MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Wettelijk begin van het lager onderwijs in Stad Vollenhove

Verhaal

De wet op het Lager Onderwijs is op 13 augustus 1857 gepubliceerd in het Staadsblad en daarmee een officiële wet geworden.

Alle gemeenten zijn verplicht om onderwijs aan te bieden en ook de gemeente Stad Vollenhove treft de nodiuge maatregelen. In de raadsnotulen wordt eerst een tamelijk sumiere uitwerking gegeven van hoe het gemeentebestuur dit voor ogen ziet. Omdat ieder raadsbesluit naar Gedeputeerde Staten (GS) gaat voor de formele goedkeuring komt er een correspondentie op gang tussen gemeente en provincie. Het College van Burgemeester en Wethouders past de plaatselijke uitwerking van de wet aan aan de hand van de opmerkingen van GS, daarna wordt het opnieuw aan de gemeenteraad aangeboden. In de zomer van 1859 bijna 2 jaar na het publiceren van de wet lijkt Stad Vollenhove te voldoen aan de eisen waar ook GS mee in kan stemmen.

De gemeente beschrijft welke vormen van onderwijs er in de gemeente zijn: lager onderwijs en meer uitgebreid lager onderwijs (mulo). Dan volgt een opsomming van de vakken waarin les wordt gegeven en dat zal in betrekkelijk geringe mate afwijken van hetgeen er nu wordt aangeboden op de basisschool: lezen, schrijven, rekenen, beginselen van de vormleer, Nederlandse taal, aardrijkskunde, geschiedenis, kennis van de natuur en zingen. 

Hiermee is eigenlijk de kern van het onderwijs geschetst. Bijna 160 jaar later zullen er nauwelijks significante verschillen waarneembaar zijn. Er zullen vakken zijn bijgekomen en er hangt misschien een ander naamkaartje aan één van de vakken maar de basis was gelegd.

Voor de mulo gaat het om een uitbreiding van de leervakken op de lagere scholen met onderwijs in: levende talen, wiskunde, landbouwkunde, gymnastiek en tekenen. Voor meisjes was er de mogelijkheid om het vak handwerken te volgen. Opmerkelijk is het vak landbouwkunde niet echt, Nederland was in die tijd nog een sterk agrarisch georiënteerd land waar stoomwerktuigen voor industrie doeleinden nog maar mondjesmaat werd toegepast. De omslag van landbouw naar industrie lag pas ver na 1870 - 1880. Nederland liep daarbij achter ten opzichte van de omringende landen: België, Engeland en Frankrijk. 

Los van deze tijd is het vakkenpakket op de mulo en vanaf 1968 mavo en thans vmbo aan veel grotere veranderingen onderhevig geweest. Aan de wildgroei van profielen is weliswaar een eind gekomen maar leerlingen kunnen zich nu al in een veel eerder stadium specialiseren met het oog op een vervolgopleiding. Om een voorbeeld te noemen en daarmee het enorme verschil te accentueren. Twee VWO leerlingen van CSG Oud Beijerland waren bezig met het maken van hun profielwerkstuk. Uitgangspunt was de handtekeningenlijst van het Volkspetionnement 1878, de leerlingen zochten naar inwoners van de dorpen Goudswaard en Heinenoord en zijn nagegaan wie zij waren. Op vrijdag 30 september gaven zij een (digitale) presentatie in Apeldoorn. Steeds meer gegevens komen beschikbaar en daarmee kan een brug worden geslagen tussen heden en verleden. Leerlingen die toen op de mulo onderwijs volgden zouden met hun ogen hebben staan te knipperen, hun wereld was niet veel groter dan Stad Vollenhove, de weilanden er omheen, en de plaatsen Blokzijl en Genemuiden en misschien een keer Steenwijk en Zwolle. 

Over het salaris, daar bestaat een opmerkelijk verschil tussen de beloning van het hoofd van de lagere school en het hoofd van de mulo. De hoofdonderwijzer van de lagere school kon rekenen op een vast bedrag, in Stad Vollenhove was dat 650 gulden en een tegemoetkoming in de huur van een woning van 1 gulden per week.

Het hoofd van de mulo kreeg een gestapelde beloning: een basisbedrag van het Rijk van 300 gulden met een gemeentelijke aanvulling van 190 gulden. Dan lijkt het erop alsof deze onderwijzer ook een deel van het geïnde schoolgeld kreeg en verder kon hij extra salaris tegemoet zien als hij onderwijs gaf in een van de facultatieve vakken: levende talen en tekenen. 

Ook mocht hij kostschoolkinderen huisvesten, de vergoeding maakte deel uit van zijn salaris. Hij had vanzelfsprekend belang bij zoveel mogelijk excellente leerlingen en een vol kosthuis. Het lijkt er op dat een hoofdonderwijzer van de mulo maar af moest wachten wat hij aan het eind van het jaar als salaris kreeg, wisselende aantallen leerlingen, wel of niet geven van facultatieve vakken. 

Ook is de vraag of er in de beginjaren wel een mulo school is geweest, de intentie was wel aanwezig bij het gemeentebestuur maar de indruk bestaat (aan de hand van latere raadsnotulen) dat deze school altijd een beetje een wankel bestaan heeft gekend en dat samenwerking met plaatsen in de omgeving (Zwartsluis) meer voor de hand lag. 

Kwamen er heel veel leerlingen naar de lagere school dan kreeg de hoofdonderwijzer op de lagere school assistentie van een hulponderwijzeren eventueel nog van een kwekeling.

 

bijdrage geplaatst: 29 september 2016

afbeeldingen: Gemeentearchief Steenwijkerland, de beide afbeeldingen zijn van later datum maar geven wel een impressie van een dorpsschool plm. 100 jaar geleden.

 

Auteur:Vincent Erdin
Trefwoorden:Lager onderwijs, Onderwijs Overijssel
Periode:1857-2016
Locatie:Vollenhove, NL, Vollenhove

Locatie op kaart