MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Een dubbele ontsnapping uit Kamp Westerbork

Verhaal

Een dubbele ontsnapping uit Kamp Westerbork

In oktober 2018 was het 76 jaar geleden dat de Steenwijker broers Joseph en Marcus Gokkes zich het leven wisten te redden door uit Kamp Westerbork te ontsnappen. Zij waren daar terecht gekomen na de grootscheepse razzia op Nederlandse joden op 3 oktober 1942. Daarin werden de broers vanuit het werkkamp Conrad in Staphorst ‘getransporteerd’ naar hartje Drenthe.

Uit het gesprek met Izak Gokkes, broer van Joseph en Marcus:

Heeft u een verklaring waarom joden niet weg vluchtten?

“Nou je moest vrienden en kennissen hebben anders kwam je niet weg. En je had joden die dachten het zal nog wel meevallen. Als de oorlog over is, dan zijn wij ook weer vrij, dachten sommigen ook. Die hadden niet in de gedachte van ze vermoorden allerlei mensen. Die hadden nog een beetje vertrouwen in ze. Nou ik heb geen vertrouwen in ze gehad. Wij dachten alleen aan onderduiken. Er waren er ook die konden niet weg of ze durfden niet. Dat speelde ook bij mijn oudste broer Jo. Die woonde met m’n schoonzuster en dochter dichtbij ons aan de Markt. Op een dag kreeg hij ook een oproep voor het werkkamp. En dat zeurde wat en zeurde wat. Uiteindelijk besloot hij te gaan. Toen is mijn tweede broer Marcus met hem meegegaan. Die wou hem niet in de steek laten en ook al omdat het in Staphorst was, niet zo ver weg. En ook met het idee we gaan er weer weg.”

Echter, dat weer weg gaan verliep anders. Het is welhaast zeker dat Jo en Marcus in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 als donderslag bij heldere hemel op transport zijn gesteld vanuit kamp Conrad naar Westerbork.

“Mijn broers zijn veertien dagen in Westerbork geweest, toen zijn ze eruit gegaan. Gerard Kroon en Izak Slager hebben daarbij geholpen. Gerard Kroon is het kamp binnengestapt als spoorman. Die had een spoorpet opgezet van een vriend die bij het spoor werkte. De eerste de beste bewaker vroeg hem van wat doe je hier? ‘Aan de Zug arbeiten. Joden moeten weg.’ Toen heeft hij daar een marechaussee een zekere Vinke aangesproken. Die heeft het vluchtplan aan mijn broers gezegd. ‘s Avonds om acht uur zouden ze de barak uitlopen en Vinke heeft ze in het donker het kamp uitgebracht. Ze zouden opgevangen worden door Gerard Kroon en Izak Slager buiten het kamp. Dat is toen misgelopen. Ze hebben elkaar gemist. Mijn broers zijn toen door gegaan en naar Assen gelopen. Ze zijn naar een vroegere winkelchef van Zijlstra hier in Steenwijk gegaan. Die was daar voor zichzelf begonnen en die heeft ze binnen gelaten. Daar zouden ze ook naar toe zijn gegaan als het wel goed was gegaan, maar dan op de fiets. Ze zaten bij die man in de schuur. De volgende dag zijn ze met de trein naar Meppel gegaan. De twee jongens hadden daar eerder fietsen naar toe gebracht. Zo konden ze vanuit Meppel op de fiets naar huis. Een van de jongens moest eerder weg omdat hij moest werken op de cokesfabriek. Maar die had de reçu’s in zijn zak. Toen hebben ze bij de fietsenstalling opgespeeld. ‘Als we de fietsen niet krijgen schieten we je dood,’ zeiden ze tegen stallingbewaarder. Toen hebben ze de fietsen gekregen en zijn ze veilig in Steenwijk aangekomen en daarna ondergedoken. We hebben de volgende dag wel gezorgd dat die man de reçu’s kreeg plus een tientje. Nou dat was het ons wel waard. We zeiden als die man een tientje aanneemt, houdt hij zijn mond wel.”

Uit het gesprek met de heer Izak Slager, die diverse joden heeft geholpen:

“Die gebroeders Gokkes waren in het kamp in Staphorst. Die hebben dat allemaal afgewacht in Staphorst. En toen ze in het begin in het kamp in Westerbork waren toen moest er wat gebeuren. Westerbork werd eerst nog bezet door Hollandse marechaussees. Ik heb het ook geprobeerd met m’n nichtje uit Groningen. Die wou niet bij d’r moeder weg. Die wou niet bij d’r vader weg. Die oudere mensen pak je niet zo makkelijk. Die sleep je niet zo gauw. Daar moet je fitte jonge kerels voor hebben. Zoals van die Gokkessen. Dat waren van die dribbelkereltjes, van die vlugge jongens. Daar kon je alles mee uitvreten. Daar liep je het gevaar niet mee. Maar oudere mensen dat was een moeilijkheid hé. Die gingen ook allemaal op transport. Allemaal foetsie.

Maar iemand die werkelijk in het begin een beetje pienter was en die wat aandurfde, ja die ontkwam wel. Want je moet nou niet rekenen dat ik er in Westerbork in dat kamp geweest ben. Daar ben ik niet in geweest. Want hoor is, waar ik niet bekend ben stap ik niet naar binnen. Ook al was ik een Dolle Dries. Die Hollandse marechaussee heeft ze buiten het kamp gebracht. En toen ze buiten het kamp waren toen is het mis gelopen. Toen zaten wij daar in het bos. Althans ik alleen met twee fietsen. Want de ene fiets was van Gerard Kroon en de andere fiets was van mij en ze zouden bij ons achterop. Nou ik zie je het doen, transport met een fiets met massieve banden en dan weer met twee mensen erop. Ja, toen buiten het kamp toen zijn ze me ontkomen. Want zij zetten het op een rennen natuurlijk, ze vluchtten voor hun leven. Toen zijn ze een trekgat ingevlogen. Want mijn moeder heeft ze de andere avond verschoond als een kind. Ze zaten van onder tot boven onder dat veen. Van dat turfwaterveen. Je wordt er niet smeriger van. Toen zijn ze lopend naar Assen gegaan.

Ze hadden een adres gekregen van die marechaussee voor als het verkeerd loopt. Ook ik had van Kroon dat adres gekregen. Hij zei als het misloopt ga ik richting Steenwijk. Als ze al richting Steenwijk gaan, zegt ie dan pik ik ze wel op. En jij gaat richting Assen. Als het mis gaat pik jij ze daar maar op. Maar op een gegeven moment kom ik ’s nachts hartstikke laat in Assen aan. En alles moest van de straat. En ik belde bij die mensen aan. Toen zegt die man hoe durf ie dat joh! Hij zegt ja alles moet van de straat en hoe kom ie nou aan de deur? Ik zeg ik moet weten waar ze zitten. Ja zegt hij ze zijn goed ondergedoken. Het was niet vertrouwd joh. Want de NSB was daar vlak bij in de buurt. Die man was ook bang. Ging ik maar weer naar Steenwijk. Maar ja, het was midden in de nacht. Omdat het allemaal mis liep, ben ik toen ook heel kalm aan ’s nachts naar Steenwijk op gegaan. Ik bleef onderweg in het bos slapen. De Gokkessen waren eerder in Steenwijk dan dat ik in Steenwijk was. Zij zijn ’s ochtends vroeg in Assen naar het station gegaan en op de trein naar Meppel gestapt. Vanuit Meppel op de fiets naar Steenwijk.  Ze zijn bij mijn moeder terecht gekomen. Toen ik bij mijn moeder thuis kwam, waren ze al weer weg. Want ik ging niet direct naar huis want ik dacht jongens als dat allemaal fout loopt dan staat daar de hele Sicherheidsdienst bij ons voor de deur. In wezen ben ik er niet bij geweest waar ze terecht gekomen zijn. Dat wou ik ook niet weten. Dan hoefde ik het ook niet te verraden, als het mis zou lopen. Kiek en zo moes ie handelen.”

Uit de SLOS-tv documentaire Steenwijk 40-45 (1990):

Amalia Margaretha Gokkes-Vleesblok, was de echtgenote van Joseph Gokkes. Zij en haar dochter Betje vonden een goed onderdak bij Gelmer en Hendrikje van Rossum, Kallenkote 20. Dit nadat op de avond van 2 oktober 1942 Betje van een politieagent op de Markt te horen had gekregen, dat zij en haar moeder moesten onderduiken en wel direct. Ze waren beiden genomineerd om de volgende dag naar Westerbork te worden gevoerd. Mevrouw Gokkes geloofde het niet. “Ik met m'n domme kop ging naar inspecteur Bergsma. Hij was erg christelijk, maar die zei een heel lelijk woord. Wat doe je hier nog? Je moet vanavond wegwezen!" De familie Van Rossum had haar al eerder aangeboden, dat als het nodig was zij daar welkom waren. Enkele weken later kwam op een avond Dirk Bijkerk (bij wiens ouders thuis de twee broers voor even waren ondergebracht na hun vlucht uit Westerbork) bij Van Rossum. "We waren bang dat hij slecht nieuws had over Jopie. Gelukkig kwam hij vertellen dat mijn man de volgende dag zou komen. We wisten niet wat we hoorden en waren blij. Er is nooit gevraagd of hij komen mocht. Hij was ook gewoon welkom."

Uit het gesprek met de heer Moos de Vroome:

“Jo Gokkes met zijn broer Marcus zaten al in Westerbork. Die zijn gevlucht. Daar ben ik ook nog een beetje annex mee geweest. Nou ik ben niet mee geweest om ze op te halen. Daar zijn anderen mee geweest onder anderen Izak Slager. Maar die zijn ze misgelopen en zijn ze later toch wel in Steenwijk aangekomen. Die Jo en Marcus Gokkes die zaten naast ons bij de familie Slager. (De families De Vroome en Slager woonden naast elkaar in de Gasthuisstraat in Steenwijk). Nou had Jo een adres in Kallenkote waar hij naar toe kon. Ik had een adresje in Giethoorn en dat was voor het geval dat het nodig was dat mijn moeder (zij was joods) moest onderduiken. Nou ik naar Marcus toe. Ik zeg moet je eens luisteren Marcus, ken je Johannes Stevens en Hendrik Nijenhuis? Dat zijn klanten van ons, was zijn antwoord. Ik zeg daar heb ik die plek voor mijn moeder. We kunnen wel proberen of je daar terecht kunt. Dat is niet zo gemakkelijk, niet zo eenvoudig om maar zo ergens plek te vinden. Ik eerst naar Giethoorn toe. Naar die mensen toe. Toen zei ik tegen ze kun je wel een onderduiker gebruiken? Toen zeiden ze wie is dat? Ik zeg wat geeft dat? Wat kan dat schelen. Toen zeiden ze is het een jood? Ik zei ja. Ik zeg ik wil alleen maar weten of je hem gebruiken kunt of niet? Toen zeggen ze is het Marcus soms? Ik zeg ja. Toen zeiden ze breng hem dan maar. Toen heb ik hem de andere dag ’s avonds in het donker naar Giethoorn gebracht en daar hebben Marcus en zijn vader gezeten tot het eind van de oorlog.“

Zowel vader Mozes, Joseph en zijn gezin, als de andere broers Marcus en Izaak en ook zuster Betsy Josephina hebben door hun onderduik de oorlog kunnen overleven. Dit was mogelijk door, zoals we dat nu noemen, over een netwerk te beschikken van hele betrouwbare vrienden, familie en goede kennissen en Nederlanders die bovendien hun nek hebben uitgestoken en levensreddend hebben gehandeld en daar mee voor zichzelf en enorm risico hebben gelopen.

Noten:

  1. Mozes Gokkes dreef in Steenwijk samen met de vrijgezellen Marcus, Izaak en Betsy een kledingwinkel annex woninginrichtingen aan de Markt no. 4. Joseph en zijn gezin dreven een kledingzaak op Markt no. 32. Echtgenote en moeder Betje Gokkes-Slager is 31 maart 1941 een natuurlijke dood gestorven
  2. Werkkampen verspreidt over Nederland waar werkloze joodse mannen tussen de 18 en 65 jaar te werk werden gesteld, onder het mom van werkverruiming. Deze stonden onder anderen in Rouveen (Conrad). Op 3 oktober 1942 werden werkkampbewoners in één keer overgebracht naar Westerbork. De werkkampen bleken de voorportalen van Westerbork
  3. De heer Vinke kwam ten tijde van dit vraaggesprek nog op bezoek bij Izaak Gokkes. Hij was toen werkzaam voor de BVD (Binnenlandse Veiligheid Dienst)
  4. De volgende dag kreeg de winkelier in Assen politiebezoek. ‘U krijgt vannacht huiszoeking want u hebt verdachte personen in huis.’ Aan de achterkant van het pakhuis waar de broers de nacht hadden doorgebracht was het kringhuis van de NSB. Daar was blijkbaar onraad bespeurd. Het was een goede politieagent geweest die kwam waarschuwen. De broers waren toen al veilig in Steenwijk

*Deze reconstructie is gebaseerd op vraaggesprekken door mij gevoerd in 1984/85 met betrokkenen, familie en anderen. Deze zijn vastgelegd op cassettetapes. Nu, na bijna 35 jaar, worden die alle getranscribeerd voor een tekstuele bewerking. Uit de tot nu toe bewerkte bandjes kan onderstaande reconstructie vanuit diverse perspectieven worden weergegeven. Dit is een levend verhaal die nog kan worden gewijzigd c.q. aangevuld gaande de verdere beschrijving van andere vastgelegde oorlogsgetuigenissen. Alle betrokkenen en geïnterviewden zijn inmiddels overleden. 

Auteur:Teun Smit
Trefwoorden:Jodenvervolging; Tweede Wereldoorlog; Steenwijk; Joodse gemeenschap Steenwijk; Giethoorn; WO-2; Kamp Westerbork; Assen; Marrechausse; onderduiken; Kamp Conrad; Staphorst
Personen:Families Gokkes; Gerard Kroon; Izak Slager; Moos De Vroome;