MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel
Zoeken
Uitgebreid zoeken

Hans Racer Palthe: oorlogstijd op 't Everloo

Verhaal

Volthe, 11 mei 2019 Hans Racer Palthe is geboren op 30 juli 1943 en is het 4e kind van Hendrik(J.H) Racer Palthe en Hennie(H.C) Borgelink op Het Everloo, een haverzathe in Volthe ( oude gemeente Weerselo, nu Dinkelland) Een havezathe aan de rand van de Loosteres, met nu nog altijd de karakteristieke kernmerken van vroeger, zowel binnen als buiten. Hans woont nu aan de Loosteresweg in Volthe

Een nakomertje geboren in oorlogstijd

Ik ben geboren op 30 juli 1943 en ben het 4e kind in het gezin Racer Palthe van het Everloo en ik was een nakomertje, dus er was totaal niet op gerekend. Al het babygoed was al weggegeven in de oorlog. In een zomerhuisje achter in het bos woonde een familie ten Cate uit Almelo. Meneer ten Cate was een huisvriend.Hij kwam zeker twee keer per dag bij ons. Op een bepaald moment vertelde papa hem dat er bij ons nog wat kleins op komst was en dat er niet meer op gerekend was: er is geen babygoed meer: “ dat is  allemaal weggegeven in de oorlog.”Meneer ten Cate beloofde een babyuitzet, hij had immers een textielfabriek in Almelo, dus dat moest kunnen, ook in de oorlog. Maar toen puntje bij paaltje kwam deed hij dat niet. Papa is toen verschrikkelijk boos geworden, want het moest er wel komen. In ieder geval geeft het aan dat er op mij niet gerekend was, dat komt wel meer voor , ook nu nog. Het was wel tekenend voor mij, broers van 9 a 10 jaar ouder en een zus die 8 jaar ouder was. Ik had veel vaders en moeders en dat vormde je toch wel een beetje. Nu pas  kan ik verhalen vertellen wat ik eerder niet kon. “Wat weet jij er nou van”, ik was het kleine jongetje, kon het slechtste leren op school, maar ook met mij is dat allemaal wel goed gekomen.

Familie ten Cate 

Egbert ten Cate getrouwd met Carla Verkade woonde in Almelo vlak bij het station en had besloten in de oorlog niet in Almelo te blijven. Hij vond het te gevaarlijk zo dicht bij een knooppunt van spoorwegen, hij was bang om gebombardeerd te worden. Meneer ten Cate kon een tuinhuisje krijgen van een familie uit Almelo, hij vroeg zijn vader, die met zijn vrouw in huize Egheria ( heette toen Belvedere )bovenop de Tankenberg woonde of hij plek had om een tuinhuisje neer te zetten. Dat had hij niet: zijn vader had wel 800 bunder grond en de nodige boerderijen in De Lutte, maar kreeg dat niet voor elkaar. Meneer ten Cate kwam toen bij mijn vader vragen of hij daar een plek voor had. Na overleg kreeg meneer ten Cate toestemming om het tuinhuisje bij ons in het bos neer te zetten. Het huisje werd van Almelo naar de Goorweg in Volthe gebracht, op palen tot een meter hoog geplaatst en gaas er omheen zodat er geen muizen in konden komen. Geleidelijk aan werd het huisje van alle gemakken voorzien, stukje er bij aan, douche, boiler, kelder en pomp op krachtstroom.

Toen in 1944 de Duitsers het Bevedere, ofwel huize Egheria vorderden moesten de ouders van meneer ten Cate hun huis verlaten. Blaskowitz, hij was er in Wageningen bij met het ondertekenen van de vrede, trok toen in deze woning. Ondanks dat de familie ten Cate zelf zoveel huizen hadden, was er niet een voor hen. Zo kwamen zij ook in dat zomerhuisje hier in het bos terecht. Hun kunstschatten, met o.a. schilderijen kwamen in een slaapkamer op 't Everloo terecht.

Onderduikers

Onder de onderduikers op 't Everloo was veel jeugd, jongens en meisjes zo rond de 20 jaar.  Kun je je een mooiere tijd voorstellen? Een stel daarvan schreven toneelstukjes, die ze dan ook opvoerden. Ook was er een Henk Boom, die later plastisch chirurg is geworden. Harm Sanderman, hij was gewoon overdag bij ons aan het werk. Spoorwegmensen, broer en zus Appie en Thea Dijk, waar de ouders zaten weet ik niet. Ook waren er Russen, een paar keer per dag moesten Sientje van een jaar of 15-16 die bij ons werkte samen met mijn zus Hannie daar eten brengen.

Aan de Goorweg op de Dennenkamp (woonde voor de oorlog tante Mina, maar die was net voor de oorlog overleden) kwamen een oom en tante uit Duitsland. Hij was Nederlander en zij Duits. Het was net een zoete inval bij ons: een familie Wiegman uit de Emmastraat uit Oldenzaal, zij moesten hun huis aan de Duitsers af staan. Een familie Piet van Erp, hij was een toneelspeler uit Den Haag, Daar dichtbij was nog een theehuisje van de familie ter Kuile en daar zat een zender in, waar ze mee naar Engeland konden zenden. Daar hebben ook nog geallieerden in gezeten.Papa moest er van alles regelen zodat de jongens verder konden, soms via de pilotenlijn of nog een poosje moesten blijven. Je moest altijd alert zijn. Piloten moesten hun kleren uit, kleren werden begraven, ze moesten hun geld afgeven en ze kregen een Nederlands kapsel. Daarvoor kwam een vrouw uit Oldenzaal, zij was kapster.

Uitbetalen  spoorwegmensen

De spoorwegmensen moesten betaald worden, zij gingen tegen hun zin staken. Men kwam toen bij papa en die heeft toegezegd om een gedeelte voor zijn rekening te nemen en er is contact gelegd met de firma Reef uit Oldenzaal. Deze firma werkte voor de Duitsers op het vliegveld en de Duitsers waren goed van betalen. Ze  hadden een groot betalingskantoor in Hengelo en daar kwam toen wat geld vandaan. Er was een grote bankroof in Almelo, ook een gedeelte daarvan ging naar ’t Everloo. Maar men was de uitgiftelijsten met de nummers erop vergeten dus moest heel gauw gezorgd worden dat dat geld weer verdween.

Marcel Kortenbout van der Sluis

Marcel was een jongen uit Almelo, een zoon van een wethouder. Via ten Cate is hij vlak voordat hij 16 werd bij ons gekomen. Hij moest onderduiken omdat de Duitsers hadden gewaarschuwd om hem als hij 16 was, dat hij dan werd opgehaald. Het klikte heel goed met papa, ook wel met mama maar waar mijn vader ging was Marcel ook en stond hem altijd half. Nu komt er een verhaal wat ik gehoord heb van Marcel Kortenbout van der Sluis. Op een gegeven moment komt er een jongen van ongeveer 20 aanlopen, zag er goed uit en vroeg of hij hier kon overnachten. “Ik ben Nederlander, ik kom uit het westen van het land maar ik ben gedeserteerd uit Rusland en ben helemaal uit Rusland hierheen komen lopen”. Hij werd nog eens goed bekeken, hij komt niet helemaal door Duitsland vanuit Rusland, daarvoor zag hij er nog veel te goed uit en ook zijn schoenen zagen er ook nog goed uit. Wat moeten we met die jongen? Het was immers een aardige jongen. Er werd overlegd, wat we met deze jongen zouden doen. Het klopt niet dat hij helemaal door Duitsland hier naar toe is komen lopen. Het was een gewone jongen en waarschijnlijk naar hier gestuurd. Marcel werd op pad gestuurd om 's avonds toen het donker was met die jongen rond te gaan lopen en te desoriënteren zodat hij 't Everloo niet terug zou vinden. Aan het begin van Rossum laat je hem gaan en stuur je hem naar  de kerk, daar vangt wel iemand hem op. Er waren ook SS-ers in Rossum en we hoopten dat die hem zouden aanhouden. Het was na spertijd en er is nooit meer wat van weer gehoord.

Op het randje

Kapitein Lancker, hij zat diep in het verzet maar zijn vriendin lag in het ziekenhuis in Gronau. Zij werd daaruit bevrijd. Er was een georganiseerde route om weg te komen en die ging van Gronau naar De Lutte waar Jan Sukkel, een jachtopziener van Gelderman, die hen weer verder bracht naar Gerrit Olthof op ’t Dalhuis. Gerrit Olthof heeft ze bij ons bracht, ze hebben toen een nacht hier geslapen.  Vanaf ’t Everloo zijn ze naar Wierden gegaan. In Wierden komt er een overval van de Duitsers op het huis waar Lancker verblijft. Dit was puur toeval, want de Duitsers wisten niet dat hij hier aanwezig was. Lancker schiet op de Duitsers en wordt door de Duitsers aangeschoten en pleegt zelfmoord. Hierdoor kon hij niet vertellen waar hij geweest was, als hij door was geslagen, had hij verteld dat hij hier was geweest. Ik heb dit gelezen in het boek van Cornelissen.

Munitie ophalen na de oorlog

Mijn broers Herman en Jan gingen na de oorlog, net na de bevrijding naar het Martalager de achtergebleven munitie ophalen, het was een spergebied. Ik lag nog in een kinderwagen en ze namen mij mee, want onderin die kinderwagen was een ruimte en daar stopten zij die munitie in. Jan en Herman verschoten dat bij ons huis.

De kopjes op ’t Everloo

Dit verhaal kende ik niet, maar heb het van mijn broer Jan. Mijn vader kon alles, wist alles, had een goed verstand( ben ik jaloers op)maar was geen boer. Meer op de plaats zou Rentmeester zijn geweest.

Mijn broers,zus en ik waren nog klein en vader zocht altijd wel iets om te verdienen. Dat er met horeca is begonnen is puur toeval. Op Hemelvaartsdag 1947, buiten in de tuin stonden wat tuinstoelen die we hadden geërfd van tante Mina, die op de ‘Dennenkamp’  hier dicht in de buurt woonde. Deze  stonden op ons perceel en daar konden we mooi zitten, maar daar  gingen ook andere mensen op zitten, die voorbij kwamen. Zij vroegen aan vader of ze iets konden gebruiken. Dat is niet de bedoeling zei hij. En of ze toen iets gekregen hebben of niet, dat verteld het verhaal niet, maar het bracht vader wel op een idee. We gaan een theeschenkerij beginnen zei hij tegen ons moede. Zij was er nog niet zo'n voorstander van. Maar er kwam hulp van een zus van moeder, zij werkte bij hotel de Graaf in Enschede en was een vakvrouw: '' Hendrik dat moet je doen en je moet daar een zitje neer zetten en daar.”  En met weinig middelen, heel primitief, is het begonnen en zo langzaam aan begon het te lopen.

Er moesten ook betere kopjes komen, maar die waren niet te koop in de winkel en ook niet bij de groothandel. Er werd rondgevraagd en uit een hoek waarvan het niet verwacht was wist iemand kopjes te koop. Goede kopjes en schoteltjes, amper gebruikt. Papa is gaan kijken, bij Hotel de Ster in Oldenzaal waren mooie kopjes, er mankeerde niets aan, geen barstje, niets, prachtige kopjes met schoteltjes. Alleen er stond het opschrift DRP op, Deutsche Reich Post. “Maar die kunnen we bij ons niet hebben” zei papa, want er stond ook nog een hakenkruis onder. Iemand kwam toen met het idee om er Dames Racer Palthe van te maken en maar hopen dat niemand onder die kopjes zou kijken. En zo zijn die kopjes er gekomen.

Hoe kwamen die kopjes in Oldenzaal? De christelijke school tegenover de Plechelmuskerk was gevorderd door de Duitsers en een regionaal postkantoor kwam in die school terecht. Het regionale postkantoor was verplaatst van het westen naar het oosten van het land. De mensen die er werkten zijn grotendeels meegegaan naar Oldenzaal. Ze werden gehuisvest in hotel De Ster. Bij het einde van de oorlog is veel materiaal achtergebleven, zo ook de kopjes en schoteltjes.

Fosco

Het ging goed, heel goed, ondanks dat alles nog primitief was. Toen begon mama met Fosco, koude chocolademelk te maken, cacao was nog op de bon, maar er waren buren die papa vroegen of hij belang bij die bonnen had. Dat had hij wel, we hadden zelf de melk en op zondagmorgen maakte mama een hele melkbus vol van die Fosco en hing die in de put. Zo bleef die lekker koel. Het was een succes.

Pannenkoeken

Zo op een doordeweekse dag, de deur naar buiten stond open, dan kon je ook zo de straat op kijken wat daar langs kwam Mama was aan het pannenkoeken bakken. Er waren gasten buiten gaan zitten en wilden wel wat drinken en wij hebben wel thee, koffie of limonade. Maar ze zouden ook wel wat willen eten. Ze hadden natuurlijk de pannenkoeken geroken dus papa naar binnen om het mama te vragen. Na een het komt wel goed van papa heeft zij voor die mensen pannenkoeken gebakken. Papa had gezien dat dit minister Liefting was die daar bij hun wat was komen gebruiken. Met enige trots vertelde hij dat rond en een paar dagen later stond het in de krant dat minister Liefting op het Everloo was geweest en daar pannenkoeken heeft gegeten. Dit ging lopen als een tierelier. Koningin Juliana en Claus zijn ook op het Everloo geweest.

 

Auteur:Janneke Brummelhuis en Maria Löbker-Ribbert Heemkunde oalde gemeente Weersel 23-7-2019
Trefwoorden:Tweede Wereldoorlog, Oorlogsgetuigen, Volthe, Everloo, Lancker, Fosco, Kopjes, Munitie, Egheria, Marcel Kortebout van der Sluis, Verzet, Onderduikers, Ten Cate
Personen:Racer Palthe, Egbert Ten Cate, Harm Sanderman, Henk Boom, Marcel Kortebout Van Der Sluis
Periode:1940-1945
Locatie:Volthe, NL, Rossum, Everlostraat 16