MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

'Ik zit weer zonder bloem en krop'. Enschedese voedseldistributie tijdens de Eerste Wereldoorlog

Verhaal

'Ik zit weer zonder bloem en krop'. Enschedese voedseldistributie tijdens de Eerste Wereldoorlog

Op Tweede Kerstdag 1918 stuurt burgemeester Edo Bergsma van Enschede een telegram naar het rijksbureau voor de distributie van graan en meel waarin hij meedeelt genoodzaakt te zijn gedurende een aantal dagen geen brood te verstrekken aan de burgerbevolking (± 40.000 personen) en aan de dan ongeveer 5.000 voormalige krijgsgevangenen uit Duitsland die in Enschede zijn ondergebracht. Het gemeentebestuur vraagt dringend om een ijlzending gebuild meel (bloem) en ongebuild meel (krop).

In de gemeenteraad verzucht Bergsma: “Het is voor Burgemeester en Wethouders haast een onhoudbare positie dat zij tijden achter elkaar iederen avond nog niet weten of de bevolking den volgenden dag brood zal krijgen. Het is zeer geschikt om ieder zenuwziek te maken die aan het bestuur zit”. De winter 1918-1919 is de vijfde in successie dat het gemeentebestuur zich moet bezighouden met distributieperikelen. Al op 7 augustus 1914, direct na het begin van de Eerste Wereldoorlog, wordt in Enschede een plaatselijk steuncomité opgericht voor de inwoners die door de oorlogstoestand in buitengewone nood zouden geraken. In de loop der jaren ontstaat op rijksniveau een uitgebreid netwerk van bureaus die zich bezighouden met de regulering van de productie en de distributie van levensmiddelen en andere goederen. Een niet onbelangrijk deel daarvan wordt noodgedwongen geëxporteerd naar Duitsland en Engeland en dus op voorhand onttrokken aan de binnenlandse vraag.

Broodkaart

In april 1915 wordt een broodkaart uitgegeven en wordt door de regering het eten van bruinbrood gepropageerd. Bruinbrood is met name bedoeld voor onvermogenden. Op de broodkaart is in september 1917 200 gram per week per persoon te krijgen. Vanaf augustus 1916 geldt een Distributiewet voor steeds meer artikelen. Het Rijk stelt maximumprijzen vast, de gemeenten dienen door te geven hoeveel zij in een bepaalde periode voor hun inwoners denken nodig te hebben. Gaat het in hoofdzaak om brood en vlees, ook een product als sajet (maaswol) kan niet zomaar worden aangeschaft. In de gemeenteraad wordt er over geklaagd dat voor inwoners van Lonneker twee knotten beschikbaar zijn; voor die van Enschede maar een enkele knot. Aan de 1100-1200 ‘lichtloze’ huishoudingen in Enschede worden via de distributie kaarsen ter beschikking gesteld.

Gemeentevarkens

In de loop van de jaren zijn er incidenten als het stelen van brood uit bakkerskarren (zelfs die van de Coöperatie) of bij slagers die vlees dat zij ’s avonds ontvangen achterhouden. “Het varken moet in zijn geheel ’s morgens om 7 uur in de winkel aanwezig zijn”. Er wordt trouwens onderscheid gemaakt tussen regeringsvarkens en gemeentevarkens. Over de laatste – door de gemeente extra aangekocht - dient het College verantwoording af te leggen. Zo koopt de gemeente omstreeks maart 1918 77 varkens. Daarvan zijn er vier ingezouten, een is gestorven, per week zijn er veertien beschikbaar. Eind februari 1919 (de oorlog is dan al geruime tijd afgelopen) is er discussie over 25-30 wagons aardappelen die voor menselijke consumptie ongeschikt blijken. Het komt de burgemeester te staan op – wat hij noemt – een bromrede van een raadslid.

Textielfabrieken stilgelegd

De economische situatie in Enschede tijdens WO I wordt niet in het minst getekend door het uiteindelijk stilleggen van alle textielfabrieken vanaf september 1917 als gevolg van het gebrek aan steenkool (tot dan in hoofdzaak ingevoerd vanuit Duitsland). Als de rantsoenen in de loop van de tijd na de wapenstilstand ietwat verruimd kunnen worden, zijn de (± 13.000) arbeiders niet in staat daarvan gebruik te maken, gegeven de karige financiële steunregelingen. In de gemeenteraad volgen dan felle discussies tussen liberale raadsleden en die afkomstig uit SDAP-gelederen over een aanvullende regeling die deels door de fabrikanten zou moeten worden gefinancierd. Vanuit die kring wordt echter gesteld “Wij geven steun aan onze werknemers; het is niet wenselijk dat de overheid daarnaast ook nog eens steun verleent”. Raadslid Ter Kuile klaagt erover dat “wat B en W ook voorstellen de SDAP toch met een voorstel komt er wat bij op te doen.” Raadslid Sanders zegt dat fabrikanten hun financiële instemming met het uitreiken van extra kindervoeding traineren tot een datum die zij gunstig achten “wat het gemeentebestuur er ook van vindt”. (

*Titelfoto: Vluchtelingen krijgen tijdens de Eerste Wereldoorlog een maaltijd aangeboden. (Stadsarchief Enschede)
** Dit artikel is afkomstig uit Hoesbreef 272 (november 2017) van de Stichting Historische Sociëteit Enschede-Lonneker

Auteur:Kor Feringa
Trefwoorden:Eerste Wereldoorlog, Distributie, Voedsel, In dienst van de stad
Personen:Edo Bergsma
Periode:1914-1919
Locatie:Enschede