Geweermakers aan de Luttekestraat in Zwolle

Verhaal

In de gevel van Luttekestraat 46 staat nog altijd het opschrift 'Wapenfabriek' te lezen. Deze betiteling is weliswaar niet meer van toepassing op de huidige situatie, maar geeft wel, zij het met een wat weidse benaming, de activiteiten in de beginperiode van de firma Bremer weer. De eerste Bremers waren geweermakers en hielden zich daarnaast voornamelijk bezig met de handel in schiet- en jachtbenodigdheden.

Heinrich Joseph Bremer

In 1865 streek de geweermaker Heinrich Joseph Bremer (1837-1908) neer in Zwolle. Bremer was afkomstig uit Bensberg bij Keulen. Aanvankelijk verbleef hij in een koffiehuis in de Diezerstraat; in een 'Berigt aan Heeren Jagers' in de Zwolsche Courant van 30 augustus 1865 beval hij zich van daaruit minzaam aan tot 'het leveren, repareren en al wat verder tot het Geweermaken behoort, bij de Heeren Jagtliefhebbers'. Vervolgens vestigde Bremer zich in Zwolle en begon hij onder zijn eigen naam een geweermakerij aan de Nieuwe Markt. Blijkbaar bestond er in Zwolle een goede markt voor zijn producten, want in 1878 verhuisde hij naar een groter pand in de Luttekestraat; de locatie waar de firma anno 2002 nog steeds is gehuisvest. Bremer trad in het huwelijk met de Zwolse Hermanna Tenthof (1834-1906). Hun oudste zoon Theodoor (1872-1933) trad in de voetsporen van zijn vader. Hij werd eveneens geweermaker en nam rond 1900 het bedrijf over.

Tot de vuurwapenwet van 1919 waren wapens in Nederland vrij verkrijgbaar. Weliswaar moest men een jachtakte bezitten, maar die was makkelijk te krijgen. De firma Bremer richtte zich dan ook in de eerste plaats op de jagers. Een catalogus van de firma uit 1910 voor 'Jachtgeweren, jachtbuksen, schijfbuksen, automatische pistolen en munitie' toont een keur aan geweren en jacht-, schijf- en windbuksen. De geweren varieerden in prijs van ƒ 20,- tot ƒ 500,-. Naast schietgerei en -benodigdheden verkocht Bremer ook alle mogelijke accessoires voor de jacht, zoals patroonkoffers, -tassen en -gordels, beenkappen, jachttassen, rugzakken, kniebeschermers, wildlokkers, veldflessen, vingerbeschermers, slobkousen, jacht- en zakmessen, aluminium bekers en broodtrommels, rijkarwatsen, en dergelijke. Voor de jachthonden werd ook van alles geleverd: halsbanden, muilkorven, kettingen, borstels, dog cakes, enzovoort. De echte 'Münchener Loden Regenjassen (waterdicht)' completeerden de uitrusting van de jager. In het assortiment werden verder nog automatische pistolen, revolvers, klewangs, politiesabels, handboeien, wapenstokken en allerlei accessoires gevoerd.

Geweermakers

Heinrich J. Bremer en zijn zoon Theodoor waren zelf nog echte geweermakers. Zij bewerkten ruwe onderdelen tot hanen en bovenstukken (toplevers) van een geweer en maakten de kolven en lopen zelf. De door hen gebruikte onderdelen kwamen vooral uit België en Duitsland. Door de firma verkochte kant-en-klare wapens kwamen ook uit die twee landen en uit Engeland, landen met meer wapen- en jachttraditie dan Nederland.

In de twintigste eeuw werd het onder invloed van het toenemende industriële aanbod al snel te duur om zelf nog lopen te maken; ze werden vervolgens geïmporteerd. In de tweede helft van de twintigste eeuw werden de diverse onderdelen steeds nauwkeuriger gemaakt en werd steeds minder nabewerking vereist.

Theodoor Bremer was toen al lang overleden, hij stierf in 1933. Zijn enige zoon, ook Theodoor (Theo) geheten, was op dat moment nog maar 15 jaar oud. Om de periode tot zijn volwassenheid te overbruggen werd een Duitse geweermaker ingehuurd om het bedrijf draaiende te houden. Deze heer Seibold werd kort voor de Tweede Wereldoorlog het land uitgezet vanwege vermeende verdachte activiteiten. Theodoor jr. nam zo al op jonge leeftijd de leiding van de zaak over.

Kruitopslag

Het pand aan de Luttekestraat was in 1908 ingrijpend verbouwd en van een nieuwe voorgevel voorzien door de in deze contreien bekende Jugendstilarchitect G.G. Post. De familie Bremer, die aanvankelijk boven de zaak woonde, verhuisde in 1918 naar Prins Hendrikstraat 4 (toen nieuwbouw), een huis dat nog steeds door de familie

bewoond wordt. In de Luttekestraat werd de eerste verdieping daarna gebruikt als werkplaats en kantoor, de tweede verdieping werd bewoond en op de derde verdieping was de kruitopslag. Voor deze kruitopslag bezat de firma een vergunning, waarin uitvoerig de condities waaronder het kruit bewaard moest worden beschreven stonden. In de vergunning uit 1908 stond: 'In de bewaarplaats mag nimmer meer dan zeven en dertig en een half kilogram buskruit voorhanden zijn, dat daarin moet zijn geborgen in koperen, messingen, zinken of goed vertinde blikken bussen of trommels of in houten vaatjes, welke van een houten deksel voorzien en met haren of wollen kleeden omwikkeld moeten zijn; op niet meer dan 1.5 M van de bewaarplaats moet steeds een ton met tenminste 100 liter water geplaatst zijn, waarin de voorwerpen met buskruit bij brand moeten kunnen worden ondergedompeld.' Ondanks de nog vele paragrafen doorgaande voorschriften, maakt het idee van de opslag van 37 kilo buskruit op de derde verdieping in een betrekkelijk smal pand midden in een dichtbevolkte stad tegenwoordig toch een minder verantwoorde indruk. Gelukkig is er nooit brand uitgebroken. Op de begane grond waren tot de oorlog nog munitiekasten in gebruik. In de jaren twintig gebruikte de firma een extra munitieopslagplaats op Hofvliet, het toenmalige eiland in het Zwarte Water, tegenover het Rodetorenplein.

Ruiterbenodigdheden

Door de boven al geschetste ontwikkeling in de fabricage van geweren en door de terugloop van de populariteit van de jacht begon de firma Bremer in de jaren zestig naast het vertrouwde assortiment met de verkoop van ruitersportbenodigdheden, toen een sport in opkomst. Tevens begon men met de verkoop van klassieke Engelse kleding. Een goede zet; deze twee pijlers maken nu een belangrijk deel van het aanbod uit. Kleine reparaties aan geweren worden nog wel gedaan maar ingewikkelde zaken worden uitbesteed aan een specialistisch bedrijf in België.

De firma heeft tegenwoordig twee panden in de Luttekestraat in gebruik, het oorspronkelijke pand nummer 46 en nummer 48. Nummer 46 valt onder Monumentenzorg, de gevel is onlangs gerestaureerd. De zaak wordt nu geleid door de vierde generatie, de heer J.C.Th. Bremer (geb. 1956). Sinds het 125-jarig bestaan in 1990 mag de firma het predikaat 'Hofleverancier' voeren.

*Dit artikel is eerder verschenen in het Zwols Historisch Tijdschrift nr. 3 - 2002. Het Zwols Historisch Tijdschrift is het huisorgaan van de Zwolse Historische Vereniging.

Auteur:Annèt Bootsma-Van Hulten
Trefwoorden:Bedrijvigheid Overijssel, Geweermakers, Geweermakerij, Luttekestraat, Hofleverancier, Kruitopslag
Personen:Heinrich Joseph Bremer, Hermanna Tenthof, Theodoor Bremer, Seibold
Periode:1865-2006
Locatie:Zwolle
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand