MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Monnikenwerk?!

Verhaal

Monnikenwerk?!

Monnikenwerk!?

 

Tegenwoordig is het zo makkelijk: je typt iets in Word, je stuurt het naar een printer en voilà, je hebt een tekst geschreven. Als een enkel afdrukje niet genoeg is, kun je het document zo vaak afdrukken als je wilt of je legt het onder het kopieerapparaat en drukt op de groene knop. Met alle moderne middelen is het zo eenvoudig geworden, dat we ons niet meer realiseren dat het nog niet zo heel erg lang geleden een hels karwij was om een tekst te vermenigvuldigen. Voor het fotokopieerapparaat werd er gestencild en honderd jaar geleden werden kranten nog iedere dag gedrukt met losse loden zetletters, een uitvinding die rond 1460 is gedaan door Johannes Guthenberg. Voor die tijd was er maar één manier om teksten te vermenigvuldigen, en dat was met de hand.

De Moderne Devoten hechtten heel erg veel belang aan het zelf lezen van belangrijke teksten zoals het Nieuwe Testament en liturgische gebeden. Dat gedachtegoed betekende een enorme stimulans voor de boekproductie vanaf het einde van de veertiende eeuw. Bovendien kon je goed geld verdienen met het kopiëren van boeken. Dat was dan ook voor veel broeder- en zusterhuizen van de Moderne Devotie een van de voornaamste inkomstenbronnen. Een groot deel van de boeken die bewaard zijn gebleven uit de late Middeleeuwen hebben dan ook een link met de Moderne Devotie.

Bij het met de hand kopiëren van een boek, zoals dat in de Middeleeuwen gebeurde, komt veel meer kijken dan alleen de tekst van het voorbeeld van voor naar achter overschrijven. Dat begint al bij het schrijfmateriaal: perkament moet geprepareerd worden, papier geschept, ganzenveren pennen gesneden en inkt gekookt uit eikengallen. Het perkament moet eerst nog in vellen van het gewenste formaat gesneden worden, daarna worden de vellen gelinieerd en wordt een klein stapeltje gemaakt dat tot een katern gevouwen wordt. Bij het kiezen van het formaat van de bladzijden wordt al rekening gehouden met de functie van het boek: is het bedoeld om in je zak te steken (een handzaam gebedenboekje) of om op een lessenaar te lezen (Bijbel voor gebruik in de kerk)? Het soort boek bepaalt de lay-out van de pagina: een boek met juridische teksten en commentaren heeft een heel specifieke lay-out, schoolboeken zien er ook anders uit dan gebedenboeken etc. Zelfs bij het samenstellen van de katernen wordt al ingeschat hoeveel ruimte er nodig zal zijn voor het kopiëren van de tekst. De meest standaard maat voor een katern is het ‘quaternio’ (vandaar ook de naam ‘katern’), een viertal vellen dat in het midden is gevouwen, waardoor een eenheid van acht bladzijden met zestien beschrijfbare kantjes ontstaat. Maar kleinere en grotere katernen komen ook voor, als dat praktischer was.

Dan kan het overschrijven beginnen. Overschrijven van een voorbeeld is nog niet zo eenvoudig. Je moet als kopiist erg nauwkeurig zijn. Bovendien moet je handschrift goed leesbaar zijn en daar is training voor nodig. In de handgeschreven boeken uit de Middeleeuwen zijn zelfs verschillende lettertypen te onderscheiden. Voor een luxe boek wordt doorgaans het geformaliseerde boekschrift gebruikt dat we tegenwoordig de ‘Littera Textualis’ noemen, het vierkante, stijve Gotische schrift dat zo kenmerkend is voor oude boeken. De kopiist moet niet alleen nauwkeurig zijn, hij (of zij!) moet ook goed plannen: op de pagina van een Middeleeuws boek horen naast het zwarte schrift ook rode opschriften (aangeduid met de term ‘rubriek’, naar het Latijnse woord voor de gebruikte rode kleurstof: ‘rubrum’), illustraties (‘miniaturen’) en mooi versierde beginletters (‘initialen’). Daarvoor wordt ruimte opengelaten bij het aanbrengen van de zwarte tekst. De rode opschriften worden vervolgens aangebracht, de gekopieerde tekst wordt gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd en dan is de tekst af. Een decorateur of ‘verluchter’ brengt decoratie aan met gekleurde inkten en verven op basis van natuurlijke pigmenten. Ook wordt er vaak bladgoud aangebracht om bepaalde onderdelen extra mooi te maken. En dan is het boek af, althans: de katernen. Nu moet het boek nog in elkaar gezet worden. Dat gebeurt door een boekbinder. Deze naait de katernen in de juiste volgorde op enkele leren strookjes en zet deze vervolgens vast tegen houten plankjes die als kaft fungeren. Vervolgens wordt er over het geheel leer aangebracht, dat weer versierd kan worden met stempelmotiefjes en bladgoud. De strookjes waarop de katernen zijn genaaid, kun je nog goed zien als de ‘ribben’ op de rug van het boek. Omdat perkament omkrult, worden er nog slotjes aangebracht op de houten plankenkaften, zodat het boek goed stevig is ingepakt.

Al met al een hele klus, en dan heb je maar één boek gemaakt! Dat schiet natuurlijk niet echt op. Toch zijn er honderdduizenden Middeleeuwse boeken bewaard gebleven. Er moeten er veel meer gemaakt zijn, want er is in de loop der eeuwen ook een hoop verloren gegaan. Door het vele handwerk, de grote hoeveelheid bewerkte materialen en de arbeidsintensieve productie, zijn deze boeken erg kostbaar geweest in de aanschaf. Bovendien kon je niet zomaar een boek van de plank kopen, maar moest je het bestellen en dan werd het speciaal voor jou gemaakt. Het kon wel enige maanden duren voordat je het boek in handen had. Al die handgeschreven boeken zijn dus ook uniek, aangepast aan de wensen en voorkeuren van de opdrachtgever. Hoe diep deze in de buidel wilde tasten bepaalde bijvoorbeeld de kwaliteit van het perkament en de uitgebreidheid van de decoratie. Vandaar ook dat de boeken die we aantreffen in bijzondere boekencollecties heel erg verschillend kunnen zijn. Voorbeelden daarvan zijn op deze themapagina te zien.

 

Voor alle wetenschappelijke achtergronden, zie onder andere:

Raymond Clemens & Timothy Graham, Introduction to manuscript studies (2007).

 

Auteur:Merlijn Krommenhoek
Trefwoorden:Boeken, Middeleeuwen, Handschriften, Scriptorium, Boekproductie, Codicologie, Moderne Devotie