MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Arnold Gelderman (1677-1757), een Zwols burgemeester

Verhaal

De belangstelling voor de geschiedenis van het persoonlijk leven is groeiende. De toenemende stroom biografieën en biografische woordenboeken bewijzen dit. Niet alleen individuen zijn onderwerp van onderzoek. Ook probeert men het: leven van groepen te schetsen in zogenaamde prosopografische studies. Het gaat hierbij dan meestal om beschrijvingen van de sociale bovenlagen in een stad of streek. Men probeert vanuit het bijzondere algemene uitspraken te doen over het persoonlijk en publiek leven van een groep. Deze prosopografische schetsen en algemene uitspraken zijn op hun beurt ook weer geschikt om een biografie schets in een kader te zetten.

In Zwolle staat het prosopografisch onderzoek op een laag pitje. Wel zijn er ruim tien jaar geleden twee studies verricht naar de politieke en sociale bovenlaag van Zwolle in de zeventiende en achttiende eeuw. Daaruit is gebleken, dat er in de jaren 1700-1725 een zekere mate van sociale mobiliteit bestond. Voor families uit de maatschappelijke regionen net onder de bovenlaag bestonden er mogelijkheden om tot de sociale en politieke top door te dringen. Deze prosopografisch getinte these wil ik toetsen aan de hand van het voorbeeld van de familie Gelderman, in het bijzonder Arnoldus Gelderman (1677-1758). Opvallend is namelijk, dat Arnoldus' grootvader bode van de Staten van Overijssel was, terwijl hij zelf opklom tot burgemeester. Hoe voltrok zich deze maatschappelijke stijging, die in ongeveer 75 jaar plaatsvond? Een biografisch-prosopografisch onderzoek naar Arnold Gelderman en zijn familie kan op deze vraag een antwoord geven.

De familie Gelderman

De vroegste geschiedenis van de familie Gelderman is in nevelen gehuld. Ondanks uitgebreid onderzoek is nog steeds onbekend waar de stamvader Arend Jans Gelderman, zich ook noemende Van Nimwegen, vandaan kwam. We weten slechts dat hij op 9 december 1639 benoemd werd tot landschapsbode van de Staten van Overijssel op een jaarlijks traktement van 50 gulden, dat echter met enige emolumenten werd aangevuld. Dit was in die tijd zeker één van de weinige, maar toch zeker niet één van de minst belangrijke ambtelijke functies. Een bode van de staten bracht informatie van en naar Overijssel; een zeer vertrouwelijke baan, die niet van enig gevaar ontbloot was in tijden van oorlog.

 

 

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden voerde in de zeventiende eeuw verschillende oorlogen. Was Arend Jans dan een soldaat die tijdens de laatste episode van de Tachtigjarige Oorlog met zijn compagnie in de vestingstad Zwolle verzeild was geraakt? Het is niet bekend. In ieder geval maakte hij als  landschapsbode de laatste negen jaar van die oorlog mee. Dat zijn functie kennelijk ook financieel gewaardeerd werd, blijkt uit het feit dat hij in 1643 in staat was een huis aan te schaffen in de Walstraat en in het jaar erna het groot burgerschap van Zwolle kocht.

Arend Jans huwde in 1640 met Willemtijn Egbers, de dienstbode van burgemeester Ewols. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren, waarvan alleen de één na jongste zoon, Egbert, zijn ouders zou overleven. Hem benoemden Arend Jans en Willemtien in 1656 tot enig erfgenaam. In 1653 had Arend Jans van Ridderschap en Steden van Overijssel toestemming verkregen één van zijn zoons op te leiden tot landsbode, zodat deze hem na zijn dood zou opvolgen. Al in 1663 wordt Egbert Gelderman, dan vijftien jaar oud, in de stukken als bode aangeduid. Zijn ouders overleden enige jaren later: Willemtijn Egbers in 1667 en Arend Jans in 1669. Zij werden beiden begraven in het portaal van de Grote Kerk. Nu was dat wel niet de meest in aanzien staande plek in de Grote Kerk, maar wie in een kerk begraven werd - en in Zwolle met name in de Grote Kerk - stond in enig aanzien en beschikte over voldoende middelen een dure begrafenis te kunnen betalen.

Egbert Gelderman was enige maanden na het overlijden van zijn moeder in 1667 gehuwd met Anna Aalts, dochter van de stadssmid Jan Aaltsen en Sophia van Ulsen. Uit dit huwelijk zouden zes kinderen worden geboren, waarvan Arnoldus, geboren aan de Blij markt in 1677, het vijfde was. In 1681 overleed Anna Aaltsen.

 

 

Zwolle rond 1677

Zwolle had in de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijke centrumfunctie voor het omliggende platteland. De stad was enerzijds marktplaats voor agrarische producten, anderzijds konden de bewoners van het platteland in de stad de nodige nijverheidsproducten kopen. Industrieel vervaardigde producten, afgezien van textiel waren er nog nauwelijks. Zeer belangrijk voor Zwolle was de transito- of overslaghandel. Zwolle werd een stapelplaats voor goederen die tussen het westen van de Nederlanden en Twente en Westfalen werden vervoerd. Daarvoor werden rond 1700 de handelswegen naar het zuidoosten (Wipstrik) en oosten (Hardenberg) verbeterd. Al in 1600 was de Nieuwe Vecht gegraven, die Zwolle met de Vecht verbond. Tot de producten die op deze wijze werden verhandeld, behoorden onder andere koloniale waren, hout, tabak, wijn, boter, graan en hooi. De handel was geconcentreerd rond de huidige Thorbeckegracht, waar de meeste factoors woonden.

Door deze activiteiten kende Zwolle aan het eind van de zeventiende eeuw een zekere welvaart. Omstreeks 1700 was het huidige stadshart geheel bebouwd. Aan de uitvalswegen naar Kampen, Deventer en het oosten waren dunbebouwde boerennederzettingen. Ondanks de grote pestepidemieën van 1636 en 1656 - waaraan binnen enkele maanden soms duizenden Zwollenaren ten offer vielen - had de stad rond 1670 zo'n 12.000 inwoners en was nog groeiende.

In 1672 was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in oorlog geraakt met Engeland, Frankrijk en de bisschoppen van Keulen en Munster. De oostelijke provincies werden zonder al te veel tegenstand onder de voet gelopen door Franse, Munsterse en Keulse troepen. Ook Zwolle gaf zich over en werd door deze troepen bezet. Dit had tot gevolg, dat de stedelijke overheid na het vertrek van de vreemde troepen in 1674 met forse schadeclaims en schulden bleef zitten, als gevolg van inkwartiering, knevelarij, vernielingen en extra belastingen.

Nadat de bezettende machten waren verdreven en Willem III tot stadhouder was benoemd, strafte de laatste de gewesten die nauwelijks weerstand hadden geboden aan de vijandelijke troepen. Bij het regeringsreglement van 1675 trok de stadhouder de goedkeuring van de verkiezing van burgemeesters, schepenen, raden en meenslieden in Utrecht, Overijssel en Gelderland aan zich, om zich van de loyaliteit: van de onbetrouwbare gewesten te verzekeren.

 

 

Egbert Gelderman

In hetzelfde jaar 1675 maakte Egbert Gelderman promotie. Op 22 februari ontving hij uit handen van Willem III zijn benoeming tot kamerbewaarder van de provincie. Dit betekende onder andere dat hij aanwezig was bij de vergadering van de Staten van Overijssel, maar ook dat hij als belastingontvanger van de provincie kon fungeren: kortom een brede, vertrouwelijke functie. Het kan zijn dat de stadhouder ook het ambtelijk apparaat aan zich wilde binden en daarom (onder andere) de landsbode Gelderman tot dit ambt bevorderde. Het gezin Gelderman kreeg onderdak in het gebouw van Gedeputeerde Staten aan de Blijmarkt, waar ook Arnold geboren zou worden.

Na het overlijden van zijn eerste vrouw Anna Aaltsen, huwde Egbert in 1682 met Elisabeth Scriverius, dochter van predikant Samuel Scriverius. Niet alleen kregen de kinderen Gelderman op deze wijze weer een moeder, ook zouden de familiebanden met de familie Scriverius een rol spelen bij de sociale promotie die de familie - en met name Arnold - nog zou maken.

De benoeming tot kamerbewaarder gaf vader Egbert kennelijk een hogere sociale status, waardoor hij geschikt was voor het vervullen van verantwoordelijke nevenfuncties. Zo werd hij in 1681 vaandrig in het burgerregiment en lid van de gezworen gemeente, het lichaam dat leden van de magistraat benoemde en over enkele zaken geraadpleegd moest worden. In 1683 werd Egbert benoemd tot ouderling van de Hervormde Kerk.

Uit zijn huwelijk met Elizabeth Scriverius zouden twee zonen geboren worden, die waarschijnlijk beiden jong stierven.

Arnolds jonge jaren

Nog een andere aanwijzing voor de gestegen sociale positie van de familie Gelderman blijkt uit de opleiding van Arnold: hij bezocht tussen 1687 en 1692 de Latijnse school te Zwolle, in die tijd de school voor de kinderen uit de bovenlagen van de samenleving. Arnolds lidmaatschap van de deftig geachte Waalse Kerk - waar Frans de tale Kanaäns is - zal door dit onderwijs mogelijk gemaakt zijn. Al in 1702 werd hij diaken in deze kerk, die pas in 1697 door de gemeentelijke overheid was erkend.

 

 

Arnold trad in 1699 in het huwelijk met Petronella Ulger, de eveneens in 1677 geboren dochter van Lubbert Ulger en Jannigje Gerrits van Enschede. Het huwelijk vond in het kerkje van Windesheim plaats. Het gold in die dagen als een teken van stand om daar te trouwen. Petronella's vader, Lubbert Ulger, was serviesmeester, dat wil zeggen dat hij voor het onderdak van de ingekwartierde soldaten verantwoordelijk was, en verder lid van de gezworen gemeente. Ook de banden met deze familie Ulger zouden de sociale positie van de familie Gelderman ten goede komen. Arnolds zwager, de jurist Dithmar Ulger, was begin achttiende eeuw één van de voorlieden van de gezworen gemeente. Een andere zwager, Willem Berg, had een hoge functie in het leger en zou het eveneens tot burgemeester brengen.

Uit het huwelijk van Arnold en Petronella, dat ruim 58 jaar zou duren, werden drie dochters en drie zoons geboren. Eén dochter stierf jong. Van de overige kinderen zouden alleen de oudste dochter en de jongste zoon hun ouders overleven. Het gezin woonde aan de Bitterstraat, in het huis van de Ulgers, later aan de Blijmarkt.

Inmiddels was het tijd geworden dat ook Arnold een werkkring zou krijgen. Daarom richtte Egbert Gelderman in 1704 - net als zijn vader vijftig jaar eerder - een verzoek aan Gedeputeerde Staten. Hij gaf daarin aan dat zijn leeftijd (hij was 56 jaar) 'ende tusschenkomende swakheijd' hem af en toe beletten zijn werk te doen. Hij stelde daarom voor dat zijn zoon Arnold mede als kamerbewaarder werd aangesteld als waren zij één persoon. Bij overlijden van de één, zou de ander het werk alleen overnemen. Aardig detail is dat uit het handschrift blijkt dat deze brief door Arnold geschreven is. Gedeputeerde Staten stemden in met het verzoek, zodat Arnold na het overlijden van zijn vader in 1711 de functie alleen bekleedde. De geschiedenis herhaalde zich. Arnolds ouders - Elisabeth Scriverius overleed in 1715 - werden overigens begraven in de Grote Kerk, niet meer in het portaal, maar op het in meer aanzien staande Lage Koor.

Zwolle in de eerste helft van de achttiende eeuw

Hoewel in het westen van de Nederlanden het economisch verval al aan het eind van de zeventiende eeuw had ingezet, was Zwolle nog redelijk welvarend, vooral vanwege de centrumfunctie van de stad. Dit maakte de lokale economie minder gevoelig voor economische depressies. De middenstand profiteerde van deze bloei. De adel en de rijken die in grond hadden belegd, kregen door malaise in de landbouw nauwelijks waar voor hun investeringen.

De handel van de factoors aan de Thorbeckegracht bleef een pijler van de Zwolse economie en werd door de overheid begunstigd en beschermd. Een uiteindelijk niet uitgevoerd plan uit 1706 om de waterafvoer via de IJssel te vergroten en deze rivier dus beter bevaarbaar te maken werd door de Zwolse overheid met kracht bestreden. Het zou betekenen dat Deventer per schip bereikbaar werd, wat de Zwolse handelspositie ten opzichte van het oosten zou bedreigen.

 

 

De textielindustrie bloeide begin achttiende eeuw, maar zou in de loop van de eeuw tanen. Van de 1000 weefgetouwen in 1723 bleken er door concurrentie van de Emdense industrie in 1751 nog maar 80 over te zijn. Naast de textielindustrie telde Zwolle een enorme variatie aan bedrijven. Zo waren er een azijnmakerij, een zijdefabriek, een lijmkokerij, zeepziederijen, kousen-, knopen-, zout-, spelden en papierfabrieken. Ondanks deze variatie zou de nijverheid in de loop van de eeuw de achteruitgang van de textielindustrie delen.

De Zwolse bevolking groeide tussen 1680 en 1750 nauwelijks doordat velen hun geluk elders beproefden. Er woonden rond de 12.000 mensen in de stad, waarvan zo'n 70% hervormden en 20% katholieken.

Politieke conflicten

In 1702 was Willem III overleden en daarmee begon het Tweede Stadhouderloze tijdperk. De gehate regeringsreglementen werden afgeschaft, zodat raad en gezworen gemeente zelf hun keuze van de stadsbestuurders bepaalden. Dit betekende overigens wel, dat overal in den lande de gezworen gemeente, waarin de gegoede middenstand was vertegenwoordigd, meer invloed op het bestuur ging eisen. Tot dan toe was haar rol door burgemeesters en schepenen beperkt. In sommige steden kwam het tot zogenaamde 'plooierijen': onenigheden rond de benoeming van burgemeesters en schepenen. In Zwolle gebeurde dat niet, maar hier eiste de gezworen gemeente tussen 1703 en 1709 wel inzage in de stadsboeken, wilde zij gekend worden in de zaken rond de Zwolse munt en dreigde zij haar veto uit te spreken over nieuwe belastingen. Arnold Geldermans zwagers Willem Berg en Dithmar Ulger traden op als woordvoerder van de gezworen gemeente. De zaak liep echter met een sisser af. Waarom is niet duidelijk.

 

 

Kennismaking met de politiek

Arnolds ster was stijgende. In 1708 werd hij vaandrig van het burgerregiment, in 1713 hopman van de schutterij. In 1715 benoemden Gedeputeerde Staten hem tot hun klerk, maar hij bleef ook kamerbewaarder. Daarnaast was hij vanaf 1717 ontvanger van de zogenaamde Ensergelden, een belasting ten behoeve van het vuurbaken op Ens. Arnolds sociale positie was inmiddels kennelijk dermate hoog, dat hij geschikt was voor politieke ambten. In 1712 en 1713 werd hij namelijk gekozen tot lid van de gezworen gemeente. Hij moest bedanken voor de eer, omdat hij ambtenaar was.

In zijn omgeving had Arnold echter wel te maken met de politiek. Uiteraard kwam hij als klerk in aanraking met vele bestuurlijke en politieke zaken, maar ook in zijn familie moet de politiek aan de orde zijn gekomen. Zijn zwagers Berg en Ulger waren lid van de gezworen gemeente, evenals de echtgenoot van zijn oudste zuster Wilhelmina, de brouwer Egbert Ridder. Zijn beide andere zwagers, Gerhard Spaar en Samuel Johannes Scriverius - respectievelijk getrouwd met Sophia en Maria Gelderman - zouden later lid van dit college worden. Bovendien vormden Ridder, Ulger en Scriverius in 1713 samen met ene Voet een factie, die met drie andere facties (de Vriesen, de Roubolle en de Cabale genaamd) een overeenkomst sloot over de verdeling van zestien plaatsen in de gezworen gemeente. Het is de tijd van de zogenaamde contracten van correspondentie, waarbij de regenten onderling afspraken maakten over de verdeling van ambten en lidmaatschappen van politieke colleges.

Hoewel de familie Gelderman qua sociale status zo langzamerhand tot de  bovenlagen van de Zwolse samenleving behoorde, maakte ze als tamelijk nieuwe familie geen deel uit van de oude regentengeslachten. In principe was het dus moeilijk om lid te worden van de politieke elite. Onderzoek heeft echter uitgewezen, dat juist in het eerste kwart van de achttiende eeuw de kans om als buitenstaander toegelaten te worden tot die regerende bovenlaag groter was dan ervoor en erna. Waarschijnlijk kwam dit doordat sommige oude families uitstierven of geen  kandidaten hadden voor de te vervullen zetels.

Ook de hevige factiestrijd - er waren in totaal vijf facties die om de plaatsen op de kussens streden - werkte snellere wisseling van de wacht in de hand. In de jaren 1723 en 1724 kwam het bijvoorbeeld zes keer voor dat een burgemeester niet werd herbenoemd, een ongekend hoog getal. Ook het feit dat het regeringsreglement was afgeschaft speelde een rol. Willem III had belang gehad bij continuïteit en loyaliteit en dus voor een regelmatige herbenoeming gezorgd.

L'histoire se répète

Arnold Gelderman had zich bij de factie van de Roubolle aangesloten. Zijn ambtelijke functie verhinderde evenwel dat hij aan de verkiezingen deelnam. Nadat zij de Latijnse school hadden doorlopen, waren zijn zonen Egbert en Samuel Johannes op een leeftijd dat zij een werkkring moesten krijgen. En wederom herhaalde de geschiedenis zich. Al in 1719 deelde Arnold de functie van kamerbewaarder met zoon Egbert, en die van klerk met Samuel Johannes. De beide broers verwisselden in 1722 nog een keer van functie, want in dat jaar verzocht Arnold om ontslag aan de heren Gedeputeerden. Hij was bang dat hij zijn werk niet meer naar behoren kon uitvoeren als gevolg van 'lich[amel]ijcke swackheden'. Hij stelde voor zijn beide zoons te benoemen in zijn respectievelijke functies, hetgeen geschiedde. Egbert zou tot zijn dood in 1752 klerk blijven. Samuel Johannes zou zijn functie afstaan aan de jongste broer Gerrit Willem, die tot zijn dood in 1773 kamerbewaarder zou zijn. Bijna honderd jaar was deze functie toen in de familie geweest.

Raadslid en burgemeester

Arnold had zijn ontslag waarschijnlijk mede aangeboden om mee te kunnen dingen naar het raadslidmaatschap. In 1723 werd hij gekozen en tot zijn dood in 1757 zou hij lid zijn van het college van burgemeesteren, schepenen en raden van de stad Zwolle. Als lid van de Zwolse overheid heeft hij in de loop der jaren tal van functies gehad. De regerende burgemeesters verdeelden de werkzaamheden onderling. Zo was Arnold achtereenvolgens keurmeester, tichelmeester, timmermeester en cameraar, zeg maar wethouder van financiën. In deze functies zat een opbouw. Het cameraarschap was de belangrijkste die binnen het Zwolse stadsbestuur te vergeven was en werd meestal door de oudste raadsleden vervuld. Ook was Arnold in 1724 Zwols afgevaardigde naar de Staten van Overijssel.

 

 

Zoals opgemerkt, was Arnold lid van één van de regentenfacties. Hij heeft zelf nauwkeurig bijgehouden wie van welke factie op het kussen kwam en welke functies ze hebben bekleed. Deze aantekeningen vormen een dankbare bron voor het onderzoek naar het functioneren van de contracten van correspondentie. Niet alleen via deze facties, maar ook door het toenemend aantal familieleden op invloedrijke posities, moet Arnold Gelderman naar mate hij ouder werd een politicus van gewicht zijn geworden. In 1719 was zijn zwager en neef Joan Scriverius raadslid geworden, in 1727 werd zwager Willem Berg eveneens raadslid. Zoon Samuel Johannes werd na een rechtenstudie in 1732 secretaris van de stad Zwolle. Egbertus Scriverius, een zoon van zijn zuster, werd in 1738 raadslid, evenals diens neef Johannes Antonius in 1745. Verder was de familie Scriverius verwant aan de families Eekhout, Nilant en Tobias, die ook op het kussen zaten, danwel zouden komen te zitten. Kortom: de familie Gelderman was, in de persoon van Arnold, onverbrekelijk verbonden met de politieke en sociale bovenlaag van Zwolle.

Zwolle tijdens Arnolds raadslidmaatschap

De jaren waarin Arnold Gelderman raadslid van Zwolle was, kenmerken zich door de eerste tekenen van economisch verval, zoals al eerder vermeld. In de industrie was deze teruggang het eerst merkbaar. Wanneer er zich rampen voordeden als de veepest (1714), strenge winters (1740-1741), of een epidemie van de zogenaamde rode en grauwe loop (1747), dan beïnvloedde dat de welvaart in de stad zeer.

Ook op politiek niveau waren er moeilijkheden. In 1726 dreven de Zwolse burgemeesters een belasting op gebrande wateren door, zeer tegen de zin van de gezworen gemeente. Hierdoor werd de prijs van een borrel met 50% verhoogd. Dit leidde tot een opstand onder het weversvolk. Onder leiding van enkele belhamels werden bij verschillende burgemeesters de ruiten ingegooid onder leuzen als: "Zoo moet men die donders leren" en "De groten zijn toch al den donder atheïsten". De schuldigen werden gegrepen en één raddraaier kreeg de strop.

De neergang in de economie in de jaren veertig van de achttiende eeuw, gekoppeld aan de eerder genoemde rode loop en het voor de Republiek slechte verloop van de Oostenrijkse Successieoorlog deden ook in Zwolle de roep om Oranje toenemen. Dit leidde ertoe dat Willem IV in 1747 tot erfstadhouder werd uitgeroepen en de regeringsreglementen weer van kracht werden. Alle verkiezingen moesten aan de prins worden voorgelegd. Hierdoor verdwenen de laatste restjes van de oude factietegenstellingen.

Het was niet Willem IV, maar na zijn overlijden in 1751 wel zijn weduwe Anna van Hannover die probeerde in de steden eigen mensen in de raad te krijgen. Daartoe liet zij in Zwolle verschillende raadsleden afzetten, waaronder enkele leden van de Scriveriusfamilie. Op de achtergrond hierbij speelde een kerkelijk conflict rond ds. Antonius van der Os mee. Deze werd verweten af te wijken van de orthodoxie en de leerstellingen van Dordt. De gemeentelijke overheid had hem de hand boven het hoofd gehouden, maar de kerkenraad wilde hem kwijt. Van der Os was getrouwd met een achternicht van Arnold Gelderman, Gilliana Paulina Scriverius. De familie Scriverius, en dus waarschijnlijk ook Arnold, gold als voorstander van Van der Os. Vandaar dat Anna van Hannover, die tegenstandster was van de ideeën van Van der Os, mede hierom gebaat was bij beknotting van de macht van de familie criverius.

 

 

Laatste levensjaren

De laatste jaren van het leven van Arnold Gelderman waren niet gemakkelijk. In 1742 verloor hij zijn dochter Johanna Maria. In 1747 en 1748 stierven binnen een jaar zijn schoondochter Engelina Johanna Kymmell en zijn zoon Samuel Johannes en in 1752 overleed zijn oudste zoon Egbert. Bovendien werd hij de laatste jaren van zijn leven geplaagd door een slechte gezondheid. In de spaarzame brieven uit die tijd informeren de schrijvers steeds naar zijn gezondheid, of nodigen hem uit, zo zijn gezondheid hem toelaat te komen. Nog in 1756 wordt Arnold benoemd tot Zwols gedeputeerde bij de VOC, kamer Delft. Of hij die functie ook werkelijk heeft kunnen uitoefenen, blijft de vraag: Arnold Gelderman overleed op 6 december 1757 en werd op 14 december 1757 op het Lage Koor van de Grote Kerk begraven. Petronella Ulger zou hem vijfjaar overleven.

Besluit

Als wij het leven van Arnold Gelderman bezien, dan moet gezegd worden dat hij een geweldige carrière maakte: van kamerbewaarder tot burgemeester en gedeputeerde. Deze loopbaan was zeker mede het gevolg van de nauwkeurig geplande overdracht van functies binnen de familie Gelderman. Grootvader Arent Jans was hiermee reeds begonnen en ook Arnold zou zijn zoons zo een goede start in het leven geven. Anderzijds is de succesvolle loopbaan van Arnold ook te danken aan de betere mogelijkheden die niet-magistraatsfamilies begin achttiende eeuw hadden om op het kussen te komen. Lidmaatschap van een factie vergrootte die mogelijkheden, maar ook de (familie)banden met andere magistraatsfamilies. Arnold heeft hierdoor de hem geboden mogelijkheden dan ook ten volle benut. Met zijn burgemeesterschap werd een eeuw van sociale stijging bekroond.

 

Dit artikel van Jaap Hagedoorn is eerder verschenen in het Zwols Historisch Tijdschrift (het orgaan van de Zwolse Historische Vereniging) 1992, nr. 1

Trefwoorden:Burgemeester, Transitohandel, Overslaghandel, Grote kerk
Personen:Arnold Gelderman, Jaap Hagedoorn Van Nimwegen, Arend Jans Gelderman, Willemtijn Egbers, Egbert Gelderman, Anna Aaltsen, Elisabeth Scriverius, Petronella Ulger, Willem Berg, Dithmar Ulger, Jaap Hagedoorn
Periode:1677-1757
Locatie:Zwolle
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand