MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Gerrit van der Kolk, bosbaas van Schoonheten

Verhaal

Gerrit van der Kolk, bosbaas van Schoonheten

Gerrit van der Kolk (Herxen, 21 mei 1928) is al 75 jaar met landgoed Schoonheten bij Raalte verbonden. Als 14-jarige kwam hij er in de oorlogsjaren in de bosbouw te werken. Hij trouwde in 1955 met Annie Bartels (Raams, 1 februari 1935). Het echtpaar kreeg twee jongens: Henk (1958) en Wim (1963) en woont nog altijd in de voormalige chauffeurswoning aan het begin van de oprijlaan.

‘Van oorsprong kom ik uit Herxen bij Wijhe. Mijn ouders hadden daar een boerderij, waar ik in 1928 ben geboren. Ik had een oudere zus en twee broers. Toen kwamen de crisisjaren. De boerderij bracht niet genoeg meer op. Het was een hele moeilijke tijd. In 1937 is mijn moeder in het kraambed overleden. Dat is het ergste wat je als kind kan overkomen. Mijn zus nam de zorg voor het gezin op zich. Mijn vader kon de boerderij niet in zijn eentje aan. De boerderij is verkocht en mijn vader heeft een boerderijtje bij Raalte van een boer gehuurd. Dat was wat kleiner, maar wel vrij nieuw. Zo zijn we in 1938 in Raalte terecht gekomen.

In 1942 kwam ik van school af. Mijn buurman Henk Bannink werkte op Schoonheten. Bosbaas Noever had hem gevraagd: “Ken je nog aardige jongens die hier kunnen werken?” Bannink vertelde hem dat ik van school ging. Toen kwam Noever bij ons thuis en vroeg aan mijn pa: “Kan die jongen bij ons komen werken?” Dat vond mijn pa een goed idee. Eigenlijk had ik graag naar de Ambachtsschool in Zwolle gewild – vooral autotechniek leek mij prachtig, maar door de oorlog kon dat niet. Er reden amper bussen meer. Je moest toen ook nog betalen voor voortgezet onderwijs. Daarom ben ik op Schoonheten gaan werken.

Generatorhoutjes hakken

Er werkte in de oorlogsjaren zo’n twintig man in de bossen van Schoonheten. Die arbeiders woonden her en der in de omgeving. We werkten zes dagen in de week tien uur per dag. Ik moest alle dagen van half acht tot half zeven generatorhoutjes hakken. Door een tekort aan benzine gebruikte men houtgasgenerators om te kunnen rijden. Er waren ongeveer zeven jongens die dit werk deden. De volwassenen zaagden de bomen om en korten die op een meter lengte af. Pachtboeren reden de stammetjes naar de houtschuur, waar ze in blokken van 7 centimeter gezaagd werden. Dat gebeurde met een elektrische cirkelzaag. Wij kloofden de houtjes met een handbijl tot blokjes van 4 centimeter. De blokjes lagen op een grote hoop bij de houtloods, schuin achter het kasteel. Ze werden verkocht aan Shell of Esso.

Vooral in de winter waren we druk met hakken. We hadden in die periode strenge winters. Met vorst kon je niet zoveel anders beginnen. In het najaar of voorjaar hielp ik ook met het aanplanten. Er werd vooral Douglas en lariks aangeplant, maar ook wel laanbomen. In de zomer hielpen we ook wel met het opbinden en inhalen van graan, later met het oogsten van suikerbieten.

Bosbouw in oorlogstijd

Vlak voor de oorlog is op Schoonheten nog grond ontgonnen in het Schaddenveld. Daar was allemaal heide met vliegdennen erop. De dennen werden geveld, de stobben werden uitgegraven en als brandhout verkocht. De grond werd ingezaaid met lupinen, om deze wat te verrijken. Mijnheer wilde dat gebied inplanten, maar dat mocht niet meer van de Duitsers. Zij wilden dat de grond zoveel mogelijk voor de voedselproductie gebruikt werd. Het is nog altijd landbouwgrond.

Op 12 november 1944 zijn de Duitsers begonnen met de aanleg van een V1-startbaan op het landgoed. Op 12 december werd de eerste raket gelanceerd. Er zijn er heel wat in de omgeving neergekomen, maar de schade voor de bossen bleef beperkt. De baan lag aan de rand van het bos en schoot de raketten over het open veld richting Antwerpen. Eind maart, één dag voor Goede Vrijdag, is de baan opgeblazen. Als we in die omgeving aan het zagen waren, kwamen we nog vaak metaal in de bomen tegen.

Door de startbaan had Schoonheten wel veel minder last van houtvordering door de Duitsers. Jachtopziener Frits Reterink moest werken voor de Todt, de organisatie die stellingen aanlegde als verdediging tegen de Canadezen. Hij kwam hier vertellen: “Mijnheer, maandag komen ze hier zagen!” Mijnheer Bentinck is direct naar de commandant van de startbaan gegaan, die hier in de chauffeurswoning was ingekwartierd. Hij zei: “Ze gaan de boel kaal maken.” Dat wilde die commandant niet hebben, want ze waren als de dood voor de Tommy’s. Die maandagochtend hielden de Duitsers de mensen van de Todt op de Schoonhetenseweg tegen. Dat was een geluk bij een ongeluk. 

Boetelerveld

Na de oorlog ben ik nog een tijd naar de landbouwschool in Raalte geweest. Het was een soort wintercursus, waarbij je ’s avonds les kreeg van het schoolhoofd van de lagere school. Ik wilde wel wat meer theorie leren. Kennis van de landbouw kwam ook in de bosbouw van pas. Van 1948 tot 1951 ben ik in dienst geweest. Ik zat in West-Indië om de olieraffinage te bewaken. Dat was een hele belevenis. Ik had zelfs nog nooit de zee gezien. Toen ik terugkwam uit dienst vroeg mijnheer Bentinck of ik jachtopziener wilde worden. “Ik wil liever in het bos werken”, zei ik. Dat vond hij ook goed. Dan kon ik gelijk een beetje toezicht op stropers houden.  

Ik heb een huisje gehuurd bij het Boetelerveld voor 5 gulden in de week. Het Boetelerveld hoorde vroeger bij Schoonheten. Het zou in die tijd voor een deel ontgonnen worden. Aan deze kant zou 35 hectare door de Grontmij in cultuur gebracht worden voor de komst van drie boerderijen. De kruiwagens en schoppen stonden al klaar. Toen kwam de watersnood van 1953. Alle materiaal en mankracht moest naar Zeeland. Daarna is van die ontginning niets meer terecht gekomen.

In het Boetelerveld ben ik jachtopziener geworden voor koekfabrikant Coldeweij uit Deventer, die de jacht pachtte van Landschap Overijssel. Ik heb er heel wat stropers betrapt. Dan nam ik het materiaal of de wapens in beslag en schreef een proces verbaal uit. Ik ben altijd opziener in het Boetelerveld gebleven. Elke week fiets ik er een paar keer door. Nu gaat het meer om loslopende honden dan om stropers. Die honden verstoren het wild en poepen op de aangrenzende weilanden.

Wederzijds vertrouwen

Ik kreeg een best loon op Schoonheten. Ik ben begonnen met 15 cent per uur. We werkten 60 uur, dus ik kreeg 9 gulden per week. Elke zaterdagmiddag kregen we uitbetaald door de tuinman. De volwassen arbeiders kregen 20 cent per uur, maar die moesten daar ook de huur van betalen en hun gezin van onderhouden. Ik vond dat eigenlijk wel merkwaardig. Later kregen we een maandsalaris. Vooral in de jaren zestig gingen de lonen hard omhoog. Bijna elke maand kreeg je meer geld. Ik heb nooit om een loonsverhoging gevraagd. Dat deed mijnheer uit zichzelf.

Naast het bospersoneel was er in de beginjaren een tuinman met drie knechten op Schoonheten. Op het kasteel waren een kokkin, twee dienstmeisjes en een gezelschapsdame voor de oude mevrouw. Ook het kindermeisje van mijnheer woonde er nog: Okie. De huisknecht alias chauffeur woonde hier aan het begin van de oprijlaan. Veel verschillen tussen het personeel waren er niet. Als de pachters problemen met een of ander hadden, gingen ze naar bosbaas Noever. Die regelde dat dan met mijnheer en schakelde bijvoorbeeld een timmerman in. Later was jachtopziener Reterink het aanspreekpunt. Een rentmeester hadden wij niet.

Een functieomschrijving heb ik nooit gehad. De bosbouw was mijn hoofdtaak, maar ik deed er allerlei werkzaamheden naast. Als er personeel te kort was in de tuin, hielp ik daar. Zo hebben we eens in een droge zomer de hele gracht uitgebaggerd. Met diners hielp ik ook wel in de bediening op het huis. Dan trok ik een pak aan en serveerde het eten. In mijn diensttijd had ik leren rijden. Mijnheer heeft mijn toen gestimuleerd mijn burgerrijbewijs te halen, om zijn moeder te kunnen rijden. Maar ik heb vooral voor hemzelf gereden. In november en december waren de jachtdagen. Mijnheer reisde het hele land door om her en der te jagen. Ik ging dan mee als chauffeur en loader voor het bijladen van de geweren.

Ik kon het goed met mijnheer vinden, maar ben altijd wat op afstand gebleven. Ik sprak hem altijd aan met “mijnheer” en met “u”. Ik was zijn ondergeschikte. In de oorlog heb ik een pak van hem gekregen. Thuis merkte ik dat er nog een gulden in de zak zat. Ik vroeg aan Noever of ik mijnheer die zaterdagmiddag kon spreken. Toen heb ik die gulden teruggebracht. Mijnheer was er heel blij mee. Ik kreeg toen een mes van hem. Daar moest ik 1 cent voor betalen. Mijnheer zei: “Anders sta je bij mij in het krijt en dat staat onze vriendschap in de weg.”

Ik heb het altijd erg naar mijn zin gehad op Schoonheten. Ik genoot vooral van de vrijheid die ik had. Als ik overdag weg wilde naar een receptie of zo, kon ik gerust gaan. Er was wederzijds vertrouwen. Ja, ik was wel dienstig. Ik nam altijd de pet of muts voor mijnheer af. Dat deden de pachters in het begin ook nog. Later waren er ook wel arbeiders of boeren die de pet gewoon ophielden. Niet dat mijnheer zich daar aan stoorde. Hij zag vooral of de bomen of de bieten er goed bij stonden.

Mijnheer was heel sociaal en informeerde altijd naar Annie en de kinderen. Toen ik geelzucht had, nam hij sinaasappelen voor mij mee uit Den Haag. Toen ik een hernia had, kreeg ik gewoon doorbetaald. Ook voor anderen was hij heel behulpzaam. Toen de rijvereniging uit Heeten om een oefenterrein vroeg, heeft hij ze dadelijk een perceel bij boerderij de Kreil in gebruik gegeven.

Bosbouw

Mijnheer Bentinck was een echte bosbouwer. Hij had veel meer oog voor de bossen dan zijn vader, die de bossen vooral als jachtterrein zag. Alle slechte bospercelen gingen eruit en daar kwam nieuwe aanplant voor in de plaats. Elk weekend kwam hij uit Den Haag naar Schoonheten. Dan kwam hij ook vaak bij ons kijken. Hij zag dat ik handigheid had met het opsnoeien van jonge boompjes. “Jij moet je maar met snoeiwerk bezighouden!”, zei hij vlak voor de bevrijding. Dat werd toen mijn taak in het voorjaar. We zetten de aanplant in die tijd dicht op elkaar. Dan kwam er weinig onkruid tussen. Ik moest ze zo snoeien dat ze tot een mooie boom konden uitgroeien. Na enkele jaren werd het perceel gedund. Van de 500 Douglasboompjes op een bunder bleven er dan nog geen 200 over.

We hadden een eigen kwekerij op het landgoed van zo’n hectare groot. Daar stonden vooral dennen en eiken. Die moesten wij onkruid vrij houden. Het zaaien gebeurde in het bos. Daar hadden we zaaibedden, waar gaas omheen stond. We strooiden eikels of dennenappels in de humusrijke grond. De zaailingen moest je later dunnen en overzetten naar de kwekerij. Als ze een jaar of 6 waren, werden ze uitgepoot.

In het begin waren er nog veel konijnen in de bossen. Normaal had je daar niet zoveel last van, maar als er ’s winters sneeuw lag en ze weinig te vreten hadden, aten de konijnen en hazen de bast van de jonge aanplant. Wij gooiden daarom bij sneeuw gesnoeide essentakken tussen de jonge aanplant. Die beestjes waren dol op essenhout. Later kuilden we her en der ook wel suikerbieten in, die we dan ’s winters opgroeven en rondstrooiden. In het begin van de oorlog hebben we nog wel gaas en draad om hele percelen lariks gezet, maar dat was veel kostbaarder.

Voor de oorlog waren er nog veel meer konijnen. De oude mijnheer ging erop jagen met zijn vrienden. De boeren hadden veel last van wildschade aan hun gewassen. Die schade kregen ze vergoed bij de pachtbetaling. Als er voor 100 gulden aan graan was opgevreten, kregen ze zoveel korting op de pacht. Sommige boeren kregen zelfs geld toe! Toen mijnheer het voor het zeggen kreeg, kwam er veel meer aandacht voor bestrijding van wildschade. Frits en ik hebben zelfs ’s nachts met hulp van lichtbakken op konijnen geschoten. De konijnenjacht was een echt hobby van mij. De myxomatose heeft uiteindelijk een einde gemaakt aan de overlast van de konijnen. Ze legden massaal het loodje. Dat scheelde ons wel werk. 

Bomen zagen

Het zagen van bomen was in die dagen een enorme klus. Met een spanzaag of trekzaag voor dikkere bomen zaagde je zo’n vijf bomen op een dag. Je lag op je knieën om de boom zo laag mogelijk af te zagen. Je maakte een koep, inkeping in de boom om deze de juist kant op te laten vallen. Bij naaldbomen had je vaak last van hars op de zaag. Dat probeerde je dan met een lap petroleum weg te krijgen.

Eiken hakten we meestal om. Dan kon je de zware “kont” ook meenemen. Eerst groeven we een gat van 75 centimeter om de boom. Een lier met staaldraad bevestigde je aan de kant waarheen de boom moest vallen. Eén man hakte met een bijl de wortels los, terwijl de ander de lier steeds verder opdraaide. Dan helde de eik geleidelijk over, totdat hij viel. Op die manier deed je niet meer dan twee bomen per dag.

Het is één keer misgegaan bij het zagen. Een collega zaagde een boom om en wilde wegspringen toen hij in de sneeuw uitgleed. De boom kwam bovenop zijn been terecht. We hebben hem eerst moeten uitgraven. Het bovenbeen was helemaal kapot, maar hij heeft het wel kunnen behouden. De dokter heeft hem naar het ziekenhuis in Raalte gereden.

In mijn beginjaren werkten we nog met paarden in de bossen. Hendrik Kemper was de paardenman. Als je een boom uit het bos wilde slepen, gebruikte je een malle jan. Dat was een wagen met twee brede wielen die je halverwege over de boomstam zette. Met een ketting hing je de boom onder de lange jan. Het paard maakte je aan de voorkant vast. In de jaren vijftig kregen wij al onze eerste trekker. Het was een petroleumtrekker. Toen sleepte je de bomen zo het bos uit.

In die tijd kwamen ook de motorzagen op. Ik herinner mij nog dat we een demonstratie kregen. Dat was geweldig! Je legde in een paar minuten een boom om. Maar aan gehoorbescherming deden ze nog niet. Ik ben behoorlijk lawaaidoof geworden van die motorzagen. In de jaren zeventig begon het oogsten met machines. Roeli Roelfsema is hier als eerste met een harvester de bossen in geweest. Een grijparm zaagde de bomen om en haalde alle zijtakken eraf. Na een paar jaar konden die harvesters de bomen ook op maat in stukken zagen.

Houtverkoop

In de winter hielden we houtveiling. Dan stond er een advertentie in de krant: “Die en die dag houtverkoop op Schoonheten”. Meestal was het op dinsdag. De gekapte bomen lagen in percelen langs de wegen. Het was hoofdzakelijk boerengeriefhout en zaaghout. Boeren uit de omgeving gebruikten het hout voor afrasteringen, gereedschap, schuurtjes, enzo. Een afslager en een notaris liepen met de kopers langs de percelen. Bedrag en naam van de hoogste bieder werden door de notarisklerk opgeschreven.

Veel dennen werden verkocht als stuthout voor de mijnen. Dat ging vaak met hele percelen tegelijk, die gekocht werden door houthandelaren. Wij legden ze aan de grond en zij zaagden ze aan stukken van 1 tot 2 meter. Soms verkochten we ook wel hout op stam. De opkoper liet zo’n perceel dan omzagen. Dat bespaarde ons arbeid. Veel mijnhout hadden wij niet. Onze bossen waren relatief oud. Veel mijnhout was in de jaren twintig en dertig aangeplant, maar toen was er nog geen serieuze bosbouw op Schoonheten.

In de jaren zeventig en tachtig werd er steeds meer brandhout verkocht aan particulieren. Veel mensen wilden een open haard voor de gezelligheid. We hebben een paar keer gehad dat mensen zelf mochten zagen, maar dat ging een keer bijna fout, dat iemand onder een boom kwam. Daarna hebben we het hout altijd zelf gezaagd. We lieten de kopers een verklaring ondertekenen dat de verwerking van het hout voor eigen risico was.

Bosbaas

Mijnheer Bentinck zag wel dat het steeds minder ging in de bosbouw. De mijnen gingen dicht, waardoor er minder vraag naar snel groeiend naaldhout kwam. Het hout ging steeds meer naar de industrie, die er bijvoorbeeld spaanplaten van maakte of gebruikte om papier te maken. Intussen stegen de loonkosten, waardoor arbeid steeds duurder werd. Er bleven steeds minder mensen over op  het landgoed. In de jaren zestig is mijnheer begonnen met een kuikenmesterij en in de jaren zeventig met meststieren, om zo het landgoed in stand te houden. Ten Broeke, de opvolger van Noever, is eind jaren zestig van de bosbouw overgestapt naar de meststieren. Toen ben ik bosbaas geworden. Er werkten toen nog vier mensen in de bossen.

Begin 1974 was er een gigantische storm in Nederland met windkracht 9 of 10. Hele bunders bomen gingen tegen de vlakte. Er zat veel jonge aanplant uit de jaren vijftig bij. Dat was nog slecht tegen wind bestand. Het was een groot verlies voor het landgoed. Doordat er overal zoveel aanbod van was, bracht het ook nog eens weinig op. Alleen de prijs van zaaghout bleef redelijk op peil. Wij hebben extra mensen moeten inhuren, om alle bomen uit de bossen te krijgen. Daar zijn we wekenlang met tien man mee bezig geweest.

In 1982 was ik 40 jaar in dienst van het landgoed en heb ik als derde persoon op het landgoed een koninklijke onderscheiding gekregen. Tot 1988 heb ik nog in de bosbouw gewerkt. Met 60 jaar ben ik toen op doktersadvies in de VUT gegaan. Die mogelijkheid kwam in die jaren net op. Ik had al twee keer een hernia gehad. De eerste keer zei de dokter in het ziekenhuis: “Je moet stoppen in de bosbouw. Anders zie ik je over een paar jaar weer.” Ik kon wel een baantje als kraanmachinist of iets dergelijks krijgen. Maar ik wilde niet weg uit de vrije natuur. Toen ik voor een derde herniaoperatie in het ziekenhuis kwam, snapte ik wel dat het zo niet  verder kon. Ik ben met mijnheer gaan overleggen. Die vond het goed als ik met de VUT ging. Ik mocht in dit huis blijven wonen. Dat was voor ons een hele opluchting. We wonen hier nog altijd met veel genoegen.’

*Titelfoto: Havezate Schoonheten bij Raalte. (foto: Albert Speelman)

Auteur:Ewout van der Horst
Trefwoorden:Landgoedeigenaren, Schoonheten