MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Beurtveer Steenwijk - Amsterdam

Verhaal

Het lezen van de notulen van de gemeenteraad levert soms verrassende zaken op die allerminst saai te noemen zijn. Een van die onderwerpen betreft het actualiseren van de vervoersvoorwaarden van de veerdienst tussen Steenwijk en Amsterdam. De aanvraag komt in 1860 in de raad van Steenwijk aan de orde. Twee ondernemers R. van der Leij en J. ten Heuvel zien er kennelijk brood in om tussen beide steden een geregelde dienst te blijven onderhouden. Het is op dat moment een van de zeer vele veerdiensten die vanuit vrijwel het hele land op Amsterdam worden gevaren. 

Het aanvragen van een vergunning vergt enige tijd, omdat het om twee gemeenten gaat (zowel Steenwijk als Amsterdam moeten instemmen met de concessie). Pas in september1860 wordt de definitieve tekst door de gemeenteraad van Steenwijk vastgesteld nadat Amsterdam nog wat op- en aanmerkingen had. Het gaat dan om twee onderdelen: de voorwaarden: waar moet het beurtveer aan moet voldoen en de tarievenlijst. Wat mogen de schippers in rekening brengen voor de passagiers of goederen die zij op het hele traject meenemen. Beide documenten konden worden opgesteld aan de hand van een modelverordening, waarschijnlijk stelde het Ministerie van Binnenlandse zaken deze verordening op en stelde die beschikbaar aan de lagere overheden.

In 1838 was er al een Reglement vastgesteld maar dat was in 1856 volgens de gemeente Amsterdam wel aan een herziening toe. Het duurt tot september 1860 voordat het nieuwe reglement is vastgesteld, behalve de twee gemeenteraden moest ook Gedeputeerde Staten (Overijssel en Noord Holland) en de Minister van Binnenlandse Zaken goedkeuring verlenen.  

Vanuit Steenwijk gaat het beurtschip via Blokzijl de zee op en maakt dan de oversteek naar Amsterdam. Of er een tussenstop is gemaakt bij Muggenbeet (Geertien) is niet bekend, misschien op de retourreis als de bestemming weer bijna was bereikt.

De tweede helft van de 19e eeuw is de periode waarin nog geen sprake is van een uitgebreid landelijk spoorwegnet  en er toch behoefte is aan een geregelde verbinding. Behalve dat er op Steenwijk wordt gevaren, gaan er ook afzonderlijke veerdiensten vanuit Amsterdam naar de plaatsen: Blokzijl, Kuinre en Vollenhove etc. En verder tal van bestemmingen in Drenthe (Meppel), Friesland en Groningen worden ook met een eigen dienst verbonden. Waarschijnlijk duurde het een ,,dagreis" om vanuit Steenwijk in Amstredam te komen. In de hoogtijdagen moet het een drukte van belang zijn geweest zowel op de Zuiderzee als in de haven van Amsterdam. Tot aan de bouw van het stationsgebouw was het binnenvaren van de stad vrij eenvoudig: vanaf de Zuiderzee naar het IJ en dan Damrak of Rokin. Met de bouw van wat nu Amsterdam Centraal heet werd het open havenfront afgesloten en kwamen de aanlegsteigers verder van de pakhuizen te liggen. 

De Zuiderzee zou ook het het ,,verkeersplein" van de 17e eeuw genoemd kunnen worden met alle beurtveren die dan van en naar Amsterdam of naar andere kustplaatsen langs de Zuiderzee varen. Dat niet iedere overtocht goed afliep bewijst het stille feit dat er niet minder dan 435 scheepswrakken op de bodem liggen van wat nu de provincie Flevoland is. Daar zitten ook scheepswrakken tussen van beurtvaarders. Een van de ,,ontdekte" wrakken is B 71 (genoemd naar het perceel waarop de boot is gevonden). Dit beurtveer moet omstreeks 1630 zijn vergaan en was onderweg van Overijssel naar Amsterdam. In het Peperhuis 2012 wordt het gevonden wrak beschreven (p 64 - p 78). 

Vanuit de raadsnotulen is verder weinig bekend over het 19e eeuwse beurtveer Steenwijk - Amsterdam. Het schip moest twee keer per week van en naar Amsterdam varen. Hoe lang de dienst is onderhouden wordt niet duidelijk, in 1912 wordt het veer Steenwijk - Amsterdam niet meer genoemd ine en overzicht van beurtveren die dan nog op Amsterdam varen. Wel vragen de schippers een aantal jaren achtereen toestemming om de veerdienst tussen december en februari te mogen staken. Dat zal alles te maken hebben met ijsvorming of slecht weer of een afname van het aanbod aan passagiers en goederen om te vervoeren.  In het voorjaar van 1858 blijft het veer wel varen maar de reis duurt langer door de extreem lage waterstanden op het Steenwijker- en Meppelerdiep.  De benodigde diepte voor het schip van Ten Heuvel en Van der Leij is minimaal  3 1/2 voet water tussen het Steenwijkerdiep en Wetering, de diepgang is essentieel voor het kunnen beladen van de veerschepen maar ook voor het elkaar kunnen passeren op de nauwe vaarverbindingen op weg naar de Zuiderzee. In een gezamenlijke brief gericht aan het College van Burgemeester en Wethouders van Steenwijk vragen de schippers aandacht voor een goede bevaarbaarheid van het Steenwijkerdiep.

Dat het druk kon zijn op het Steenwijkerdiep bewijst een overzicht uit 1860 als er 1686 schepen worden geteld en bijna 800 punters naast 1000 vlotten en bokken. Dat komt neer op bijna 100 vaartuigen per dag.

Een gemeentebestuur moet instemmen met een gemotiveerde onderbreking van de dienst gedurende de wintermaanden. In februari 1847 draagt Hendrik ten Heuvel wegens ernstig lichamelijk ongemak het veer over aan zijn zoon Jan ten Heuvel, 26 jaar. In 1875 komt er een voorstel om het veer over te dragen aan zogenaamde zetschippers, hierbij zou een bedrag zijn geboden van 8.000 gulden.

Ieder veer stond onder plaatselijk toezicht van een commissaris. Deze commissaris moest toezien op het beurtveer en zorgen voor mond op mond reclame zodat het veer voldoende klandizie trok.

Ofschoon er in 1860 een nieuw Reglement met bijbehorende tarievenlijst wordt opgesteld om de concessieaanvraag te ondersteunen in zowel Amsterdam als in Steenwijk is het veer op zich al veel ouder. Al in 1751 is er een veerdienst tussen beide steden. In 1764 is er een conflict over dit veer waarbij wodt verwezen naar het jaar 1751. De schippers van Blokzijl zijn boos op hun concurrenten uit Steenwijk omdat er tegen de afspraak in vanuit Steenwijk door de schipper Jan Thomas toch niet inwoners van Steenwijk en goederen worden meegenomen die zij anders hadden kunnen vervoeren. De Blokzijlse schippers gaan tegen deze handelwijze in de beroep bij de Ridderschap van Overijssel. In het conflict grijpen de Blokzijlers terug op een overeenkomst van 2 juli 1603 dat gesloten is tussen de schippers van Blokzijl en Steenwijk. Op hun beurt zijn de Steenwijkse beurtschippers weer boos op de ,,particuliere" schippers die een ongeregelde dienst onderhouden en op elk willekurig tijdstip van de dag en week en af kunnen varen en mens en goederen mee kunnen nemen naar allerlei bestemmingen. Beurtschippers hebben de verplichting op zich genomen om een geregelde lijndienst te onderhouden en maken daar dan ook kosten voor. De ,,wilde" schippers kapen de passagiers en goederen voor hun neus weg.

Vergelijk dit conflict met het recente conflict over het onderhouden van de veerdienst tussen Harlingen en Terschelling. De eilanders waren ontevreden over de dienstverlening van de vaste concessiehouder en begonnen een eigen dienst. De juridische procedures namen enkele jaren in beslag met als gevolg dat de ,,wilde" dienst tegen compensatie uit de vaart is genomen.  

*Er zijn twee uitvoerige studies beschikbaar waarin meer wordt geschreven over de Zuiderzeeveren:
1: Theo Bakker, beurtvaarders, trekschuiten en overzetveren.
2: via Wikipedia: beurtveren.

Bronnen:

3: Gemeente archief Steenwijkerland
4: Peperhuis, Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum, 2012

Bijdrage geplaatst: 28 juni 2017

Auteur:Vincent Erdin
Trefwoorden:Beurtveer, Vervoer, Transport, Water Overijssel
Periode:2/7/1602-1860