MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.

Henricus Brumanus (1638-1679) Zwols rector, historicus en medicus

Verhaal

De zeventiende eeuw was niet de eeuw van de specialisten. Wijsheid was boekenwijsheid. Wie lezen kon - en dan in de eerste plaats Latijn - en over een goed gevulde bibliotheek beschikte, was in staat om zich vrijwel de volledige toenmalige wetenschap eigen te maken. Dat kon door van Aristoteles tot Zeno alle schrijvers ijverig te bestuderen. Het was dan ook vrij normaal dat geleerden zoals Henricus Brumanus thuis waren in diverse thans gescheiden wetenschapsgebieden.

Biografie

Henricus Brumanus was de zoon van Sergius Brumanus en Judith Feith. Sergius en Judith waren in 1634 te Elburg gehuwd; hij was toen apotheker aan de Markt te Zwolle. Enkele jaren later, in 1641, kocht Sergius het Zwolse burgerrecht. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, waarvan alleen Henricus de volwassen leeftijd bereikte. Hij was op 18 november 1638 te Zwolle gedoopt. Bijna tien jaar later werd Henricus als leerling aan de Zwolse Latijnse school ingeschreven waar hij tussen 1647 en 1654 de lessen volgde. Hij verdiende als beste leerling twee maal een prijsboek: een geschiedwerk van Dionysius van Halicarnassus en een verzamelband met de gedichten van Virgilius. Toen Henricus de Latijnse school verliet, was zijn vader reeds gestorven. Want in 1654 verzocht de weduwe Brumanus namelijk aan de magistraat een bijdrage in de studiekosten van Henricus om de studie voort te zetten.

 

 

Waarschijnlijk heeft het stadsbestuur het verzoek ingewilligd omdat het in deze tijd gebruikelijk was om talentvolle burgerzonen daarin tegemoet te komen. Het is niet duidelijk aan welke universiteit hij verder studeerde. In de studenten-alba van de universiteiten in de Verenigde Republiek komt zijn naam niet voor. Evenmin is zijn naam onder de gepromoveerden te vinden. Dit laatste is wel verklaarbaar, want de stad was in haar ondersteuning niet zo royaal dat een dure promotie mogelijk was. Doctor is Henricus dus waarschijnlijk nooit geworden. Als tegenprestatie voor de stedelijke ondersteuning was het gebruikelijk dat na afloop van de studie de bursaal zijn talent in dienst van de stad stelde.

In 1661 werd Henricus praeceptor van de laagste klas van de Latijnse school te Zwolle en als zodanig deed hij in april 1663 belijdenis in de gereformeerde kerk. Het was gebruikelijk dat leraren hun matige salaris aanvulden door leerlingen in de kost te nemen. Tegenover deze extra inkomsten stonden ook hogere kosten en dat was de reden waarom Henricus een verzoek bij de magistraat indiende. Hij wilde een betere tegemoetkoming verkrijgen in de huur van zijn huis dat in de winter 'bequaem' diende te zijn om leerlingen te laten logeren. Hij vroeg twintig gulden boven de reeds verstrekte vijftig, omdat hij jaarlijks 70 gulden aan huishuur moest betalen.

Bij de inning voor het vuurstedengeld in 1675 woonde hij in de Voorstraat, in een van burgemeester Herman Meeuwsen gehuurd huis. In het huis waren vijf stookplaatsen aanwezig. Dat moet ruim voldoende zijn geweest om de nodige leerlingen te huisvesten. En het ligt voor de hand dat dit het huis is waar hij subsidie in de huur voor had verzocht. Kort daarna verhuisde hij. Want nadat de weduwe van de voorgaande rector Gosewinus Hogenkamp was gestorven, woonde hij in de vrij gekomen rectorswoning in het Frater, een niet meer bestaand steegje tussen Praubstraat en Goudsteeg.

Ondertussen was Henricus in 1670 tot rector van de Zwolse Latijnse school benoemd. Zijn maatschappelijke positie was nu zodanig gevestigd dat hij op 31 juli 1670 te Windesheim met Bartha Alberts Greven kon trouwen. Zij was de dochter van Gerrit Alberts Greven en Elsabe van Marckel. Door dit huwelijk werd hij opgenomen in een omvangrijke familie van Zwolse regenten.

 

 

In 1674 was er met het einde van de Keuls-Munsterse bezetting ook een einde gekomen aan het eerste stadhouderloze tijdperk (1651-1674). De nieuwe stadhouder, Willem III, had door de zogenaamde regeringsreglementen uitgebreide bevoegdheden verworven en had alle bestuurlijke benoemingen in de hand. In februari 1675 werd Brumanus door Willem III tot lid van de gezworen meente voor de Diezerstraat gekozen. De combinatie van rector met meensman was volgens het stadsrecht verboden. Vijfentwintig jaar eerder had bij de verkiezing van rector Gosewinus Hogenkamp tot meensman de meente een fel protest laten horen. Hogenkamp had toen van zijn plaats in de meente afgezien. Maar in de tijd dat Willem III de begeving van alle ambten in handen had, was een benoeming niet meer te veranderen.

Historicus en arts

In het midden van de zeventiende eeuw bloeide in Overijssel de humanistische geschiedschrijving. In Deventer schreef Jacobus Revius zijn kloeke geschiedenis van die stad, Daventriae illustrata. Te Zwolle werden de Latijnse letteren beoefend door de praeceptor en latere hoogleraar te Leiden Johannes Coccius, de stadsarts Hendrik Visscher, de latere predikanten Arnoldus Moonen en Johannes Vollenhove en de in kennis van de klassieke oudheid boven allen uitstekende jonker Rabo Herman Schele. Al deze heren kenden elkaar en kwamen bij elkaar over de vloer om kennis uit te wisselen. Tot deze groep van 'leergierige borsten' behoorde ook Henricus Brumanus.

Henricus schreef als eerste een geschiedenis van Overijssel, uiteraard in het Latijn: Res Transisalanae. In het werk wordt de periode vanaf de oudste tijden tot de eerste periode van de regering van David van Bourgondië beschreven. Een ander werk was een korte beschrijving van de IJssel onder de titel Brevis descriptio Isalae. In de humanistische geschiedschrijving was het niet vreemd om 'dietse' werken te vertalen in het Latijn. Ook dat deed Brumanus. Hij vertaalde een door een onbekende geschreven kroniek over de Overijssels-Gelderse oorlog tussen 1520 en 1524 in het Latijn tot: Bellum inter Transisalanos et Gelros. Brumanus zelf heeft deze werken nooit in druk gezien. De manuscripten waren na zijn dood door zijn weduwe aan het Zwolse stadsbestuur in eigendom gegeven. Door de regenten zijn ze dan in de achttiende eeuw aan de Deventer historicus en stadssecretaris Gerard Dumbar (1680-1744) gegeven voor opname in zijn Analecta.

Het herstel van de stadhouder versterkte de positie van de Overijsselse adel ten opzichte van de steden. De edelen trachtten daar hun voordeel mee te doen. Dat was de reden dat in april 1675 Brumanus door het stadsbestuur 'onder belofte van behoorlycke recognitie' werd belast met het doornemen van de stadscharters. Hij moest de rechten van de stad op het schoutambt Zwollerkerspel nazien en van zijn bevindingen 'yets op het papijr' brengen. De oude rechten werden in stelling gebracht tegen vermeende onrechtmatigheden die de Sallandse drost zich veroorloofde.

Na acht maanden onderzoek was Brumanus klaar. De magistraat was zeer tevreden over dit werk en beloonde Henricus met het niet gering bedrag van tweehonderd gulden.

Enkele jaren later, in 1677, verdedigde Henricus de positie van Zwolle en de beide andere stemhebbende steden Deventer en Kampen, tegenover de adel opnieuw. In een pamflet van twintig pagina's nam hij het voor de drie steden op tegen een anoniem verschenen blauwboekje getiteld Consideratien en redenen. In dit werkje werd de noodzaak van het herstelde stadhouderschap voor het gewest betoogd en werd er een aanval gedaan op de onafhankelijke positie van de drie steden.

De pretentie van de drie steden dat ze vrije Rijkssteden zouden zijn, wordt ontkracht. En op die lijn doorredenerend ontkende de anonymus dat de steden een soevereine status zouden hebben. Brumanus toonde in zijn verdediging aan dat het weliswaar niet te bewijzen viel dat de drie steden Rijkssteden waren, maar dat zij desondanks wel zeker steden waren met eeuwenoud soeverein gezag. De rector vervulde met beide studies een van de belangrijkste taken van een zeventiende-eeuwse historicus, de legitimatie van het bestaande gezag. De magistraat kon in deze tijd die morele steun goed gebruiken. Het prestige van de bestuurders was zwaar gehavend door de Keuls-Munsterse bezetting van 1672 tot 1674, de invoering van de regeringsreglementen in 1675 en het optreden van de aanwezige militaire commandant.

Behalve dat Henricus thuis was in de Overijsselse historie, bezat hij ook kennis van de interne geneeskunde (goed te onderscheiden van de uitwendige, waar de chirurgijns voor waren). Die geneeskunde was nog vrijwel geheel gebaseerd op de medische geschriften van de Romeinse arts Galenus. In 1674 werd hij bij het ziekbed van de drost van Salland, Rutger van Haersolte, geroepen. Henricus meende dat de uitslag op de lippen van de patiënt een goed teken was." Maar het goede voorteken kon niet verhoeden dat het ziekbed een doodsbed werd. Twee maanden na het consult stierf de drost.

 

 

Dood en familie

Henricus stierf jong. Hij was pas eenenveertig jaar oud toen hij op 6 september 1679 te Zwolle werd begraven. De Deventer predikant en oud-leerling van Henricus, Arnoldus Moonen, maakte een gedicht op zijn dood als troost voor de stad, de leerlingen van de Latijnse school, de gezonden en zieken:

'Gedenksteen van den Heere Henrikus Brumanus, rector der Latijnsche Schoole te Zwolle'.

Enkele strofen uit het gedicht maken het maatschappelijk belang van de overledene duidelijk:

'Nu legt, helaes! nu legt de Zallandsche histori,

Door zestien eeuwen na veel arbeids uitgevoert,

En met haer al 't bedryf der ouderen en hun glori,

Die in den nazaet noch het bloet ontsteekt en roert.'

en:

"Geneeskunst, buiten spoor, en als voor 't hooft geslagen,

Bezwymt elk oogenblik mistroostigh op 't gebeent

Van haeren voesterling, ons tegens hoop ontdraegen,

En van gezonden en van kranken droefbeweent.'

 

De weduwe kreeg van de magistraat op grond van een oude belofte om financieel net als de predikanten behandeld te worden, nog één jaar traktement. Bartha overleefde haar Henricus vele jaren. Voor haar levensonderhoud zocht zij op den duur haar heil in de handel. Op 16 mei 1693 werd zij als gildebroersdochter in het St. Nicolaasgilde ingeschreven. Bartha werd op 11 februari 1711 als Henrica Brumanus begraven. De reputatie van Henricus was blijkbaar zo groot dat zijn naam de meisjesnaam van zijn echtgenote had verdrongen.

Uit het huwelijk van Henricus en Bartha waren vier kinderen geboren. In 1671 werd een dochtertje - Elsabe - geboren dat nog geen twee maanden oud werd. Daarna werden er nog een Elsabe (1674-1728) en Willemina (1676-1716) geboren. Beide dochters bleven ongehuwd en Elsabe volgde haar moeder denkelijk in de winkel op want op 7 september 1712 werd ze gildedochter van het St. Nicolaasgilde. De enige zoon was Gerrit Brumanus, van wie de geboorte- noch de doopdatum bekend zijn. Net als zijn vader volgde hij tussen 1689  en  1696 de lessen aan de Zwolse Latijnse school. Om verder te studeren vertrok hij in 1699 naar Franeker. Hij promoveerde niet, want dan zou hij zich zeker als advocaat en niet als procureur gevestigd hebben. Vanaf 1706 was hij meensman voor de Voorstraat. Net als zijn beide zusters stierf Gerrit ongehuwd, hij werd op 9 augustus 1721 begraven.

 

Dit artikel van auteur J.C. Streng, is eerder gepubliceerd in het Zwols Historisch Tijdschrift (het orgaan van de Zwolse Historische Vereniging) 1996, nr. 1.

Trefwoorden:Res Transisalanae, Brevis descriptio Isalae, Rector, Historicus, Medicus, Latijnse school
Personen:Henricus Brumanus, Bartha Alberts Greven, Gosewinus Hogenkamp, hendrik visscher, j.c. streng
Periode:1638-1679
Locatie:Zwolle
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed