MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.

Arnoldus van Walsum, de ontslagen burgemeester

Verhaal

Op 19 februari 1938 werd A. van Walsum, als opvolger van J.E.Baron de Vos van Steenwijk, in een buitengewone zitting van de gemeenteraad geïnstalleerd als burgemeester van de gemeente Zwolle. Niemand kon toen vermoeden dat hij deze functie slechts twee jaar zou bekleden en dat zijn ontslag in 1940 dramatisch genoemd kan worden.

De jonge jaren

Arnoldus van Walsum werd op 30 januari 1890 in Krimpen aan den IJssel geboren. Hij was de oudste zoon van Arie Adrianus van Walsum en Ariaantje van Cappellen. Het gezin telde vijf kinderen, drie jongens en twee meisjes. De vader overleed op jonge leeftijd. Arnold voelde zich als oudste zoon niet alleen verantwoordelijk voor het gezin, maar hij kreeg ook het beheer over het familievermogen. 

 

 

Grootvader Arnoldus had een rietmattenfabriek en hij was gemeenteontvanger in Krimpen. Ook de vader van Van Walsum was firmant. De jonge Arnold was daarentegen geen zakenman. Hij voelde zich meer aangetrokken tot de bestuurlijke en ambtelijke wereld. Na enige tijd op de secretarieën van Ouderkerk aan den IJssel en van Zandvoort te hebben gewerkt, werd Van Walsum in 1915 benoemd tot burgemeester van Krimpen aan den IJssel, zijn geboorteplaats. Met zijn 25 jaren was hij toen de jongste burgemeester van ons land. Een mooie carrière leek vóór hem te liggen.

Burgemeester

Twaalf en een half jaar bleef hij in Krimpen aan den IJssel. Toen volgde zijn benoeming in Vlaardingen, waar hij tien jaar zou blijven. Hij ontpopte zich als een zakelijk en goed bestuurder, die vooral op financieel terrein successen wist te boeken – hij beheerde de portefeuille van financiën.

 

 

Hij was (orthodox) Nederlands Hervormd en lid van de Christelijk Historische Unie. Voor die partij is hij ook enige tijd lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland geweest.

Toen volgde, bij Koninklijk Besluit van 26 januari 1938, zijn benoeming tot burgemeester van Overijssels hoofdstad. Op zaterdag 19 februari van datzelfde jaar deed hij zijn intrede in de Zwolse gemeenteraad.

Interessant om te lezen, is het feit dat locoburgemeester H.G.C.Treep er in zijn begroetingstoespraak over klaagde dat het college van B. en W. de benoeming had moeten vernemen via de radio of uit de krant. Van Walsum zei even later overigens, dat hem dat als burgemeester óók was overkomen. Treep hield een pleidooi om als dagelijks bestuur van een gemeente vóór een burgemeestersbenoeming door de minister te worden gehoord om zodoende opvattingen over een toekomstige burgemeester naar voren te brengen.

Vervolgens sprak Van Walsum voor de eerste keer als burgemeester in Zwolle. Hij schetste zichzelf als streng en zakelijk: 'Ik eis dat het gezag in ere wordt gehouden. Van de ambtenaren verlang ik stipte plichtsbetrachting en eerlijkheid, doch anderzijds hoop ik een rechtvaardig, humaan chef te zijn.' En ook: 'Ik hoop mij te houden binnen de grenzen van het den Burgemeester toegewezen terrein, maar sta er op, dat dan ook anderen zich daarvan verre houden.'

Hij was een diepgelovig man, die zijn eerste rede begon met openlijk dank te brengen aan God, 'die mijn wegen kennelijk zodanig geleid heeft, dat het gewichtige ambt van Burgemeester der gemeente Zwolle mij ten deel gevallen is.' Pas daarna sprak hij eerbiedige dank uit jegens Hare Majesteit de Koningin voor de benoeming.

 

 

Het gezin Van Walsum was gelukkig met de overstap naar Zwolle. Mevrouw Van Walsum, die vaak ziek was (zij was niet bij de installatie aanwezig) en de zes kinderen (van de acht) die nog thuis waren, voelden zich in het grote huis Wipstrikkerallee 157 gauw thuis. Hiervandaan ging de nieuwe burgemeester, meestal lopend, elke werkdag naar het stadhuis in de Sassenstraat. Later zou deze periode in het gezin worden gekenschetst als een zéér gelukkige.

De internationale toestand werd echter steeds dreigender. Van Walsum was, zoals zovelen, zeer bezorgd over de politiek van Duitsland. Hij vond het jammer dat er niet meer joden in Nederland werden toegelaten. Van het antisemitisme begreep hij niets, aldus zijn zoon. 'Wat hebben deze mensen dan gedaan?' hoorde deze zijn vader eens zeggen.

De spanning na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was ook te bemerken in de vergaderingen van de Zwolse gemeenteraad. 'Is de burgemeester', zo zei Van Walsum op 5 september 1939, dus enkele dagen na het uitbreken van de vijandelijkheden, 'in vredestijden meer een man van de gemeente, in deze crisistijden is hij meer de hand van het gouvernement.'

De distributie werd ingevoerd en er kwamen veel problemen rond de mobilisatie, waarbij een aantal ambtenaren, leraren en onderwijzers voor militaire dienst werd opgeroepen.

Zijn laatste optreden vóór de Duitse inval is zeker het vermelden waard. Het typeert namelijk zijn houding tegenover de regering en het koningshuis. Bij de installatie van J.H. Wegdijk als plaatsvervangend commandant van de burgerwacht op 6 mei 1940, vier dagen voordat Nederland werd betrokken in de oorlog, zongen op verzoek van de burgemeester alle aanwezigen het eerste couplet van het Wilhelmus. Het werd gevolgd door een driewerf 'Leve de Koningin!'

De fout van zijn leven

Op 10 mei 1940 werd Nederland betrokken in de oorlog. Zwolle werd die zonnige vrijdag al direct bezet door Duitse troepen. Van de werkzaamheden op het stadhuis in die meidagen bestaat geen exact beeld. Het was waarschijnlijk een verwarrende heksenketel. 'Zo stond bijvoorbeeld de commissaris van politie Lettinck in de hal met een stok te zwaaien en te bepalen wie er benzine kreeg.'

 

 

Ongetwijfeld was ook Van Walsum op zijn post, evenals vele ambtenaren. In de Zwolse Courant van 14 mei werd aangekondigd dat de burgemeester in de komende tijd elke dag om half een voor de microfoon van de radiodistributie mededelingen aan de bevolking zou geven. Die eerste keer zei hij onder andere dat de krant weliswaar weer was verschenen, maar dat 'de inhoud nog niet is zoals we die zouden wensen.' Verder meldde hij dat men niet kon protesteren tegen inkwartiering en klaagde hij dat er vier goederenwagons op het stationsemplacement waren geplunderd. 'De Veerallee-bewoners zouden 't gemeld moeten hebben, dat er zich een ongewone hoeveelheid mensen op het Jodendijkje ophield.' De politie zou haar bevoegdheden blijven behouden ook al droeg ze geen revolvers meer. Van Walsum had zich aanvankelijk gedrongen gevoeld, zo zei hij, de hulp van de Duitsers in te roepen om de goederen in de spoorwagons te bewaken, 'hoewel dit in strijd is met de Hollandse eer.' Maar later werden de Duitsers op Van Walsums verzoek vervangen door de Zwolse burgerwacht. Hij hoopte dat de plunderaars de goederen zouden inleveren. In de uitzending van de 14de mei maakte Van Walsum de fout van zijn leven. Vlak voor de radio-uitzending hoorde hij dat de regering, met koningin Wilhelmina aan het hoofd, naar Engeland was uitgeweken. En toen was deze altijd zo formele, strikte man, zoals zovele landgenoten, diep geschokt. Zijn zoon vertelt: 'Toen heb ik mijn vader zien huilen.' Van Walsum was niet de enige die volkomen door emoties was overmand, maar hij was wel degene die even later voor de radio de Zwolse bevolking moest toespreken. Hij heeft zich toen door zijn gevoelens laten meeslepen en 'zei wat hij dacht', aldus zijn zoon. 

 

 

De volledige tekst van die toespraak is niet meer te achterhalen, maar de inhoud is bekend. Ook dr L. de Jong schrijft erover. Van Walsum verweet Wilhelmina, dat ze, terwijl er nog jongens op de Grebbeberg sneuvelden, naar Engeland was uitgeweken. De Jong schrijft: 'De teneur van deze emotionele toespraak was: Wilhelmina is onze koningin niet meer.'

Velen namen Van Walsum deze toespraak kwalijk, vooral na de oorlog, toen er sprake was van een herbenoeming. Van Walsum verweerde zich, al kort na de uitzending. In een open brief in de Zwolse Courant van dinsdag 11 juni 1940 verklaarde hij het te betreuren dat hij te weinig bedacht had niet als particulier maar als burgemeester te spreken. Hij had zich door zijn gevoelens van het ogenblik laten meeslepen. Hij erkende het goede recht van het vertrek der regering, maar had bezwaar tegen het feit dat er nog bijna een dag is doorgevochten, nadat de regering het land had verlaten. Over zijn zogenaamde gebrek aan liefde voor het vorstenhuis zei hij: 'Dat zij verre van mij. Ik heb groot respect voor de persoon van H.M. de Koningin.'

De eerste raadsvergadering in bezettingstijd had al een week daarvoor, op maandag 3 juni, plaatsgevonden. Deze werd met een rede van de burgemeester geopend. Hij vroeg 'ter herdenking van allen die bij de uitvoering van hun plicht voor het behoud der vrijheid van het vaderland gevallen zijn' enige ogenblikken stilte.

 

 

Daarna vroeg hij begrip voor de moeilijke positie waarin hij en het ambtenarencorps zich bevonden. 'Natuurlijk zijn er fouten gemaakt', aldus Van Walsum. 'Begrijpelijk was de stemming bij zulk een overstelpende drukte wel eens geprikkeld en zijn er - ook van mijn zijde - wel eens harde woorden gevallen, waar met beleidvol  optredenmeer bereikt zou zijn.' Maar de bevolking gedroeg zich meestal correct tegenover het bezettingsleger. En ook gedroeg dat leger zich anderzijds volkomen volgens de bepalingen van het Landoorlogsreglement. 'Moge dit beiderzijds zoo blijven', zei hij. Hij eindigde zijn toespraak met een gezang (Gez. 427:5), dat hij als jongen de Boerengeneraals had toegezongen toen zij de oorlog tegen Engeland hadden verloren: 'Laat Hem besturen, waken, 't Is wijsheid wat Hij doet...'

 

 

Half juni maakte Van Walsum bekend, dat hij met ingang van de 19de van die maand weer zijn wekelijkse spreekuur zou hervatten. Zover zou het echter niet komen. Op zaterdag 15 juni eiste de Sicherheitsdienst namelijk gegevens uit het bevolkingsregister. Van Walsum weigerde. Hij stelde dat de Duitsers in dit opzicht onbevoegd waren. Hij wilde van hen geen bevelen aannemen. 'Mijn regering zit in Engeland', heeft hij toen gezegd.

De zondagmorgen daarop, 16 juni, werd er bij Van Walsum thuis aangebeld. Twee Duitse officieren arresteerden hem direct en hij werd, zonder afscheid te kunnen nemen van zijn gezin, overgebracht naar de gevangenis in Arnhem. Daar heeft hij tien dagen doorgebracht. Op 26 juni liet men hem vrij. Op diezelfde dag kreeg hij de mededeling dat hij uit zijn ambt was gezet. Het Zwolse gemeentebestuur kreeg drie dagen later bericht van de commissaris der koningin, mr A.E. Baron van Voorst tot Voorst, dat Van Walsum door de Secretaris-Generaal, waarnemend hoofd van het Departement van Binnenlandse Zaken, was ontslagen. Wèl eervol ontslagen...

 

 

Dr L. de Jong is over Van Walsums weigering zeer lovend. De burgemeester van Zwolle vormde een uitzondering, betoogt hij en hij zou dat ook bij de opening van een oorlogstentoonstelling in Zwolle nog eens benadrukken. De Jong: 'Hij was de enige burgemeester in ons land, die de Duitsers de toegang tot het bevolkingsregister weigerde. Hij was daarmee een van de eersten en de weinigen die in die chaotische dagen althans goed wisten wat ze niet moesten doen.' Op dezelfde dag dat het ontslag was gedateerd, meldde de Zwolse Courant dat de burgemeester van Zwollerkerspel Jhr. mr. G.A. Strick van Linschoten belast was met de waarneming van de functie in Zwolle. Strick zou een kleine maand later, bij zijn eerste Zwolse raadsvergadering, zeer sterk de nadruk leggen op het waarnemende karakter van zijn functie.

Na het ontslag

Van Walsum bracht de verdere Zwolse jaren — hij zou nog tot eind 1949 in onze stad wonen — als ambteloos burger door. Zonder werk was hij echter niet. Hij was voorzitter van het Christelijk Lyceum, voorzitter van de Demobilisatieraad, ouderling van de Nederlands Hervormde Kerk, penningmeester Stadsevangelisatie en vooral ook secretaris van het Provinciaal College van Toezicht op het Beheer der Goederen en Fondsen van de Hervormde Gemeenten in Overijssel. Uit eigen beweging schreef hij in het tweede oorlogsjaar aan B. en W. van Zwolle, dat hij uit die functie een jaarwedde van ƒ 8oo,- ontving. Er was namelijk een wat onsmakelijke discussie aan de gang over het 'pensioen' (soms werd het wachtgeld genoemd) van Van Walsum. Deze uitkering bedroeg ƒ 4000,- per jaar plus ƒ 300,— voor elk kind beneden 21 jaar. Nog tot ver na de oorlog is er een drukke correspondentie gevoerd tussen de gemeente en het rijk over wie er nu moest betalen.'

 

 

Van Walsum accepteerde de nieuwe situatie volkomen. Hij was er van overtuigd goed te hebben gehandeld en droeg daarvan de consequenties. Over zijn ontslag heeft hij nooit geklaagd. Hij was druk met de genoemde functies ('Vader zat altijd achter zijn bureau') en met de zorg voor het grote gezin. Omdat zijn vrouw niet sterk was, kwam veel op hem neer. Het was bovendien niet zeker dat de Duitsers hem met rust zouden laten. Hij wist dat de bezetter hem in de gaten hield. Daarom stond er ook altijd een vluchtkoffertje klaar. Soms dook hij wel eens bij een vertrouwd adres onder als de toestand te gevaarlijk dreigde te worden. Waarschijnlijk werd hij dan door het verzet gewaarschuwd.

 

 

Hij deed veel werk voor de Hervormde Kerk. Die kerk had zijn hart. Zijn zoon vertelt: 'Zijn grootste glans was 't als hij met moeder en alle kinderen op zondag in de banken van de Jeruzalemkerk zat.'

Na de bevrijding

Van Walsum hoopte op eerherstel, op een herbenoeming. Hij wilde graag weer het burgemeestersambt bekleden. Stadsarchivaris Thom. de Vries schreef zelfs dat 'Van Walsum na de bevrijding snel op 't stadhuis terug was, maar bij het betreden van zijn kabinet de duizendkunstenaar Van Karnebeek op de burgemeesterszetel vond.' En toen deed Van Walsum iets, wat eigenlijk tegen zijn natuur inging. Hij, de stille, wat teruggetrokken man, ging expres de straat op, de drukke binnenstad in. Hij wilde aan de bevolking laten zien dat hij er nog was. Na het wat overhaaste vertrek van Van Karnebeek in november 1945 hoopte hij de burgemeestersplaats weer in te nemen.

 

 

Maar hij rekende buiten de waard, zijn superieuren, de teruggekeerde commissaris der koningin Van Voorst tot Voorst in de eerste plaats. Er gingen ook geruchten dat koningin Wilhelmina tegen een eventuele herbenoeming zou zijn. De toespraak voor de Zwolse draadomroep van mei 1940 bleef hem achtervolgen. De Jong schreef: 'Die toespraak waren velen hem blijven verwijten.'

Na enige tijd werd duidelijk dat de oud-burgemeester zijn geliefde ambt niet meer zou vervullen. Toen dit tot hem doordrong, heeft hij zich dat erg aangetrokken. Het definitieve 'vonnis' kwam op 3 augustus 1948. Bij KB van Juliana, Regentes van het Koninkrijk, werd besloten '... dat, hoewel uit een oogpunt van zuivering geen reden voor ontslag aanwezig is geacht, zijn handhaving als burgemeester dier gemeente, in het licht van alle ter zake in aanmerking komende factoren niet verantwoord was.'

Vertrek uit Zwolle

Op 1 december 1949 vertrok A. van Walsum uit Zwolle. Hij vestigde zich in Capelle aan den IJssel, in het huis van zijn moeder. Hij werd na de oorlog niet opnieuw lid van een politieke partij. De overstap naar de Partij van de Arbeid maakte hij niet; dit in tegenstelling tot zijn broer, mr G.E. van Walsum, burgemeester van Rotterdam.

 

 

Op verzoek van de commissaris der koningin in Zuid-Holland, mr L.A. Kesper, werd hij met ingang van 29 augustus 1951 waarnemend burgemeester van Waarder, Bartwoutswaarder en Riet-veld. Deze gemeenten zouden worden opgeheven om bij Woerden en Bodegraven gevoegd te worden.

Dit tijdelijk burgemeesterschap eindigde op Van Walsums verzoek in augustus 1956. Hij voelde zich ziek en kon zich niet volledig aan zijn taak wijden.

Na nog korte tijd in Colmschate te hebben gewoond, vertrok het echtpaar Van Walsum naar Gorssel, waar de oud-burgemeester van Zwolle op 30 oktober 1957 op 67-jarige leeftijd overleed. Drie dagen later werd hij daar op de Algemene Begraafplaats ter aarde besteld.

In 1983 is er een straat naar Van Walsum genoemd. Dat was ook zeker op zijn plaats, omdat deze man door zijn principiële houding een plaats in de Zwolse geschiedenis verdient. Hij heeft al in een zeer vroeg stadium van de oorlog nee tegen de bezetter durven zeggen, waar anderen lang, soms té lang ja zeiden.

 

Dit artikel, van de hand van Wil Cornelissen, is eerder verschenen in het Zwols Historisch Tijdschrift (huisorgaan van de Zwolse Historische Vereniging) nr. 2 - 1993.

Trefwoorden:Burgemeester
Personen:Arnoldus van Walsum, H.G.C. Treep, J.E.Baron de Vos van Steenwijk, mr A.E. Baron van Voorst tot Voorst, van karnebeek, Josina Schoon Thim
Periode:1890-1957
Locatie:Zwolle
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed