MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Groep Weerselo der Rijkspolitie-2 1945-1948 door H.J.Kollen †

Verhaal

Nadat de heer Kollen in het vorig nummer de organisatorische ontwikkeling van de
politiemacht in Weerselo beschreef, komen in deze (laatste) aflevering van zijn artikel
bovendien diverse - vaak hilarisch beschreven - anekdotes aan bod.

Groep Weerselo der Rijkspolitie-2 1945-1948


Bloedstollende jacht op een illegale eierzoeker
In die eerste naoorlogse jaren, werden de patrouilles meestal per fiets verricht in het landelijke en uitgestrekte Weerselo. Aan het jachttoezicht werd heel wat tijd besteed. Tevens werden er voortdurend controles gehouden ingevolge de Vogelwet 1936. Vogelvangers en eierenzoekers werden nogal eens in het Weerselose veld aangetroffen en de politie was er op gebrand hen te betrappen. Deze lieden poogden zich bij ontdekking meestal door de vlucht aan staande houding te onttrekken, hetgeen soms een boeiend toneel opleverde, waarover later door de politiemensen aan het bureau, hartelijk werd gelachen om de
dwaze situaties welke soms plaats vonden. In herinnering zal zeker voortleven de belevenis van de eerzame ‘veldwachter’, die in het veld een eierenzoeker wilde staande houden, daar hij vermoedde dat deze persoon niet in het bezit was van de vereiste schriftelijke vergunning om eieren van kieviten te zoeken en te rapen.
   De man zette het echter op een lopen, waarna de politieman de achtervolging inzette, hetgeen echter geen gunstig resultaat opleverde. Op het moment dat de vluchteling zich even omkeerde om te zien hoe de zaken stonden, stak de hem achterop komende ambtenaar zijn rechterhand op om daarmede de
zich snel verwijderende verdachte te beduiden staande te blijven. Helaas, de eierenzoeker verdween steeds verder uit het gezicht van de verborgen en hijgende politieman, die daarop de achtervolging staakte.
   De volgend morgen kroop de veldwachter mismoedig achter zijn gammele schrijfmachine
en begon; “Op één april 1946 bevond ik mij in de buurschap Lemselo, gemeente Weerselo, buiten openbare wegen en voetpaden in het veld, alwaar ik een persoon aantrof die al zoekende heen en weer liep over een perceel grasland, waar ter plaatse kieviten rondvlogen. Toen ik mij in de richting van deze persoon begaf, wachtte deze mijn komst niet af en rende in tegenovergestelde richting weg. Ik zette de achtervolging in en hoewel ik, verbalisant, duidelijk zichtbaar voor de achterom kijkende verdachte,
een stopteken gaf met mijn rechterhand, vloekte hij slechts en verdween uit mijn gezicht.”

   Tot zover dit bloedstollende relaas van een Weerselose politieman uit de
jaren 1945-1946.


‘Staart’ uit het raam


In die tijd ging het er in de gemeente Weerselo nog gemoedelijk toe. Er heerste geen criminaliteit op het gebied van geweldpleging of andere misdrijven. Door ingezetenen werden b.v. nooit fietsen gestolen maar evenmin werden gevonden voorwerpen aangegeven. Misschien een typisch Twents trekje?
   In de wintertijd werden er door de plaatselijke verenigingen weleens uitvoeringen gegeven in het oude verenigingsgebouw, gelegen tegenover de r.-k. kerk aan de Legtenbergerstraat te Weerselo.
   Vooral een uitvoering van de toneelvereniging trok veel publiek, waarbij de politie dan geregeld moest optreden. De spelers, alleen Weerseloërs, gingen helemaal in hun rol op en enkele stukken die bij de mensen in de smaak vielen, werden meer dan eens opgevoerd. Eén bijzondere toneeluitvoering uit die tijd
liet in het laatste bedrijf een scene zien, geheel uit het boerenleven gegrepen en waar men eens echt voor ging zitten. Het decor op het toneel stelde een boereninterieur voor. Op een ouderwetse divan lag in een min of meer bevallige houding, een jonge maagd uitgestrekt. Zij lag daar maar en staarde uit een venster waaruit een doodgewone koeienstaart naar buiten hing. Een ietwat vreemde voorstelling? Ja, dat mag men wel zeggen. Een eenvoudige buitenman, die zich de gehele avond al zat te verkneukelen en zijn ogen niet van de divan kon afhouden, ontging kennelijk de betekenis van de koeienstaart uit het raam en
wilde er meer van weten. Na afloop van de voorstelling spoedde hij zich naar een der spelers en vroeg hem wat die koeienstaart nu eigenlijk in het stuk moest voorstellen. De aangesprokene keek eerst wel wat beteuterd, doch spoedig klaarde zijn gezicht op, daarbij triomfantelijk met zijn script zwaaiend naar
de nieuwsgierige landman. Hij duwde de bedremmelde boer met zijn neus op de tekst en zei: “Lees dan toch kerel wat er staat, zie je dat niet? In mijn tekst staat heel duidelijk:“Evelien ligt op de divan en staart uit het venster.” En daar hebben we ons precies aan gehouden”.

Twee grafzerken voor de prijs van één
Dat de Weerselose politieman destijds ook wel eens voor vreemde situaties kwam te staan, moge blijken uit het volgende verhaal.
   Op een zonnige dag besteeg de onbezoldigde Rijksveldwachter Kolman zijn fiets en begon aan de voorgeschreven surveillance in de buurtschap Dulder. Onderweg gaf hij z’n ogen goed de kost om eventuele strafbare feiten in zijn bewakingsgebied te kunnen constateren. Het was echter een rustige dag. Na enkele uren van naarstig speuren kreeg de veldwachter trek in een kop koffie. Achter in het broekland wist hij het oude boerderijtje van Graads en hij besloot daar even een praatje te maken met de bewoners. Het was nog maar kort geleden dat aldaar de oude Graads was overleden en dat het bedrijfje nu door twee oudere ongehuwde zoons werd voortgezet. Kolman begaf zich naar de boerderij, plaatste zijn fiets tegen de niendeur en liep de deel op, alwaar Herm, één der broers bezig was de vloer aan te vegen. Zijn broer Gerrit slenterde wat rond buiten op het erf. Een landelijk tafereeltje dus. Terwijl de politieman even belangstellend rondkeek, werd zijn aandacht getrokken naar het midden van de deel, waar hij tot zijn verbazing een zware en platte Bentheimersteen, ter grootte van een normale grafzerk op een laag stro zag liggen. Kolman vond het maar en vreemde zaak en vroeg aan Herm die er wat schutterig bijstond, wat een en ander te betekenen had. De boer keek even schichtig om zich heen en fluisterde tegen Kolman: “Ik heb enige tijd geleden even over de grens, twee mooie Bentheimer stenen grafzerken kunnen kopen voor de helft van de prijs. Van die handel weet mijn broer Gerrit niks af en dat mag hij ook niet weten. Wel heb ik hem gezegd dat ik de steen die daar op het stro ligt heb gekocht
voor het graf van vader. De andere grafsteen heb ik verstopt onder de laag stro en is bestemd voor mijn broer Gerrit als hij mocht doodgaan. Hij loopt nu nog wel buiten bij de kippen, maar hij is niet al te sterk en kan ook zo wel in elkaar zakken. En als het zo ver is heb ik al een mooie steen voor Gerrit. Ik heb tot zolang de grafzerk maar onder het stro gepakt. Als ik dit niet had gedaan, zou Gerrit zijn grafsteen zien liggen en daar de hele dag over zeuren. En daar heb ik geen aardigheid aan.”

   De politieman, verbluft en sprakeloos over zoveel zorg van de ene broer voor de andere, staarde naar buiten en zag de nog levende Gerrit enigszins doelloos op het erf rondscharrelen, nog onkundig van het feit dat voor hem reeds een grafzerk gereed lag.


Onmogenlijk te hanteren voorschriften


Op de naleving van de wettelijke voorschriften werd door de plaatselijke politie zo goed mogelijk de hand gehouden, doch in de eerste jaren na de bevrijding waren de middelen daartoe nog zeer beperkt. Vooral de totaal verouderde voorschriften en bepalingen van de politieverordening voor Weerselo waren moeilijk
te hanteren en na te leven. In artikel 23 van genoemde verordening was het verboden op de openbare weg te tieren, met pijlen en dergelijke ‘schiettoestellen’ te schieten en achter op rijtuigen te klimmen of te hangen.
   Het was dus schijnbaar niet verboden buiten de openbare weg te tieren en met ‘schiettoestellen’ bezig te zijn.
   En in artikel 33 werden de zaken nog wat scherper gesteld en was het verboden voor personen van beiderlei kunne, binnen elkanders persoonlijk bereik, gezeten of gelegen te zijn op of aan de openbare weg, tenzij betrokkenen met elkaar gehuwd waren. Moeilijk, moeilijk.
   Een netelige zaak voor een politieman om er op toe te moeten zien dat geen personen van beiderlei kunne die beiden wat ‘kunne’, te dicht bij elkaar gingen zitten of liggen. Wat heeft hij daaraan ‘kunne’ doen? We weten het niet. De geschiedenis bewaart daarover een grondig stilzwijgen.


Primitief arrestantenlokaal


In de kom van Weerselo stond in 1945 een merkwaardig gebouwtje, verscholen achter enig struikgewas en gelegen aan een pad, terzijde van de Oldenzaalseweg. Een onaantrekkelijk gebouw, groot
4x4 meter en hoog 2.50 meter, voorzien van twee kleine met tralies afgesloten raampjes en een zware eikenhouten deur. Dit gebouw heeft in Weerselo jarenlang dienst gedaan als arrestantenlokaal ten dienste van de groep Rijkspolitie in deze gemeente. Dit primitieve gebouwtje, daterend uit het jaar 1886, was voorzien van twee cellen. In elke cel bevond zich een houten brits als bed en een ijzeren ton waarin de verdachte zijn behoefte kon doen. Wasgelegenheid in het arrestantenlokaal ontbrak geheel.
Met de ventilatie in het gebouw was het droevig gesteld. Dit blijkt uit een adviescommissie
welke het volgende rapport aan de Burgemeester uitbracht; “We hebben de eer uw College in overweging te geven aan de luchtverversing in het arrestantenlokaal Uwer gemeente enige verbetering aan te brengen. Het kleine gaatje toch waar thans de lucht binnenkomt, is niet voldoende. Welligt zoude men een paar gaatjes meer aan kunnen brengen en zoude het de voorkeur verdienen deze van glasraampjes te voorzien voor het koude jaargetijde.”
   Als we dit enigszins kneuterig advies lezen is het of een arrestant vroeger werd opgeborgen als een meikever. en onwillekeurig denken we terug aan onze jeugd, toen we meikevers bewaarden in een blikken
doosje waarin een paar gaatjes waren geprikt. De burgermeester liet direct voorzieningen treffen en schreef in zijn antwoord aan de Gezondheids Commissie: “Het arrestantenlokaal is thans vrij goed ingericht. Een behoorlijke legerstede is daarin aangebrachte en voor een ‘stilletje’, om aan de natuurlijke behoeften te voldoen, is gezorgd. Ook voor meerdere dekking zal gezorgd worden. Daar aan verwarming van de cel door middel van een kachel grote bezwaren verbonden zijn, maakt het een
punt van overweging uit, hoe daarin te voorzien.”

Verdachte bleef dus letterlijk in de kou zitten. Eerst in de herfst van het jaar 1946 werd in het arrestantenlokaal en buiten de cellen een elektrische kachel aangebracht zodat het storende klappertanden van de verdachte voorgoed tot het verleden behoorde.
   Een bijzonderheid was ook de ligging van de gevangenis, zoals het gebouw in de volksmond werd
genoemd. De cellen zagen namelijk uit op het schoolplein. Als de spelende jeugd zag dat een persoon naar de cellen werd gebracht, was dit een welkome afleiding. Meester en leerlingen keken belangstellend toe wanneer een zondaar door de politie werd opgebracht. Onder het gejoel van de jeugd werd dan de tandenknarsende booswicht in het primitieve gebouwtje opgesloten tot nader verhoor. En deze verhoren vonden plaats in het Groepsbureau der rijkspolitie, in een zeer bescheiden ruimte te Weerselo.


De eerste politiegebouwen


Tenslotte nog enkele gegevens betreffende de ligging en de inrichting van het Groepsbureau in de eerste jaren na de tweede wereldoorlog.
   Vanaf 15 mei 1945 tot 1 april 1947, hield de Groep Weerselo der Rijkspolitie, bureau in een afgesloten ruimte in de zaak van de manufacturier G. Flinkers wonende aan de Oldenzaalsestraat alhier. Een zeer bescheiden begin dus voor de politie.
   Op 3 april 1947 werd het pand van de heer Flinkers ontruimd en kreeg de Rijkspolitie tijdelijk de beschikking over bureauruimte in de voorkamer van de woning van de Groepscommandant Chr. ter Laak.
De beschikbare ruimte werd al spoedig te klein. Het was dan ook een hele verbetering dat de Groep in mei
1948 de beschikking kreeg over een houten barak, staande aan de Holtwijkerstraat alhier.
   Dit sterke en ruime blokhutachtige gebouw werd na de bevrijding door de Duitse weermacht onbeschadigd achtergelaten. Deze houten dubbelwandige barak heeft tot aan september 1955 dienst gedaan als Groepsbureau der Rijkspolitie te Weerselo. het geheel maakte een romantische indruk en vele ouderen van de Groep zullen zich hun diensttijd in deze blokhut herinneren en met genoegen
daaraan terug denken.
H.J. Kollen †

0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand