MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.

Honderd jaar Tuindorp 't Lansink in Hengelo

Verhaal

Op 6 mei 1911 vond door F.G. (Frans) Stork, zes jaar oud, de eerste steenlegging plaats voor Tuindorp ’t Lansink. Als zoon van de Hengelose industrieel Coenrad Frederik Stork was hij getuige van het ontstaan en de ontwikkeling van een van de fraaiste tuindorpen van Nederland. Door het samengevoegde kapitaal van de machinefabrieken van de Gebr. Stork & Co., de firma N.V.G. Dikkers & Co. en de Nederlandsche Katoenspinnerij was er voldoende geld beschikbaar om met de meest moderne inzichten als goed rentmeester zorg te dragen voor de huisvesting en ontwikkeling van hun arbeiders. In mei 2011 bestaat het Hengelose Tuindorp Het Lansink honderd jaar, daarom een korte terugblik op het ontstaan.

Gebr. Stork & Co.

De machinefabriek Gebr. Stork & Co. heeft een enorme stempel gedrukt op de ontwikkeling van Hengelo vanaf het midden van de negentiende eeuw. Stork staat bekend als een van de meest sociale en innovatieve bedrijven van Nederland. Nadat Stork zich eerst richtte op de bouw en reparatie van stoommachines voor de textielindustrie, ging Stork al snel over op de productie van stoomketels voor schepen en stoommachines voor gemalen. Vanaf het begin van de twintigste eeuw stortte Stork zich eveneens op de bouw van machines voor de rietsuikerindustrie op Java en werd er een aparte vennootschap opgericht voor de bouw van hijswerktuigen. Kortom: het ging de fabriek voor de wind. Hoogtepunt in het leven van de oprichter van de fabriek, Charles Theodor Stork (1822-1895) was de deelname van Gebr. Stork & Co. aan de wereldtentoonstelling in Parijs in 1878. Stork schreef over dat jaar in zijn memoires Herinneringen en wenken aan de Twentsche katoennijverheid (Enschede, 1888): “Een van de gelukkigste jaren van mijn leven. De Machinefabriek kan als gevestigd worden beschouwd. Dit doel van een gedeelte van mijn leven is bereikt”.

In tegenstelling tot bij de Twentse textielfabrikanten, waar ontevredenheid, stakingen en later zelfs uitsluitingen geregeld voorkwamen, heerste bij Stork in de fabrieken een gezonde werksfeer. C.T. Stork was een liberaal in hart en nieren; als werkgever zag hij dat hij een taak had ten opzichte van zijn werknemers. De overheid werd door hem feitelijk buitenspel gezet. Gebaseerd op Jacques van Marken, van de Nederlandsche Gist- & Spiritusfabriek uit Delft, en geïnspireerd op een Franse roman, waarvan hij de titel vergeten was, over een rechtschapen machinefabrikant bij wie elke arbeider in de gelegenheid gesteld werd zich te ontwikkelen en uiteindelijk op te klimmen tot de hoogste rangen creëerde Stork een scala aan sociale voorzieningen, wat voor het laatste kwart van de negentiende eeuw ongekend was.

Vanaf de jaren 1880 begon Stork met het daadwerkelijk instellen van de tweede ondernemingsraad van Nederland, het instellen van een pensionfonds, een fonds voor schade ontstaan uit bedrijfsongevallen, een personeelsblad (de Hengelosche Fabrieksbode) en een Vereenigingsgebouw. Dat gebouw werd in 1893 bij het vijfentwintigjarig bestaan van de machinefabriek door de onderneming geschonken aan het personeel. Ook ontstonden er muziek- en toneelverenigingen, koren, gymnastiekverenigingen, een bibliotheek, een bewaarschool en een gaarkeuken. De meesten hiervan bestaat tot aan de dag van vandaag.

Model Village Port Sunlight

In 1867 was er door Stork al een “Hengelosche Bouwvereeniging” in het leven geroepen, met als doel “in het gebrek aan goede burgerwoningen in Hengelo te voorzien”. Door het verkrijgen en bebouwen van verschillende percelen grond werden de eerste kleine arbeiderswijkjes opgezet. Nadien was de ontwikkeling van de industrie echter zo snel gegaan en werd er nog een dergelijke grote groei verwacht, dat de firma Gebr. Stork & Co. in het begin van de twintigste eeuw besloot door “den aanleg eener kolonie van goede woningen voor arbeiders en beambten eene prettige, frissche omgeving te scheppen”. Drijvende kracht hierachter was de al genoemde C.F. Stork, de jongste zoon van C.T. Stork. Hij was op 4 februari 1909 aanwezig geweest bij een lezing van J.H. Faber, Inspecteur van Volksgezondheid uit Zwolle, onder de titel ‘Arbeiderswoningen’. Faber publiceerde in 1904 al een rapport onder de titel “Sprekende Cijfers; Woningtoestanden in Nederland”. C.F. Stork trok nadien naar Engeland, waar hij de zogenaamde tuindorpen Port Sunlight en Bournville bezocht. Port Sunlight was gesticht in 1887 voor de werknemers van de door de Engelse industrieel William Hesketh Lever opgerichte Lever Brothers zeepfabriek. Tot 1914 werden er achthonderd huizen gebouwd voor in totaal 3500 inwoners. Daarnaast kwamen er ook allerlei publiek toegankelijke gebouwen als een kunstgalerie, ziekenhuis, school, concertgebouw, overdekt zwembad, kerk en een hotel.

Ebenezer Howard

Het ontstaan van deze ‘tuinsteden’ werd sterk gevolgd door de Brit Ebenezer Howard. Als stedenbouwkundige dacht hij veel na over een manier om de kwaliteit van leven te verbeteren. Ook las hij veel, zoals Edward Bellamy’s uit 1888 stammende utopische novelle Looking Backward. Dit leidde tot zijn boek To-Morrow: A Peaceful Path to Real Reform, in 1902 herdrukt als Garden Cities of To-Morrow. Howard schetst daarin beelden van steden zonder sloppenwijken waarin zowel de voordelen van ‘de grote stad’ zoals innovaties, amusement en hogere lonen gecombineerd worden met de voordelen van ‘het platteland’: schoonheid, frisse lucht en lagere huren. Uiteindelijk leidde dit in Engeland tot de oprichting van de Garden City Association, een stedenbouwkundige denktank die nog steeds bestaat.

Ontwerp “Het Lansink”

De bouw van de Hengelose ‘woonkolonie’ werd in de Hengelosche Fabrieksbode van 7 mei 1910 aangekondigd. Er werd een vijftien hectare groot terrein aangekocht dat oorspronkelijk behoorde tot de boerderij “Het Lansink”. Kort na 1913 schreef Stork: “Waar te voren, in een morassig landschap, slechts een tweetal oude boerenhuizen stond, is thans een aardig dorp verrezen, dat met zijne brede staten, en zijne verscheidenheid van vriendelijke huizen, temidden van het frissche groen van boomen en tuintjes, op den eersten blik prettig aandoet”. Die verscheidenheid van vriendelijke huizen was voornamelijk te danken aan Karel Muller. Hij kreeg carte blanche om invulling te geven aan het plan. Gebaseerd op de praktijkervaring van de Lever Brothers en de theorieën van Ebenezer Howard ontwierp Muller het Hengelose tuindorp. Er werd daarbij gestreefd naar een grote differentiatie van woningen en bewoners. Daarbij is nog wel het meest opvallend dat ook in de goedkoopste categorie woningen badgelegenheid aanwezig was. Het centrum van de eerste fase bestond uit een plein, het C.T. Storkplein, met daaraan verschillende winkels en een theehuis. Dit theehuis werd in 1921 van een extra etage voorzien en omgedoopt tot Hotel ‘t Lansink. Muller werkte bij de ontwikkeling van de wijk nauw samen met de tuinarchitecten P.H. (Pieter) Wattez en L.A. (Leonard) Springer. Verschillende bomen die in de oorspronkelijke weilanden en op het boerenerf “Lansink” stonden werden bij de aanleg van de wijk gespaard. Daarnaast werd er samengewerkt met verschillende andere architecten, zoals A. Broese van Groenou.

Karel Muller

Naast Tuindorp Het Lansink ontwierp Karel Muller (1857-1942) vanaf circa 1900 groot aantal fabrikantenvilla’s in Twente. Meest bekend zijn misschien wel het landgoed Bellinckhof in Almelo en Egheria in De Lutte (beide van Ten Cate), de Borg in Beuningen en de Sprengenberg in Haarle (beide van Van Wulfften Palthe), De Wigwam in Enschede (Van Heek) en Het Welna in Lonneker (Ter Kuile). Daarnaast ontwierp hij de Wilhelminaschool in Hengelo (eveneens van Stork), het directiekantoor van Gelderman in Oldenzaal en het Rijksmuseum Twenthe in Enschede. Voor ca. 1900 was Muller voornamelijk in West-Nederland actief. Hij volgde tussen 1876 en 1882 zijn opleiding aan de Polytechnische school in Hannover. Samen met zijn broer Hendrik Clemens Muller en een studiegenoot richtte hij in Amsterdam een architectenbureau op. In die tijd werd Muller lid van het befaamde architectuurgenootschap Architectura et Amicitia, waar hij 36 jaar lid van bleef. Tot 1924 bleef Muller bij de ontwikkeling van het Hengelose tuindorp betrokken. Na de tweede wereldoorlog werd een vierde fase van het gebied in ontwikkeling genomen, waarbij de eerste hoogbouw tot ontwikkeling kwam. De architectuur in het zuidelijke gebied van de huidige wijk Tuindorp is dan ook niet meer gebaseerd op de stijl van Muller. Hij overleed in 1942 in Hengelo.

Tuindorpen

Kort na de eerste steenlegging van Tuindorp Het Lansink ontstonden eveneens tuindorpen in Almelo en Enschede. In opdracht van twee Almelose woningstichtingen werd door architect W.K. de Wijs in samenwerking met de genoemde Springer vanaf 1914 tuindorp De Riet ontworpen. Ook hierbij is veel aandacht voor detaillering, grote achtertuinen, openbaar groen en enkele sociale voorzieningen. Enschede heeft tuindorp Pathmos, waar tussen 1914-1928 ruim honderden woningen gereed kwamen, in goed verzorgde, traditionalistische vormen naar plannen van De Wijs en de directeur van gemeentewerken, A.H. op ten Noort. Opdrachtgever was de in 1907 opgerichte 'Vereeniging de Volkswoning'. In beide gevallen was er echter minder differentiatie van woningen en bewoners. Door de middenklasse werden beide wijken grotendeels ontzien.

Het Tuindorp is honderd jaar na de bouw al lang niet meer wat er geweest is. Medewerkers van Gebr. Stork & Co., of tegenwoordig Stork BV zijn er nauwelijks meer te vinden. De oudere gedeelten van de wijk staan sterk in de belangstelling bij woningzoekenden. Prijzen zijn hoger dan in andere wijken van Hengelo, maar dan woont men wel in een bijzondere wijk met een prachtig verhaal. Jaarlijks zet Het Tuindorp zich op de kaart met de jaarlijkse boekenmarkt en kunstmarkt, waarbij bezoekers uit heel Nederland te vinden zijn. Daarnaast draait het Tuindorpbad weer volop. Het buitenzwembad, dat in 1923 in gebruik werd genomen, is langdurig onderwerp van strijd geweest tussen de gemeente Hengelo en de wijkbewoners. Uiteindelijk heeft een grote onderhouds- en restauratiebeurt in 2007 het voortbestaan van het bad voor de komende jaren zeker gesteld.

Literatuur:

Tuindorp Het Lansink, uitgave van de Hengelosche Bouwvereeniging, Hengelo, [1913]
M. Piek, K.J. Muller (1857-1942), Bonas, Rotterdam, 2001
De historische afbeeldingen zijn afkomstig uit het bedrijfsarchief Stork, te vinden in het Historisch Centrum Overijssel. Afbeeldingen van tuindorp Bournville: Wikipedia.
 

Auteur:Robert Kemper Alferink
Trefwoorden:Tuindorp, Lansink, Stork, IJzeren Eeuw Overijssel, Stad rukt op
Locatie:Hengelo
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed