 door de latere eigenaar om onduidelijke redenen voor afbraak verkocht. Het koetshuis en de stalling bleven staan. Beide bouwsels stonden aan de Nilantsweg. Later hoorden ze bij het boerenerf van Egbert Westerhof. Bij de bouw van huizen aan de Nilantsweg, genummerd 41-47, zijn ze afgebroken.

In het koetshuis was een steen aangebracht, waarop stond te lezen dat J.H.A.E. van Rechteren - een dochtertje van de graaf- op 16 juli 1842 de eerste steen had gelegd. Met de afbraak in 1958/1959 is deze laatste herinnering aan IJsselvliet verdwenen.

De ligging

Op de dijk in Spoolde, onder de nieuwe IJsselbrug waarover het verkeer in een continue stroom raast, ziet men de pijlers van de brug bij Kampen hoog uit het IJsselwater oprijzen. Ook de contouren van enkele hoge gebouwen zijn nog vaag zichtbaar. Geheel anders was, zo dicht bij het Katerveer, het vroegere uitzicht vanuit IJsselvliet.

Het stomme vee graast zomers nog even vredig als eeuwen gelegen op de verhoogde IJsseldijken en in de groene weilanden achter de huizen aan de Nilantsweg. Koeien doen zich tegoed aan het malse gras, dat groeit waar eens de riante buitenplaats IJsselvliet gestaan heeft. Van die plek is echter zelfs geen kleine oneffenheid meer in het weiland te zien. Alles is 'keurig' geëgaliseerd.

De buitenplaats heeft tegen de voet van de IJsseldijk gestaan. De toegang naar de buitenplaats vanaf de Nilantsweg lag tussen Nilantsweg 41 en 41-1, tegenover een boerderij. Een lichte kromming in de Nilantsweg, die ook nu nog valt waar te nemen, is het enige wat nog herinnert aan de plek waar de oprijlaan naar IJsselvliet begon. Ook van het koetshuis en de stalling ligt geen steen meer op de ander. Een  toevallige ontmoeting met een geboren en getogen Spoolderse leerde mij dat de grond er vol met puin zit...

Vroegste bewoning

Als eerste eigenaar van de buitenplaats IJsselvliet wordt genoemd Arnoldus Greven, cameraar van Zwolle. Als zodanig was hij belast met het financieel beheer van de stad. In het markeboek van Spoolde werd hij op 3/4 juli 1743 als eigenaar van IJsselvliet aangeslagen voor het onderhoud van één roede en zes voeten van de Spoolderdijken langs de IJssel.

Op 25 september 1740 legde Greven zijn laatste wil vast in een testament, ten overstaan van de schout van Zwollerkerspel. Het is jammer dat de inhoud van zijn 'gesloten' testament niet bekend geworden is. Gebruikelijk was dat na het overlijden zo'n wilsbeschikking op het stadhuis werd afgeschreven in het testamenten-register. Dit is helaas bij de laatste wil van Arnoldus Greven niet gebeurd. De inhoud ervan is daarom niet bekend. Het is echter waarschijnlijk dat hij IJsselvliet nagelaten heeft aan zijn dochter Agnes Greven, die op 20 september 1723 te Zwolle getrouwd was met mr. Lucas Nilant, gemeensman der stad Zwolle. Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren, van wie één jong overleed. Lucas Nilant werd in hetzelfde markeboek in 1757 genoemd als markerichter van Spoolde.

Strijd op het Fricadelleneiland

Lucas Nilant kreeg het in 1757 aan de stok met de heer van Yrst, bewoner van de buitenplaats aan de overzijde van de IJssel. Hij had 'een troup volk' naar het Fricadelleneiland of de Twijgwelle in de IJssel gestuurd om twijg te snijden. Dit gebeurde blijkbaar tegen alle regels in, want ook Nilant gaf opdracht aan dertien Spoolder boeren om twijg te snijden en daarbij gebruik te maken van de schuit van de Katerveerman. Zij mochten niet gewelddadig worden of de Yrsters 'onjurieus' bejegenen. Zwijgzaam sneed elk van beide groepen zijn twijg. Na verloop van tijd ging de Yrster ploeg terug met slechts een halve vracht. Eén persoon" rende na terugkeer aan de Gelderse zijde in allerijl naar huize Yrst, zoals markerichter Nilant, die 'alles door de verrekijker distinctelijk observeerde', in zijn verslag van 10 oktober 1757 vermeldde. Er werd vervolgens met geladen snaphanen in de lucht geschoten om de Spoolders te intimideren. De 'strijd' duurde enige dagen voort, maar toen de Yrster groep niet meer kwam opdagen om twijg te snijden, was het probleem uit de wereld. Nilant verhaalde er uitgebreid over in het markeboek. Hij borg de twijg op in de 'bourenhof bij IJsselvliet.

Het leven op IJsselvliet

De familie Nilant bracht de zomers door op IJsselvliet en woonde 's winters in de stad. Op 26 augustus 1762 schreef Lucas Nilant een brief aan zijn dochter Willemina Agnes. Zij verbleef in Beverwijk bij de doopsgezinde (!) predikant Antonius van der Os, die in Zwolle als hervormd predikant was afgezet.

De 'laatste nieuwtjes' in de brief geven een aardige kijk op het landleven. Zo schreef Nilant dat er een grote sterfte onder het vee was. Op het bouwhuis bij IJsselvliet woonde een nieuwe boer, Berend van Dam, die al zeven stuks vee verloren had. Op religieus gebied kon hij melden dat binnenkort de benoeming van ds. Adama door de classis zou worden goedgekeurd. In verband met zijn komst verzochten de Zwolse predikanten aan het stadsbestuur vrijdom van wagenvrachten voor de predikanten uit de regio, maar dat werd niet verleend. Ander nieuws was dat de heer Scriverius hals over kop naar Den Haag was vertrokken, alwaar zijn dienstbode plotseling bevallen was. En toen afgelopen zondag de familie Nilant aan tafel zat, daverden de glazen in de kast. Dochter Hillegonda dacht aan een aardbeving, omdat er geen vleugje wind was 'waardoor de glasen souden kunnen rammelen'.

Mocht mevrouw Van der Os nog fruit willen, dan zou Nilant dat wel toezenden. Ook kon ze grote noten krijgen, als die al niet door de vele regen bedorven waren. De neerslag was zeer schadelijk voor de vruchten, want de pruimen barstten en de grote noten werden zwart. Het zaad en de erwten begonnen al uit te lopen. De slakken vraten de kroppen uit het veld.

Ook met de dienstboden waren er problemen. Nilant zag de ene vanwege haar 'lichaems gesteldheijd' liever niet terugkomen, een andere kon niet komen omdat zij 'haar belijdenis gaet leeren tegen St. Michiel' (29 september). Vrouw Giele, die dienstboden verhuurde, had ook niet veel capabele krachten, of zoals Nilant schreef, 'sij heeft tegenwoordig niet dan uitschot op haer lijst'. Ze had nog wel een 'schepsel' met de naam Margrietjen op het oog, die moeilijk met haar moeder overweg kon. Maar het zag er naar uit dat de familie zich met één keukenmeid 'also sukkelende' moest behelpen en mevrouw 'mede voor kokkinne sal moeten spelen'. De brief geeft op een unieke wijze aan wat bewoners van een buitenplaats in de achttiende eeuw zoal bezig hield.

De familie Nilant

Het gezin van mr. Lucas Nilant (1691-1767) en Agnes Greven (1698-1731) bestond uit vier dochters en een zoon Lambertus (1728-1778). Drie dochters van de markerichter overleden ongehuwd, de vierde trouwde in 1767 met de medicinae doctor Rudolf van Sonsbeek. In hetzelfde jaar stierf Lucas Nilant. IJsselvliet bleef onverdeeld in het bezit van zijn kinderen, die tussen 1778 en 1803 overleden.

Omvang van de buitenplaats

In het register van de 50e penning, een belasting die men bij verandering in het bezit van onroerend goed moest betalen, werd het goed in 1783 als volgt omschreven: 'Het erve en goed Isselvliet of de Colk te Spoolde, bestaande in 't Spijker en boerenhuis met de hoven en plantagien, de sogenaemde Pol aan de weg en aangelegen landen, twee koeweiden en één pinkeweijde op de Spoolderweideweert, het Dijkcampje en voorenste akker bouwland op Spoolderbroek, de lange Marsch tegenover IJsselvliet tot aan de Spoolderberg, de gehele Brinkmersch, de hoge of Kruiscamp en ’t Clavercampje bij 't Rode Enk tegenover 't goed van de Heer Dr. van Toor de Kortenberg .. .'.

Omdat het van belang was het ene stuk land van het andere te onderscheiden - het kadaster werd pas omstreeks 1830 ingevoerd - werden de meeste percelen met een naam aangeduid.

Vererving van IJsselvliet

Na de dood van Lambertus Nilant in 1778 en zijn vrouw Margaretha Geertruid Scriverius in 1805 kwam de buitenplaats in het bezit van hun zoon Lucas Hendrik Coenraad Nilant (1761-1837), gehuwd met Gerarda J. van Hoboken. Hij was van 1812-1836 notaris te Zwolle en tevens burgemeester van Zwollerkerspel.

De huidige Nilantsweg in Spoolde dankt zijn naam wellicht aan het feit dat de familie Nilant langs deze weg vele landerijen bezat.

Volgens advertenties in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant (POZC) werden er van tijd tot tijd bomen verkocht die op IJsselvliet stonden. Op 17 februari 1815 ging de verkoop van bomen echter niet door, omdat er geen 'liefhebbers bevindende zijn'. Bekend is dat in 1828 een brandspuit van de gemeente  Zwollerkerspel op de buitenplaats was ondergebracht.

Publieke verkoop

Na het overlijden op 10 april 1837 van Nilant werd IJsselvliet door zijn confrères Royer en Van der Gronden, notarissen te Zwolle, publiek verkocht.

De familie Nilant had het goed jarenlang bezeten, 'zonder dat er bijzondere bewijzen van eigendom of overschrijvingen voorhanden zijn'. In de POZC van 14 juli 1837 werd het goed aangeprezen als 'een zeer aangename buitenplaats, IJsselvliet genaamd, aan de straatweg bij het Katerveer, een half uur van de stad Zwolle, bestaande in zeer logeabel heerenhuis, waarin onderscheidene vertrekken, hebbende zeer aangenaam uitzigt over de rivier den IJssel, bouwhuis met ruime stalling voor beesten en paarden en verdere gebouwen, spacieuse tuinen met uitgezochte vruchtboomen beplant, aangename wandelingen, welig groeijende opgaande boomen en houtgewas'. Voorts was eraan verbonden 'een erf en huis met bakhuis en groote moestuin met uitnemende vruchtboomen beplant en daarbij gelegen bouwland [... ] gelegen aan de rijweg (tegen-)over het eerste perceel'.

Dit alles stemt nauw overeen met het kadastrale minuutplan van circa 1830. Tussen de schutkolk van de Katerveersluis en de eerste bocht in de Nilantsweg strekte zich het bezit van de heer Nilant uit. Zelfs de met bomen beplante oprijlaan, de slingervijver en de slingerpaden, het afzonderlijke bouwhuis en het erve Engelradink tegenover de oprijlaan staan fraai ingetekend. In het midden van de schitterend aangelegde, parkachtige tuin lag een boomgaard. Ook bevond zich in de tuin een koepel. Aan de nieuwe eigenaar van IJsselvliet was dit alles bekend: Lambertus Nilant, de zoon van L.H.C. Nilant, burgemeester van Olst, verwierf het voor ƒ 10.200,-.

Het boerenerf Engelradink, omschreven als erf, huis met bakhuis, grote moestuin, twee akkers bouwland en wilgenhagentje met de pol voor het huis en de daarop staande 'ypenboomen' aan de openbare weg te Spoolde, werd voor ƒ 1500,- eigendom van procureur mr. Lambertus Johannes Rietberg.

IJsselvliet bleef slechts tot 1840 in het bezit van Lambertus Nilant, waarmee de periode van een eeuw waarin de familie Nilant eigenaar geweest was van deze buitenplaats werd afgesloten.

Een nieuw IJsselvliet

Toen J.H. graaf van Rechteren, gouverneur van Overijssel, in 1840 tegen zijn zin benoemd werd in dezelfde functie in Friesland, bedankte hij. Dit betekende dat hij zijn ambtswoning in de Diezerstraat moest verlaten. Bij onderhandse akte van 1 september 1840 kocht hij van L. Nilant de buitenplaats IJsselvliet. Hij liet twee jaar later het huis en verdere gebouwen nieuw optrekken en richtte het in tot een zomer- en winterverblijf. Een steen in het koetshuis met het jaartal 1842, gelegd door zijn dochtertje Jacqueline H.A.E. van Rechteren, hield nog jarenlang de herinnering levendig aan deze prominente familie.

Slechts enkele jaren hebben de graaf Van Rechteren en zijn echtgenote Geertruid Agnes barones de Vos van Steenwijk kunnen genieten van deze prachtige buitenplaats. In 1845 stierven beiden vrij kort na elkaar. Kort voor zijn overlijden had Van Rechteren nog het boerenerf Engelradink, gelegen tegenover de oprijlaan van IJsselvliet, van notaris Rietberg aangekocht.

J.H. graaf van Rechteren liet de buitenplaats IJsselvliet en de boerderij Engelradink na aan zijn twee dochters Jacqueline Henriette Anna Elisabeth en Adamina Petronella Andrea. De bibliotheken op IJsselvliet en het huis Appeltern vielen toe aan zijn zoon Godert Willem, evenals de familieportretten en het jachttuig. De kinderen werden toevertrouwd aan de zorgen van hun tante Petronella Adamina barones de Vos van Steenwijk. Zij bleven op IJsselvliet wonen. Hierin kwam in 1850 verandering. Mr. Reint Hendrik baron de Vos van Steenwijk en Gabriël Jasper Gerrit de Vidal de St. Germain, voogden over de kinderen, wendden zich op 26 januari van dat jaar tot de rechtbank te Zwolle met het verzoek IJsselvliet te mogen verkopen. De met de opvoeding belaste tante was namelijk intussen getrouwd met jonkheer A. Sandberg. Zij had tot dan toe alles op de buitenplaats in behoorlijke staat gehouden.

Nu zij getrouwd en vertrokken was, zou het landgoed verkocht of verhuurd moeten worden. Het onderhoud aan de gebouwen kostte immers veel geld. Verkoop was echter te prefereren, omdat de goederen bij langdurige verhuring 'zeer verarmen en dienvolgens in waarde verminderen'. Op 13 februari 1850 verleende de rechtbank toestemming voor de verkoop.

Opnieuw verkocht

Al op 26 februari en 12 maart 1850 vond ten overstaan van notaris mr. LA. van Roijen de publieke verkoop van de buitenplaats IJsselvliet en katerstede Engelradink in Odeon plaats. Van de verkoop waren onder andere uitgezonderd 'het huisje in het slingerbosje' en de houten broeibakken. Op 1 mei 1850 kon het geheel aanvaard worden. Het complex werd voor ƒ 25.500,- aangekocht door Cornelis Anthonie van Everdingen, gepensioneerd rijksontvanger van de in- en uitgaande rechten en accijnzen. De nieuwe eigenaar woonde zeventien jaar lang op IJsselvliet.

Verkoop voor afbraak

Op 14 juni 1867 verscheen in de POZC een advertentie waarin IJsselvliet te koop werd aangeboden. De buitenplaats werd beschreven als een kapitaal herenhuis met zestien boven- en benedenkamers, waaronder beneden één ruime zaal en suite met een grote kamer. Verder waren er drie dienstbodenkamers, een provisiekamer, een ruime kelder, een keuken en een zolder. Daarnaast lag een ruim koetshuis en stalling voor acht paarden met daarbij gelegen ruime tuin met meer dan honderd exquise vruchtbomen en een 'broeijery'. Het geheel was 'voor ruim 20 jaren gebouwd en tot zomer- en winterverblijf ingerigt door den toenmalige eigenaar den Hooggeboren J.H. Grave van Rechteren van Appeltern.'

Zelfs de vorige eigenaar werd erbij gehaald om deze prachtige buitenplaats aan te prijzen. Om een indruk te geven van de afstand ten opzichte van de stad stond erbij vermeld dat het op een half uur verwijderd lag van het centrum en slechts een kwartier van het station.

Op 9 juli 1867 vond de verkoop plaats. Het is verbazingwekkend in de akte te lezen dat het herenhuis en het koetshuis, die in de krant als heel groot(s) en indrukwekkend waren omschreven, nu voor afbraak verkocht werden. Daarnaast zou de ondergrond apart van de hand gaan. Uit de akte blijkt niet waarom er intussen tot afbraak was besloten. Men kan slechts naar de reden gissen. Hangt het samen met de aanleg van de grote Katerveersluis of met de ophoging van de IJsseldijk? Was het huis te vochtig? Stond het pand in het gezichtsveld van bijvoorbeeld het huis de Hertsenberg en had de eigenaar hiervan met de verkoper Van Everdingen afgesproken hem een aanzienlijk bedrag onder de tafel te geven als de verkoop voor afbraak doorging? Werd het grote huis te duur in onderhoud voor de eigenaar? Hoe het ook zij, bij de openbare verkoop werden het herenhuis, het koetshuis en de stalling aangehouden. Dit complex werd echter op 24 juli 1867 voor ƒ 17.000,- verkocht aan Johanna D.C.N.H.A. van Everdingen, vrouw van Jan Meyjes, scheepsbouwmeester en assuradeur, wonende te Amsterdam. Hierbij was de verkoop van enkele hooi- en weilanden, De Grient genaamd, inbegrepen. Bij de publieke verkoop werd wel een koper voor de katerstede Engelradink, groot ruim 3,5 hectare, gevonden. Voor ƒ 2750,- werd Otto Bosch eigenaar.

Ook mevrouw Meyjes-van Everdingen bleef niet lang eigenares van IJsselvliet. Binnen twee jaar vond er al weer een openbare verkoop plaats ten overstaan van notaris Van der Gronden. Ook nu werd de buitenplaats voor afbraak verkocht; het koetshuis, de stal en de twee woningen mochten echter blijven staan. Aan de afbraak van de buitenplaats waren allerlei voorwaarden verbonden. Zo moest het geheel worden afgebroken met fundamenten en al. Het puin mocht niet worden afgevoerd, maar moest ter plekke weer worden gebruikt om 'de ruimten der kelders en fundamenten en de ontstane gaten aan te vullen tot op 5 palm na met de begane grond.' Het terrein moest worden afgesloten met een behoorlijke rikking en de afbraak moest gerealiseerd zijn voor 1 februari 1870.

De verkoop voor afbraak ging nu wel door. Voor ƒ 2595,- mocht Jacob B. Duif, aannemer te Hindeloopen, de buitenplaats slopen. De ondergrond van de buitenplaats, de tuin en de 'wandelingen', het koetshuis, de stal en de twee woningen kwamen in het bezit van de heren Doyer en Pruimers, wijnhandelaren, met nog wat bos, hooi- en weiland voor ƒ 10.750,-.  De heer N. Pruimers, wijnkoper, was tezelfdertijd ook eigenaar van de Hertsenberg!

Slot

Met de afbraak in de tweede helft van het jaar 1869 is de geschiedenis van IJsselvliet 'gevloten'. Het koetshuis bleef nog in stand tot circa 1958, zij het in een sterk gewijzigde vorm. Het diende jarenlang als boerderij voor de familie Westerhof. In de Zwolse krant van 22 december 1938 werd het boerenerf van Egbert Westerhof nog aangeduid als 'IJsselvlied'. Begin 1960 verleende de gemeente Zwollerkerspel vergunning voor de bouw van drie dubbele woningen aan de Nilantsweg, respectievelijk genummerd 41-1, 41-2, 41-3, 43, 45 en 47. Het koetshuis en de stalling van IJsselvliet moesten nu ook wijken. Het is jammer dat thans niets meer herinnert aan de buitenplaats IJsselvliet. Het zou getuigen van interesse voor de lokale geschiedenis, indien in de toekomst de naam IJsselvliet op de een of ander wijze in Spoolde zou voortbestaan.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het Zwols Historisch Tijdschrift 1993, nr. 3. Het Zwols Historisch Tijdschrift is het huisorgaan van de Zwolse Historische Vereniging.

Auteur:Wim Huijsmans
Trefwoorden:Bewoningsgeschiedenissen, IJsselvliet, Buitenplaats, Havezate, Katerveer, Nilantsweg, Adel Overijssel
Personen:Arnoldus Greven, Agnes Greven, Lucas Nilant, Van Rechteren
Periode:1700-1960
Locatie:Zwolle
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed