MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Bevers in de Deventer Cameraarsrekeningen

Verhaal

Bevers in de Deventer Cameraarsrekeningen

Onlangs viel mijn oog op het bericht dat het totaal aantal bevers langs de IJssel in 2020 werd geschat op 120 stuks. Na een kleine twee eeuwen zijn ze weer terug van weggeweest, want de laatste bever in deze contreien werd in 1826 doodgeslagen. Echter, naar verluid waren ze in de 15e en 16e eeuw zo talrijk dat ze als overlast werden beschouwd, een gevaar voor de waterhuishouding. Misschien speelde ook mee dat hun bont gebruikt kon worden voor prachtige herenhoeden. Hoe dan ook, er werden door steden premies uitgeloofd voor bevers, zoals bekend is uit de stadsrekeningen van Zutphen. Daar is tussen 1465-1550 voor 71 bevers een premie betaald (1). Dus, vroeg ik me af, hoe staat het met Deventer? Hoe vaak en wanneer kwam dit beest voor in de rekeningen van die stad?

Deventer Cameraarsrekeningen
Niet geheel toevallig vraag ik me dit af over Deventer, want samen met Rinus Prinsen heb ik recentelijk transcripties gemaakt van een behoorlijk aantal Deventer jaarrekeningen, de zogeheten Cameraarsrekeningen (2). Deze zijn nu makkelijk te lezen en te doorzoeken. En wat blijkt? In de 33 doorzoekbare jaren is er in totaal 17 keer sprake van een ingeleverde bever. Een gemiddelde van één bever per twee jaar. Niet direct een enorme overlast, zou je zeggen.

Maar als we de getallen wat nader beschouwen, zien we dat er slechts in een veel beperktere periode sprake is van bevervangst, namelijk uitsluitend in het derde kwartaal van de 15e eeuw. In feite hebben we slechts melding in drie jaren: 1469 met 9 stuks; 1474 met 4, en nogmaals 4 in 1479. Dat wil dus zeggen dat er gemiddeld zo’n 6 bevers per jaar op het Deventer raadhuis binnengebracht werden in die tijdsspanne. Er is al wel eerder sprake van hinder van bevers, want in onze oudste getranscribeerde bron uit 1449, wordt iemand betaald die anti-bever maatregelen had genomen. Hij had dorens gezet bij nieuw aangeplante bomen zodat die niet in tweeën geknaagd zouden worden, maar er is geen sprake van gevangen of gedode bevers dat jaar. Overigens kwam het woord wolf, otter, beer, knaagdier, konijn etc. in het geheel niet voor in de rekeningen; die vormden blijkbaar op geen enkel moment een overlast voor het stadsbestuur. Misschien waren die er wel, maar in elk geval loofde de stad er geen geld voor uit.
 

kaart stroomgebied IJssel 1713

Detail van kaart van het stroomgebied van de IJssel tussen Zutphen en Olst.
L’Over-Issel, uitgegeven door Pierre vander Aa, 1713. HCO Kaartencollectie 0266, inv. nr. 53

Betalingen voor bevers
Tonys die Heer ving in 1469 op de stadsweerd tweemaal een beest en Willem Duyvenvenger kon behalve duiven ook goed bevers vangen en kreeg voor een exemplaar datzelfde jaar 1 pond 4 kromstaart uitbetaald. Een jonge bever leverde 15 kromstaart op (er gingen 20 kromstaart muntjes in een pond). De betaling zal per gewicht gegaan zijn, schat ik zo, want drie jonge bevers brachten samen ongeveer evenveel op als één volwassen bever. De premie die ze kregen was behoorlijk hoog: voor een flinke bever ongeveer gelijk aan het weekloon van de stadsgeneesheer, of ruim het halve maandloon van de stalknecht.

In de laatste week van januari 1474, de sondag nae Pauli Conversion, bracht Werner Lubberts er een binnen en begin maart had hij er nog een te pakken, gezien de uitbetaling zal dat een kleinere geweest zijn. Tegelijkertijd werd er toen trouwens een wilde kat gevangen, die de vanger 4 kromstaart opleverde, heel wat minder dan een bever (3). De derde werd gevangen vlak voor vastenavond, en ook dat was weer een jonkie.

NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 0698, Cameraars, inv.nr. 1. 25i, fol. 3r. Hier is sprake van de vangst van een wilde kat en van een bever in maart 1474
NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 0698, Cameraars, inv.nr. 1. 25i, fol. 3r.
Hier is sprake van de vangst van een wilde kat en van een bever in maart 1474

En als laatste dat jaar droeg Lambert Buser nog een volwassen exemplaar aan. In 1479 kwamen er op het raadhuis vier stuks binnen, drie grote en één kleintje. Daarna zijn er helemáál geen beverpremies meer betaald. Het lijkt erop dat de overlast door bevers bij Deventer in de tweede helft van de 15e eeuw onder controle gekomen is. En de beverstand vanaf dan gemarginaliseerd is.

Nog wat aantallen 
Een klein literatuuronderzoek levert wat aanvullende informatie op over de Deventer situatie.

In een artikel uit 1840 schrijft P.C. Molhuysen dat de stad vanaf 1454 voor het eerst een premie op bevers uitloofde, die zo’n twintig jaar lang zou blijven bestaan (4). De periode is dus ietsje langer geweest, aangezien er minstens tot in 1479 nog premies uitgekeerd zijn. Vervolgens bespreekt hij de vangst van een aantal jaren, zoals hij ze had gevonden in de Deventer Cameraarsrekeningen. 

Gecombineerd met mijn bevindingen, krijgen we deze opsomming:

1454: 4
1464: 0
1468: 2
1469: 9 (Molhuysen zegt 4)
1470: 8  
1472: 13 
1474: 4
1479: 4
Totaal: 44

Als we tellen vanaf het instellen van de premie in 1454 tot aan de laatste melding in 1479, dan komen we op een totaal van 44 bevers uit 8 jaarrekeningen, dus een gemiddelde van 5 à 6 per jaar. Stel dat deze kleine dataset representatief zou zijn en dit gemiddelde voor de héle periode 1454-1479 geldt (26 jaar), dan komen we op een totaal aantal ingeleverde bevers van 26 x 5.5 = 143.

Dit is, opvallend genoeg, twee keer zoveel als het aantal dat er uit Zutphen gerapporteerd is in bovengenoemd artikel. Waren ze nu zoveel fanatieker in Deventer? Was de premie hier wellicht hoger en werden de Gelderse vangsten op het Deventer raadhuis aangeboden (zonder de herkomst te vermelden uiteraard)? Of zijn de gevangen bevers uit Zutphen niet correct geteld? Om het precies te willen weten zullen we alle jaarrekeningen van zowel Deventer als Zutphen moeten uitpluizen.

Tja, of wachten tot ook die transcripties online komen.


Voetnoten:
(1) L.A.J. Baron van Sloet, “Jachtbedrijf onzer vooroudersin: “Van Al’s” onderzoekingen, schetsen en mededeelingen (1871), 315.
(2) Wij hebben van (bijna) elk vijfde jaar in 1449-1624 van de Deventer jaarrekeningen een transcriptie gemaakt. In totaal zijn dat 33 jaarrekeningen. De jaren 1459, 1549 en 1574 ontbreken in het archief en bovendien mist het jaar 1454 in onze reeks, omdat er online al een getypte transcriptie aanwezig is (die te lezen, maar niet te doorzoeken is). Het jaar 1558 is door ons als extra jaar toegevoegd. Er wordt bij Historisch Centrum Overijssel aan gewerkt om deze transcripties online beschikbaar te stellen.
(3) De wilde kat wordt in totaal slechts drie keer genoemd in de stadsrekeningen, in 1449 tweemaal en eenmaal in 1474. Sinds het jaar 2000 zijn voor het eerst sinds eeuwen weer enkele waarnemingen gedaan van wilde katten in Nederland. Voor de laatste cijfers van deze dieren en ook voor de huidige beverstand zie www.zoogdiervereniging.nl/nieuws  
(4) P.C. Molhuysen, “Bevers in den IJssel” in: Overijsselschen Almanak voor Oudheid en Letteren, 5e jrg. (1840), 95-98.

 

 

Auteur:Hetty Krol
Trefwoorden:Deventer, bever, Cameraarsrekeningen, transcripties , 15e eeuw, Zutphen
Periode:1/5/1450-1/5/1500