MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.
Zoeken
Uitgebreid zoeken

Doijer en Van Deventer, likeurstokerij en bitterfabriek

Verhaal

De firma Doijer en Van Deventer was jarenlang een klassiek Zwols familiebedrijf. De familie Van Deventer bleef met drie generaties tot 1935 bij het bedrijf betrokken, de familie Doijer met zes generaties zelfs tot 1989. Hoe de families Van Deventer en Doijer tot het maken van alcoholhoudende dranken zijn gekomen, is onbekend. Wat wel vast staat is de exacte oprichtingsdatum van het bedrijf en waar het van start ging.

‘Stookerij van fijne likeuren’

Op 2 mei 1814 werd een likeurstokerij opgericht door Hendrik Arnoldus van Deventer (1788-1839), echtgenoot van Sara Catharina Doijer (1788-1871), met zijn oom Thomas Doijer (1754-1833) als commanditaire vennoot. Het bedrijf werd gevestigd in het pand Diezerstraat 58, waar daarvoor bierbrouwerij ‘De Witte Leeuw’ gevestigd was. Afbeeldingen van biervaten en een leeuw in de fraaie gevel herinneren daar heden ten dage nog aan. Dat juist deze locatie eerst een bierbrouwerij en vervolgens een likeurstokerij huisvestte, kwam doordat zich in de tuin een wel bevond, een natuurlijke waterbron, die zowel voor de brouwerij als de likeurstokerij een belangrijke grondstof vormde.

Het bedrijf ging van start als een ‘Stookerij van fijne Likeuren, Aromatiek Zwolsch Bitter, Ordinaire Likeuren’ enz. De eerste jaren opereerde de firma onder de naam H.A. van Deventer en Co. In 1826 werd Van Deventers neef Jan Jacob Doijer (1801-1875, zoon van Thomas Doijer) mede-firmant; vanaf dat moment was er ook officieel sprake van de firma Doijer en Van Deventer.

In het pand aan de Diezerstraat waren aan de straatkant de winkel en het kantoor gevestigd; aan de tuinkant, bij de wel, lag de stokerij. De kelder en zolder dienden voor opslag. De firma maakte likeuren, bitters, jenever, limonadesiropen en na enige tijd ook vruchtenwijnen. De opslag van met name bessenwijn vereiste al spoedig extra pakhuis en kelderruimte die her en der gehuurd werden.

Uit vroeger tijden; een impressie van de dagelijkse gang van zaken bij Doijer en Van Deventer rond 1900.

‘Flesschen kregen we per wagon uit Duitschland en we waren een heelen dag bezig met lossen en opbergen. Hierbij hielpen de Wijndragers en de welbekende Gait Mulder (toen nog een jong mensch van ± 18 jaar) met de verhuiswagen om flesschen te brengen en lege manden terug te nemen.

Glas van kapotte flesschen ging in de glaskelder, die met een luik gesloten was en zich ook nog onder de straat bevond. Eéns in ‘t jaar moest die leeg. Het gruisglas ging per schipper naar Loenen a/d Vecht, vanwaar we ook nieuwe flesschen kregen. Kruiken kwamen uit Duitschland (Girmscheidt). Stroop (10 à 20 vaten), suiker (20 zakken à 100 kilo) en citroenen (80 groote kisten) werden gebracht.

Brandewijn, jenever, cognac, rum, arac, spriritus 96% werden bezorgd door de Wijndragers.

Voor de spiritus waren twee reservoirs, één van 11.000 L inhoud, en één van 13.000 liter. Hieruit ziet ge dat er veel werk gebeurde buiten het personeel zelf en kunt ge begrijpen dat er zoo groote kwantums dagelijks de fabriek konden verlaten. Iedere dag was de groote wagen vol geladen met manden, kisten en vaten voor het spoor.

Voorjaars en in ‘t najaar ging de heer Van Deventer de groote Twentsche reis maken. Hij was daar drie weken voor noodig. Daarna ging de heer Doijer op reis naar Amsterdam en verder geheel N. Holland, tot Den Helder. Deze reizen gaven veel commissies en was er volop werk.

De maanden Nov. en Dec. waren drukke maanden, niet alleen met de verzending, maar dan kwam er het citroenenpersen ook bij. Twee vrouwen schilden per dag drie kisten citroenen en twee mannen waren voor het uitpersen. Twee noodhulpen vulden het personeel aan om zoo alles op tijd voor elkaar te krijgen. De feestdagen als St. Nicolaas, Kerstmis en Nieuwjaar gaven extra werk, en dan ging het doorgaans tot negen uur ‘s avonds door. Tegen dien tijd werden een groot aantal kisten met likeur in ’t voren klaar gemaakt, er stonden dan wel 70 stuks om vlotte aflevering te bewerken.

Dan waren er ook vaak orders voor het buitenland. De commiezen moesten de kisten verzegelen. Om iets te noemen: 6 kisten met halve flesschen “Zwolsch Bitter” [maag elixer] naar Egypte, kisten met likeur naar Batavia, Buitenzorg, Semarang, Soerabaja. Kisten met Elixer Longue Vita, ook voor Indië. Kisten met likeur op kruikjes van 1dl. naar Zweden. Verder ook nog verzending naar Amerika (Argentinië). Ten tijde van de Transvaalsche Oorlog naar de Delagoabaai, 48 kisten diverse wijnen, enz.

In het begin van het jaar ging alles gewoon van 7 tot 7. Overwerk werd betaald met 10 cent per uur. In Juni begon het voorbereidende werk voor de bessencampagne. Voor de kuiper was er dan veel werk. De stukvaten AA, BB, enz, 26 in getal, moesten klaar voor de bessenwijn plus nog een 30tal oxhoofden, dan 12 stukvaten voor zwarte bessen en 2 voor boschbessen en 15 halve booten voor framboozen.

Het persen van de roode bessen gebeurde in de stokerij, maar daar was maar ruimte voor één pers, waardoor slechts 4 vaten per dag gemaakt konden worden, en ’s middags het werk doorging. De heer Doijer bleef dan aan de fabriek. Van ’s morgens 6 uur tot ’s avonds 8 uur was men daarmee bezig. Later ging dit werk naar de overkant [Wolweversstraat], waar met 2 persen gewerkt kon worden en dus per dag meer gemaakt. Daarna kwam de motor om te draaien, zoodat het toen nog vlugger ging.

Als de bessen genoeg getrokken waren, kwam tegen de Zwolsche kermis de verzending. Wij werkten dan van ’s morgens 6 tot ’s avonds 9 uur en zagen anderen kermis vieren. ’s Middags in schafttijd van 5 tot half 6 kwam een kermisman met zijn orgel een poosje muziek maken. Hij kreeg wat centen in zijn pet, een bittertje en zijn vrouw een glaasje limonade. Ze gingen dan weer verder en we gingen weer aan ’t werk met bessen afwegen en in de vaten brengen voor den volgende dag’.

(Fragment uit een toespraak van de oud-meesterknecht M. Hendriks - werkzaam bij de firma van 1895 tot 1935 - ter gelegenheid van de opening van een nieuwe fabrieksafdeling in juni 1947. Archief Doijer en Van Deventer).

 

Oude Vismarkt

Vanwege ruimtegebrek verhuisde het bedrijf in 1866 naar een pand op de Oude Vismarkt, hoek Wolweverstraat. Dit pand zou goed honderd jaar de hoofdvestiging van de firma blijven; de gevel vermeldt nog altijd de naam Doijer en Van Deventer, Likeurstokerij en de jaartallen 1814 en 1866. De voorgevel lag weliswaar aan de Oude Vismarkt, maar het officiële adres was Wolweverstraat. In dit pand was daarvoor een jeneverstokerij gevestigd, genaamd ‘De Eendracht’. Tegelijkertijd werd ook de mouterij waar het graan voor de jeneverstokerij te kiemen werd gelegd aangekocht, Wolweverstraat 7. Vanwege die graanopslag huisden hier veel ratten, maar volgens de overlevering werden die door de toenmalige firmant J.J. Doijer effectief uitgeroeid. De nieuwe behuizing was weliswaar ruimer, maar had het bezwaar dat men niet meer kon beschikken over een eigen waterbron. Zwolle beschikte pas in 1892 over een eigen waterleiding. Voor de vervaardiging van de vele producten was veel water nodig dat moest worden aangedragen vanaf de stadspomp in de Sassenstraat, hoek Koestraat.

Het ging het bedrijf voor de wind, in de jaren tachtig werden nog meer panden in de Wolweverstraat en aan het aangrenzende Gasthuisplein aangekocht voor de opslag en productie. De dranken werden onder de eigen naam in het hele land, weliswaar in die tijd nog met de nadruk op het oosten en noorden, verkocht. Er werd ook geëxporteerd naar het buitenland.

Rond 1900 waren firmant de heren Jan Jacob Doijer Jzn. (1859-1920, kleinzoon van de eerste Jan Jacob) en Jan Salomon van Deventer (1858-19.., kleinzoon van Hendrik Arnoldus). Volgens een beschrijving uit 1947 van ‘baas’ M. Hendriks, meesterknecht van 1895 tot 1935, werkten er in die tijd twee personen op het kantoor, was er een parttime boekhouder en waren er twee reizigers. In de fabriek werkten negen vaste krachten: een meesterknecht, een machinist, een kuiper, twee kruikenvullers, twee tappers, een knecht en een jongmaatje voor boodschappen en dergelijke. Afhankelijk van het seizoen maakte men veelvuldig gebruik van tijdelijke krachten en werd er, indien nodig, gewoon langer gewerkt (zie ook kader).

Omstreeks 1875 werd ook de fabricage van parfumerieën onder het merk Idoze, afgeleid van J(an) Do(ijer) Z(woll)e, ter hand genomen. In 1903 werd het merk officieel ingeschreven. Oorspronkelijk legde men zich hoofdzakelijk toe op Eau de Cologne die in mandflessen en in fusten aan de groothandel werd geleverd. Later specialiseerde men zich ook op flaconverpakkingen en werd de sortering belangrijk uitgebreid. Idoze bleef in productie tot 1963, toen het merk werd verkocht aan een collega in Zutphen.

Vooruitgang

Goed twintig jaar na de aanleg van de waterleiding deed elektriciteit in Zwolle zijn intrede, in 1915. Daarvoor werd de verlichting geregeld met gaslampen en als het nodig was werd er bijgelicht met kaarsen. In de donkere dagen voor de decemberfeestdagen, wanneer er erg lange werkdagen werden gemaakt (zie kader) was dit moeizaam werken. Elektrische verlichting betekende daarom een enorme vooruitgang. Van elektrische apparatuur werd verder overigens nog nauwelijks gebruikt gemaakt, dat begon pas na de Tweede Wereldoorlog een grote vlucht te nemen.

Omdat gedistilleerd de hoofdmoot van de bedrijvigheid uitmaakte, vormden de distilleerketels het belangrijkste bezit van de firma. Tijdens de oorlog wist men ze met moeite uit handen van de Duitsers te houden, onder het mom dat ze gebruikt moesten worden in de Zwolse gaarkeuken. Zover is het niet gekomen. Er was een prachtige collectie, een grote stoomketel voor de distilleerketels, suikersmelters, een advocaatmachine en alles in rood koper uitgevoerd. De productie kon in de oorlog maar zeer beperkt doorgaan, vanwege de rantsoenering van belangrijke grondstoffen als alcohol en suiker. Ook na de oorlog duurde het geruime tijd voordat deze artikelen weer normaal te verkrijgen waren.

Naoorlogse expansie

Na de oorlog veranderde de drankenmarkt snel. De belangrijkste verandering betrof de massale overstap op glas (in plaats van aardewerk). Doijer en Van Deventer was een van de eerste distillateurs die daarop over ging. Het bedrijf introduceerde in die tijd ook ‘Red Berry’, een goede en lekkere vruchtenwijn. Dit product sloeg aan, er werden jaarlijks zo’n honderdduizend flessen van verkocht. Een ander succesvol product was het merk ‘1814’, onder welke naam binnenlands gedistilleerd verkocht werd.

Er kwam ook steeds meer systematiek in de manier van werken; voorheen verpakte men op order maar geleidelijk ging men steeds meer vooruit verpakken en op voorraad in het magazijn zetten.

Marslanden

Het bedrijf expandeerde, maar liep daarbij tegen een oud probleem aan: ruimtegebrek. In de loop der jaren had het bedrijf een complex panden aan de Wolweverstraat en het Gasthuisplein aangekocht, waar eindeloos in was verbouwd en verplaatst. De verzameling oude panden vereiste echter veel onderhoud, was bovendien structureel te klein en totaal ongeschikt om efficiënt naar de eisen des tijds te kunnen werken. Bovendien beschikte men midden in de stad niet over een open opslagterrein en werd de bereikbaarheid door het toenemende verkeer ook steeds problematischer. Er bestonden daarom al lang plannen om de binnenstad te verlaten en tot algehele nieuwbouw over te gaan. In 1966 kon eindelijk met verwezenlijking daarvan begonnen worden, als eerste fase werd toen een nieuwe vruchtenwijnfabriek geopend op het nieuwe bedrijventerrein van de Marslanden. Medio 1968 kon het hele bedrijf daar een gloednieuwe behuizing betrekken en werd de periode in de binnenstad afgesloten.

Omstreeks dezelfde tijd werden de Zwolse drankengroothandel Koekkoek en de Delftse distilleerderij Hellebrekers overgenomen.

Intercaves

In de jaren zeventig schakelde het bedrijf steeds meer over op wijn. Begin jaren tachtig besloot toenmalig directeur H.H. Doijer, geboren in 1926 (Nb. toevoeging 2016: overleden in 2013) en laatste telg uit de familie die bij het bedrijf betrokken was, om samenwerking te zoeken met een vooraanstaande branchegenoot. Er was geen opvolging uit de familie en Doijer wilde op deze manier de voortzetting van het bedrijf zo goed mogelijk waarborgen. Zo kwam in 1982 de fusie met distilleerderij M. Dirkzwager, onder meer producent van Florijn, tot stand. De productie van het gedistilleerd verhuisde naar Schiedam en de wijnbelangen werden in Zwolle geconcentreerd. Doijer en Van Deventer heette voortaan Intercaves. De heer Doijer combineerde zijn afscheid van het bedrijf met het 175-jarig bestaan in 1989. De heer A.J. Brouwer, al mededirecteur sinds 1968, zette de directie voort met de heer R.J.A. Würzer.

De heer Brouwer was in 1989 al jaren bij het bedrijf werkzaam en maakte de periode in de binnenstad nog uitgebreid mee. Hij was tot 1999 bij het bedrijf betrokken. 

De periode aan de Marsweg behoort inmiddels ook definitief tot het verleden; Intercaves verhuisde in juli 2001 naar Nijkerk vanwege een in de bedrijfsgeschiedenis van Doijer en Van Deventer – Intercaves bekende reden: ruimtegebrek en logistieke overwegingen. In tegenstelling tot het voormalige hoofdpand aan de Oude Vismarkt, dat er nog steeds staat, zijn de panden aan de Marsweg gesloopt.

Roode Bessenwijn

‘19 Juli 1894. Roode Bessenwijn gemaakt van de Roode Bessen van Cnopius (208 K°) en van Wagenberg Festen te Vlijmen (1456 K°). Verhouding 45 K° Bessen & 30 K° Melis op 100 Liter.

Dit jaar besloten de Bessenwijnen te liggen in het Strooppakhuis, zijnde deze plaats veel warmer als het Vruchtenpakhuis. De ondervinding heeft geleerd dat sinds de Bessenwijn gelegen heeft in het Vruchtenpakhuis, wij ook last hebben gehad van gistige Bessenwijn, wat wij toeschrijven aan de vochtigheid van dat lokaal, daarom dit jaar een proef genomen met het strooppakhuis. Verder is genomen voor de fabricatie eenigszins verwarmd water. Het leidingwater toch is zeer koud & daardoor niet bevorderlijk voor de gisting. Er is daarom gebruikt 5 liter kokend water op 40 liter, om de koude weg te nemen. De te maken fusten zijn op circa 5 liter na vol gemaakt & iedere avond  en morgen na gisting weer aangevuld met lauw water. Het overloopend draf is opgevangen voorloopig in een vat gebracht om later opgestookt te worden’.

(Verslag van de rode bessenwijnproductie uit 1894, archief Doijer en Van Deventer).

Dit artikel van de hand van Annèt Bootsma-Van Hulten is eerder gepubliceerd in het Zwols Historisch Tijdschrift nr. 3 - 2002

Auteur:Annèt Bootsma-Van Hulten
Trefwoorden:Bedrijvigheid Overijssel, Stokerijen, Stokerij, Likeur, Jenever, Bierbrouwerij, Likeurstokerij, De witte leeuw
Personen:Hendrik Arnoldus van Deventer, Sara Catharina Doijer, Thomas Doijer, Jan Jacob Doijer
Periode:1814-2016
Locatie:Zwolle
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed