MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Geje Leferink: 'Even helpen heeft niets met naoberschop te maken'

Verhaal

'Ik ben opgegroeid in een hechte buurschap. Wij hoorden tot buurschap de Achterhoek. Je had er naobers en noodnaobers. De noodnaobers, ongeveer vijf, woonden dicht in de buurt. Als er hulp nodig was, bijvoorbeeld met koekalven, kwam de naaste buur helpen. Als er gedorst moest worden, kwamen de noodnaobers. Met trouwen of overlijden hielpen de naaste buren ook mee. De naobers kwamen in beeld als er te weinig noodnaobers beschikbaar waren. Daar had je er een stuk of tien van. Zij hielpen bijvoorbeeld met het dragen van de lijkkist.

Mijn overgrootmoeder was baakster. Als er een kind geboren moest worden, kwam zij helpen. Bij een geboorte werd er een kindervisite gegeven. Dan werden de noodnaobers uitgenodigd. Die konden het kind even vasthouden. Heel vroeger kwamen na het slachten de noodnaobers ook op visite. Als het varken op de ladder hing, kwamen ze meestal wel even langs voor een borreltje. Vroeger was men niet zo scheutig met de borrels als nu. Voor een huwelijksfeest maakten de buren een boog, die ook onder het genot van een borreltje werd ingewijd. De beide naaste buren gingen de hele dag mee: naar het gemeentehuis en naar de kerk. ’s Avonds kwamen de andere noodnaobers er ook bij.

Bij een overlijden legden de naaste buren het lijk af. Nu gebeurt dat door de uitvaartverzorger. Vroeger deden de buren dat. Zij gingen ook naar de dokter en het gemeentehuis om het overlijden te melden. Vervolgens kwamen ze met de naobers bijeen. Ze hadden een briefje waarop stond wie voor de begrafenis uitgenodigd moest worden. De naobers gingen die adressen langs om het overlijden aan te zeggen. Ik herinner mij nog dat mijn vader eens moest rondfietsen om een overlijden aan te zeggen.

Mijn vrouw en ik zijn niet meer op de boerderij getrouwd. Ik heb haar in 1949 leren kennen op een dansavond in het dorp. Ze komt van erve Worsink uit Herike, een oeroude boerderij. We hebben heel lang verkering gehad. Mijn vrouw werkte in een manufacturenzaak. We wilden eerst een eigen huis hebben. Dat hebben we hier laten bouwen. In 1957 zijn we getrouwd. We hebben het feest in het dorp gehouden. We zijn nog wel met de beide naaste buren naar de boerderij van mijn vrouw geweest. Alle deuren zaten op slot. Dan moest je zorgen dat je een fles bij je hebt met een glaasje om te betalen. Meuten noemden ze dat.

De naoberschop leefde vroeger heel erg. Vooral in de oorlog was je op burenhulp aangewezen. Ik kan mij dat nog goed herinneren. Nu hebben ze het al over naoberschop als een buurman een eindje verderop jouw even helpt. Dat heeft niets met vroeger te maken. De meest gebruiken zijn verdwenen. Als er iemand in de buurt overlijdt, staan de twee naast buren nog wel naast de kist. De condoleance zelf is bijna altijd in het uitvaartcentrum. Soms helpen de buren nog met broodjes smeren en koffieschenken, maar dat houdt geleidelijk ook op.’

Trefwoorden:Naoberschap, Project Streekcultuur, Omgeving
Periode:1950-2000
Locatie:Achterhoek