MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Frans Roesthuis: we hebben geluk gehad

Verhaal

Frans werd geboren in Volthe op 10 augustus 1925 in een gezin van 10 kinderen. Het adres was Volthe 81 wat nu Hamsweg 1 is (’t Stekkie). Hij maakte als kind de oorlog mee en werd opgeroepen om te werk te worden gesteld in Duitsland (Arbeidseinzats). Dit wist hij te ontlopen. Hij was knecht bij Hobbelink maar in zijn hart was hij monteur. Er viel in de oorlog een bom vlak bij de boerderij. Frans verbleef van april 1947 tot mei 1950 in Oost-Indië

Gezin

Ik ben geboren op 10 augustus 1925  en ben de zoon van Jens Roesthuis en Hanna Roesthuis-Groeneveld. Ons gezin bestond uit 10 kinderen. Vader had een klein boerderijtje met 3 koeien. Hij was ziekelijk en overleed op 10 oktober 1942 in Oldenzaal. Toen ik terugkwam uit Indië ben ik getrouwd met Annie Gieselink uit Oldenzaal.

Oorlog

In de oorlog was ik knecht bij Hobbelink aan de Everlostraat. Ik was ongeveer 15 jaar toen ik bij Hobbelink kwam te werken. Daar kwamen op een bepaald moment een moeder met 2 kinderen. Zij heetten Steunenberg. De man werkte bij het spoor en door de spoorwegstaking moesten ze onderduiken. Ik weet niet hoelang ze daar waren. Ik heb ze later ook nooit meer gezien. Mijn vrouw kende de familie Steunenberg omdat ze aan de Bentheimerstraat woonden en mijn vrouw aan de Denekamperstraat in Oldenzaal.

Toch onderduiken

Op een gegeven moment kreeg ik de oproep voor de Arbeitseinsatz. Maar ik ben nooit daadwerkelijk te werk gesteld. Ik had ook geen vrijstellingsbewijs. Wel werd er een keer een razzia aangekondigd. We zijn toen in een schuilkelder die lag in een bos waar je kwam via een weggetje in de bocht bij wat vroeger garage Roesthuis was. (Nu erve Fakkert Everlostraat). Deze was ontstaan door uitgravingen om metselzand te krijgen, een zg. grindkuil. Hij was wel 2 x 5 meter en afgedekt met planken, zand en struiken erop gezet. De Duitsers hadden altijd in de buurt hun oefeningen. Ze kwamen zingend en gingen weer zingend weg. Toen die razzia was aangekondigd zaten we met 7 jongens in die schuilplaats. Je kwam er binnen door een afgedekt gat en er zat een kachelpijp in voor de zuurstoftoevoer. Op dat moment kwamen de Duitsers net op die plek hun oefening houden. Gelukkig hebben ze ons niet ontdekt want dan waren we er misschien  niet meer geweest.

Vliegverkeer en Joden

Toen de oorlog begon was er veel vliegverkeer maar we hadden niet in de gaten wat het was.Ook hoorden we dat de Joden werden opgehaald. Sommigen kenden we want dat waren de handelslui: veehandelaren. Maar we wisten niet waar ze naar toe gingen.

We hebben veel Engelse vliegtuigen zien overkomen bijgestaan door zg. jagers die moesten schieten wanneer er Duitse vliegtuigen in de buurt waren. Er waren veel luchtgevechten en we hebben de brokstukken van het vliegtuig de de lichamen van de omgekomen bemanningsleden zien liggen

Mijn broer was bij het verzet. Hij staat nog ergens op de foto. (foto Oet de Boerschopn) Er waren ook 2 jongens van Morsink bij Hein en Johan

Bom

Op een nacht waren er veel vliegtuigen in de lucht en opeens hoorden we een fluitend geluid en hele harde knallen. Ik was toen bij Hobbelink. Iemand riep nog: blijven liggen. Dat was een hele zware bom. Er zijn er wel 4 op de rij gevallen. Er waren diepe kraters geslagen maar verder zijn er geen ongelukken gebeurd. Als er een bom op het huis was gevallen was iedereen dood geweest. Dan was ik toen al alleen geweest,

Diensttijd

Bij Hobbelink liet je je per jaar verhuren als knecht. Dat jaar liep van mei tot mei en ik heb in 1944 tegen Hobbelink gezegd ik stop ermee: volgend jaar is de oorlog afgelopen en ik wil dan wat anders. Ik wilde automonteur worden en kon gaan werken bij Noordergraaf in  Hengelo en was ik in de kost bij Gortemaker, die ook onderduiker was bij Hobbelink omdat hij bij het spoor werkte. Hij kreeg verkering met mijn zus. Ik verdiende daar f 11,30 en moest f 10,00 kostgeld betalen. Ik ging in 1946 in dienst in de Siman Stevin-kazerne te Ede en daar deed ik mee aan de normale oefeningen maar werd later ingedeeld als monteur voor de halftracks (trucks met voor wielen en achter rupsbanden).

Oproep om naar Indië te gaan

Je werd verplicht om naar Indië te gaan. Mijn  moeder vond dat niet leuk en er was een meneer Meenhuis die ons wees op een plaatselijke bureauhouder die veel besliste voor de boeren en waar je je moest melden om te proberen deze uitzending tegen te gaan. Je had de kans dat je dan moest werken bij een boer. En dat wilde ik niet. Ik heb dat ook laten merken en erbij verteld dat ze dit niet mochten vertellen. Maar toen ik eenmaal in Indië zat is mijn moeder er toch achter gekomen. Ik kreeg toen een brief dat ik er wel spijt van zou hebben dat ik niet naar die boer was gegaan. Er kwamen immers slechte verhalen uit Indië, van mensen die gesneuveld waren daar. Dat hadden ze gehoord. Toen heb ik snel teruggeschreven dat ik het daar prima naar mijn zin had en dat ze zich geen zorgen om mij moeten maken.

Indië

Ik vertrok in april 1947 naar Indië. Ik werd door mijn broer Jan weggebracht naar Oldenzaal. Je had veel bagage bij je. Ik had toen ik in de trein zat op weg naar de boot voor  Indië onderweg mijn revolver leeggeschoten. Dat doe je niet als je normaal bent maar ik had een klein flesje alcohol gekregen van een kameraard wat ik in een keer achterover sloeg. Het afscheid was ook niet mooi: je wist immers niet of je terugkwam. Per trein ging je naar de boot en deze was 1 maand onderweg, De boot meerde aan in Tandjungperiuk, een havenplaats in de buurt van Batavia, waar alle boten werden ontscheept en de AAT (Aan en Afvoer Troepen) brachten je met hun voertuigen naar de benedenstad van Batavia waar een bankgebouw was zonder ramen met alleen een dak boven je hoofd waar we konden slapen. Degene die hier kwamen waren allemaal Nederlanders van ongeveer 20 jaar. We losten de OVW-ers (oorlogsvrijwilligers) af die hier een lange tijd zijn geweest. Zij hebben les gehad in Engeland.

In het begin lagen we in de benedenstad van Batavia en daar was het arm. De mensen zochten op de vuilnisbelt naar voedsel en wat wij overhadden deelden we uit, Wij bleven 14 dagen op die plek We waren uiteindelijk met 3 personen over: 1 man uit Arnhem, een uit Rozendaal en ik. We werden weggebracht naar het vliegveld Tjililitan waar we de OVW-ers moesten aflossen. We werden daar monteur in de garage op het vliegveld. Deze basis was ongeveer 20 km van Batavia. In totaal waren daar 800 man gelegerd. We sliepen in slaapzalen en er waren aparte ruimtes voor de officieren. Er was voor ons een gemeenschappelijke ruimte om bij elkaar te zitten en brieven te schrijven. Vooraf wisten we niet waar we naar toe gingen. Er was geen voorbereiding. Ik wist ook niet wat ik zou gaan doen en hoe het daar was. Ik had scheermesjes meegenomen want ik wilde geen baard: deze waren allemaal verroest. Ik dacht er 1 jaar te blijven, dat werden er 3.

 

Bezoek

Mijn zwager Gortemaker werkte op Schiphol en werd later vliegtuig-mechanicien. Hij is 6 keer in Indië geweest doordat hij als mecanicien mee moest met een vliegtuig. Hij overnachtte in een hotel en ik regelde een jeep en reed naar hem toe en dan hadden we samen een mooie tijd. Hij heeft me vaak gevraagd mee terug te gaan naar huis maar dat kon natuurlijk  niet. We mochten ook nooit zonder geweer of revolver buiten het kamp.

Garage

In de garage werkten ook nog 80 Indonesiërs die geen Nederlands spraken. Wij hebben les gehad in het Maleisisch. Ik kan nog tellen in het Maleisisch en als je tot tien kon tellen kun je ook tot 100 tellen. Ik had het met name nodig voor de maten van de sleutels. Ik was de baas over een groep Indonesiërs. Zo waren veel Nederlanders de baas over de Indonesiërs. Ik moest ze zeggen wat ze moesten doen en ze waren erg blij met het feit dat ze werk hadden.

Baboes

Iedere morgen kwamen er baboes (dienstmeisjes) je kleding wassen, je deed er een stukje zeep bij en ‘s middags kwam het keurig gestreken weer terug. Ze deden er vaak stijfsel (gemaakt van aardappelmeel) in dan konden ze het beter strijken maar als je ging zweten ging dat plakken. Zo deden we ze iedere maand iets extra’s en hebben ze dan ook gevraagd er geen stijfsel in te doen.

vakantieoord

We zijn nog wel 5 tot 6 keer naar een vakantieoord geweest. Dan gingen we mee met een Commandant van de KNIL. Zo ook een keer naar een eiland waar je in een uur omheen kon lopen. Daar heb ik een mooie schelp gevonden die ik mee heb genomen.

patrouille

In dat kamp waren ongeveer 800 mensen, ook de AAT: Aan en Afvoer Troepen. De mensen die echt wat meegemaakt hebben dat was de Infanterie, die moesten op patrouille. Wij hoefden niet op wacht, daarvoor was het wachtbataljon NSK. Ik heb 1 keer op wacht gestaan

 

Dagindeling

Je had wel een vaste dagindeling: van 8.00-13.00 uur ging je werken, daarna douchen (pancuran) met z’n allen. Het eten stond klaar en na het eten was het tot 16.00 uur verplichte rust, je mocht geen lawaai maken. Het eten was ook goed. We hebben niet veel meegemaakt in die drie jaar. De hitte en de vrije tijd waren het ergst.

Brieven

We scheven wel brieven. Toen ik wegging heb ik ook afscheid genomen van de familie Gieselink uit Oldenzaal. Zij waren familie van mijn kameraad en ik had dochter Annie een keer thuisgebracht na de kermis. Ze vroegen mij of ze met mij konden schrijven. Ik het begin ontving ik brieven van een zus van Annie, die later in het klooster is gegaan. Later heeft Annie dit overgenomen en we hebben wel 300 brieven geschreven. Toen ik terugkwam kregen we verkering en zijn we getrouwd.

Afsluiting

Op 5 april 1950 kwam ik weer terug in Nederland. Van de buren kreeg ik een fiets en garage Noordegraaf uit Hengelo was verplicht mij weer aan te nemen. Het monteur zijn en de auto’s zijn me in mijn latere leven blijven achtervolgen.

0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand