MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel
Zoeken
Uitgebreid zoeken

De Sprong naar Schepers-Bos in Saasveld

Verhaal

Dit verhaal is geschreven in het blad Eigen Perk 1998/3. We hebben toestemming van de redacteur Eddie de Paepe van het Hilversumse Historische Kring Albertus Perk om dit verhaal over te nemen. Het verhaal begint in Hilversum en na de sprong uit de trein hebben de 4 mannen een maand lang bij Schepers-Bos in Saasveld ondergedoken gezeten. Het verhaal wordt verteld door hen zelf verteld: J.B.oude Weernink, P.J.A. van Midden en G.J.Hofstee. Georg Jutte was op dat moment al overleden.

De Sprong

Het verhaal van vier 'treinartisten'

Door J.B. Oude Weernink, P.J.A. van Midden en G..J. Hofstee

 

ln het kader van het onderzoek naar de Hilversumse dwangarbeiders in Bramsche kwam ik in contact met de heer Oude Weernink, die vertelde hoe hij met nog drie Hilversummers in de buurt van Oldenzaal uit de trein naar Duitsland was gesprongen en ongeveer een maand ondergedoken had gezeten op een boerderij in Saasveld. Een en ander was voor hem aanleiding om zijn medeonderduikers uit die tijd weer eens op te zoeken.

Georg (Sjors) Jutte bleek inmiddels overleden te zijn, maar Piet van Midden, Gert Jan Hofstee en Johan Oude Weernink hebben elkaar na jaren weer ontmoet en hun herinneringen uit die tijd ten behoeve van het onderzoek op papier gezet. Het bleek een dermate boeiend en uitzonderlijk verhaal dat wij hieronder in z’n geheel weergeven.

EJP

De razzia

Op maandag 23 oktober 1944 hield de Duitse bezetter een grootschalige razzia in Hilversum. Alle mannen tussen de 17 en 50 jaar die men te pakken kon krijgen, werden afgevoerd naar het Sportpark. Na een verblijf van een week in Amersfoort werd een groot deel van de groep per trein getransporteerd naar Duitsland,waar ze - soms onder zware omstandigheden - dwangarbeid voor de Duitsers moesten verrichten. Johan Oude Weernink, toen 26 jaar oud, vertelt over de razzia:

Op die dag was ons bedrijf een bakkerij, gesloten op last van de bezetter Om 7 uur 's morgens gingen plotseling de sirenes aÍ, waarvoor was op dat moment nog een raadsel. spoedig daarna werden biljetten aangeplakt waaruit bleek dat de mannelijke bevolking van 17 tot en met 50 jaar verplicht werd zich te melden op 't Sportpark. Na overleg nam ik het besluit, met de twee oudste medewerkers van ons bedrijf (we hadden toen 15 man personeel) naar 't Sportpark te gaan om een Áusweis te krijgen voor deze twee trouwe medewerkers: Cornelis Fakkeldij en Abraham Breed. Om negen uur gingen wij op pad. Bij de vijver van het Laapersveld ontmoette ik Tom Keizer, de bekende politieagent, die mij waarschuwde er niet naar toe te gaan, maar.... teruggaan was niet meer mogelijk. Overal liepen Duitse soldaten. ln het Sportpark werden wij spoedig geholpen. De heren Fakkeldij en Breed kregen hun Ausweis. lk probeerde met allerlei argumenten ook zo'n Ausweis te bemachtigen, maar dat ging niet door!

Na lang wachten gingen wij lopend de Soestdijkerstraatweg op, begeleid door de SS, die voor een deel te paard was. De tocht ging langs Soestdijk en door Soest naar Amersfoort. ln het daar gelegen strafkamp kwamen we om ongeveer 4 uur in de middag aan. Iets te eten was er niet en slapen in de kribben, 3-hoog, was ook een probleem. Vooral de ouderen hadden het slecht, zeer begrijpelijk. De volgende dag gingen we weer op mars, door Amersfoort naar de Willem lll-kazerne (de 'Cavaleriekazerne'), waar we enkele dagen zouden verblijven.Daar kregen we eindelijk iets te eten, al was het maar weinig.

Oude Weernink vervolgt Al in kamp Amersfoort was ik tegen drie kennissen aangelopen. Piet van Midden was een vriend van mijn broer. Hij was samen met een andere kennis: Georg Jutte, die ik zelf nooit eerder ontmoet had. Gert-Jan Hofstee had ik enkele keren eerder in Laren ontmoet' We besloten samen op te trekken en we kwamen zodoende ook op dezelfde slaapzaal in de kazerne. Op de 25ste werden we verschillende keren toegesproken (geschreeuwd) en we moesten ons persoonsbewijs inleveren, want we kregen een Ausweis. Dit was de meest handige truc die ze uitgehaald hebben. Zonder persoonsbewijs was je bijna geheel overgeleverd aan de Organisation Todt (de OT). Weglopen kon je dan nog wel, maar je was uitgesloten van de voedselbonnen, en dus van voedsel. Praktisch iedereen leverde echter z'n persoonsbewijs in.

De bevolking van Amersfoort heeft zich van de allerbeste kant laten zien, want waar wij ook met de stoet langskwamen, telkens werd er van alles naar ons toegeworpen, praktisch allemaal etenswaren, vooral veel brood. De daarop volgende dagen zijn we iedere dag in Hamersveld geweest om zogenaamd verdedigingswerken te maken. Eerst werd er nog wat gedaan, maar op 't laatst werden de schoppen en 't andere gereedschap langs de slootkant gegooid en ging men als het even kon stiekem bij de boerenbevolking thee of koffie drinken. De boerenbevolking heeft zich van zijn beste kant laten zien!

Op zondag 29 oktober moesten wij weer verhuizen, nu van de Cavaleriekazerne naar de Mariastichting. Dat was een zeer grote teleurstelling. Wat we daar aantroffen was onvoorstelbaar! De wc's waren verstopt en de urine liep van de trappen aÍ, naar de benedenverdieping. 't Was een bende, zo vies! Wij zijn na overleg naar boven ge gaan en daar was het beter.

De volgende dag, maandag 30  oktober, moesten we weer normaal naar het werk. Overdag was er niets bijzonders te melden, 's Avonds naar boven en slapen! Om 11 uur werden we echter weer gewekt en moesten we opstaan.

Op transport

Piet van Midden vervolgt: Op de binnenplaats van de Mariastichting moesten we in de regen verzamelen,waarna we werden toegesproken. We hoefden niet bang te zijn, we gingen verderop,maar het moest 's nachts gebeuren vanwege de Tommies, En toen gingen wij de poort uit. Al spoedig hadden we in de gaten dat dit iets meer was dan gewoon verhuizen oÍ 'iets' verderop trekken, want om de vijf meter stond een bewaker met een soort van handmitrailleur Ja, zelfs voor ieder gangetje en portiekje stonden ze. We marcheerden de binnenplaats van de Cavaleriekazerne op. Hier sprak weer iemand. Hij zei dat we naar Zwolle gingen om te graven. We dachten: Oh, zeker een andere groep aflossen, maar toch waren we niet gerust. We kregen brood en... ja, schrik niet: zelfs sigaretten! Dat waren de eersten sinds we opgepikt waren, twee hele sigaretten, Alles extra!  Verderop kregen we één pond boter voor 12 man, en daarna weer in de rij staan. Het was een lange rij waar hier en daar een brandende sigaret te zien was Het regende intussen zo mogelijk nog harder en onze dekens waren al drijfnat. We hoorden vliegtuigen in de lucht en prompt moesten alle sigaretten uit.

En toen gingen we, vrijwel onbewust van de komende dingen. Waar zouden we heengaan? Het ging weer in de richting van de Mariastichting. De bewaking was nog strenger geworden en ontsnappen was hier vrijwel uitgesloten. Maar verder gingen we, de koffers wogen loodzwaar en waren op 't laatst haast niet meer te dragen. Hier en daar werd zelfs een koffer langs de weg gesmeten. We kwamen verschillende ANWB-borden tegen. Dan weer gingen we richting Utrecht, dan weer richting Hilversum. De hoop herleefde; zouden we toch in de buurt blijven? Toen zagen we plotseling het station. Zouden we daar moeten zijn of er voorbij gaan? Er probeerde iemand te vluchten maar hij werd gegrepen. En ja, langzaam boog de kop van de stoet naar rechts, naar het station. Ja, toen begrepen we wel dat we verder weg gingen. Nou ja, dan maar naar Zwolle, daar zouden we dan wel weer zien. We werden opgepropt in een Duits lokaaltreintje, met alleen aan de voorkant van de wagons een deur met een voorbalkonnetje. Met 40 man zaten we in een afdeling voor 24 man. We kwamen boven op elkaar te zitten, en hiertussen moesten dan nog 40 bepakkingen staan. Het was wanhopig. Anderen leunden weer zo'n beetje tegen elkaar aan maar we konden geen voet bewegen. En al spoedig begonnen we last te krijgen van 'slapende voeten en benen'. En dit zou nog 36 uur duren! We zaten diep in de put maar enfin, we dachten: over een paar uurtjes liggen we waarschijnlijk weer in bed.

De trein vertrok. Heel schriel klonk het fluitje van de locomotief. Hoe vaak nog zouden we deze verdomde fluit nog moeten horen? De landkaarten werden hier en daar al tevoorschijn gehaald. Aan vrijwel ieder klein stationnetje stopte de trein, maar altijd net vóór oÍ achter het station zodat we maar moesten gissen waar we waren. Het was echter inmiddels 12 uur geworden, dus dinsdag 31 oktober was aangebroken.

Enkele mannen die reeds veel gereisd hadden, wisten te vertellen dat dit niet de richting Zwolle was. Een soort ongerustheid bekroop ons. Maar dan was er wel weer iemand die wist te vertellen dat de bruggen bij Zwolle en Deventer kapot waren en dat we daarom over Zutphen gingen. Ja,dat was aannemelijk, er werden wel meer bruggen vernield. Het werd intussen ontzettend benauwd in de trein en we waren door en door vermoeid van 't hangen en staan. Om I uur’s morgens kwamen we in Zutphen aan. We gingen de IJssel over. Tot dan toe zouden we nog hebben gezworen dat we de IJssel nooit zouden oversteken.En daar gingen we nu!

In Zutphen

Van 11.30 uur 's avonds tot I uur ’s morgens hadden we in die trein gehangen. Eindelijk konden we eens een luchtje scheppen. Lang niet iedereen ging echter naar buiten. Zij die een zitplaats hadden weten te bemachtigen bleven zitten, want 'opgestaan, plaats vergaan'. Toch waren allen wel vriendelijk voor elkaar. En wij wisselden dan ook herhaaldelijk van plaats. Nu liepen we echter buiten op het station, voorzover men deze ravage nog een station kon noemen. Treinstellen en locomotieven lagen uitgebrand over de rails geslingerd of het speelgoed was. Het station zelf was ook één puinhoop. Het was haast niet in te denken hoe die eens zo indrukwekkende locomotieven daar nu lagen als een hoopje oud metaal. De pakhuizen die langs het station stonden boden al evenzeer dezelfde troosteloze aanblik. Het was kil buiten na die nacht in zo'n benauwde trein. We waren erg stijf, en velen moedeloos.

Tot 12 uur bleef de trein op het station staan en daarna ging het weer langzaam verder. ln de wagon vóór ons zaten een stelletje Duitsers, partijmannen. Het was in één woord een stelletje 'gaaies'. Een beter woord was er niet voor te vinden. Baantjesjagers die ten koste van duizenden een Herrenleben leiden. Daar liepen ze met de handen in de zakken te lachen. Domme koppen hadden ze, ze wisten beslist niet meer dan hetgeen de lagere school hen met de grootste moeite had trachten bij te brengen. Toch hadden ze een mooi pakje aan. Het was Mofrika op z'n voordeligst. Ze hadden een groenteblikje gevonden, en daar stonden ze nu als kleine jongens met hun revolvers op te schieten, alsof ze wilden zeggen: 'ls ikke nou niet groot?' Ja, het waren flinke kerels, om nooit te vergeten,

Inmiddels echter ging de trein verder. Wanneer iemand zijn behoefte moest doen, dan kon dat door het raam gebeuren, voorzover het een kleine boodschap was, Een grote boodschap mocht onder de treeplank gedaan worden, als de trein ergens even stopte. Een vertegenwoordiger van het Herrenvolk deed zijn behoefte ook óp een treeplank. Een Hollander moest toen komen om dit met wat gras te verwijderen! Dit zijn dingen die, al waren ze nog zo klein, men niet licht vergeet. Hier liet de 'partij' weer eens overduidelijk zien wat voor tinnef 't was. De soldaten ran de Wehrmacht vormden met dit stelletje wel een zeer grote tegenstelling.

ln Almen kwamen wij rond 1 uur aan en toen hadden we in de gaten dat we niet naar Zwolle gingen. Hier en daar mompelde men: We zijn verkocht, we gaan naar Duitsland! Dit maakte de toch al zo benauwde stemming er niet beter op. Anderen waren nog optimist en dachten dat er misschien veel spoorlijnen defect zouden zijn en dat we dus met een omweg moesten reizen. Tot vijf uur hebben we daar in Almen gestaan. Toen gingen we verder naar Goor. Hier werd een honderd man weggebracht. Een paar jongens probeerden te vluchten. OÍ zij gegrepen zijn weet ik niet. De één zei van niet, de ander weer van wel. Toen we weer verder gingen bleef  'de partij' echter in Goor,waardoor we alleen nog bewaking van de Wehrmacht hadden. ln Hengelo stopten we weer en we hebben daar geruime tijd gestaan. Ook hier was het één grote ravage. Alles was kapot, projectielen lagen langs en over de banen. Midden in de nacht kwamen we in Oldenzaal aan. Het was toen alweer:Allerheiligen (1 november).

De ontsnapping

Eén van ons maakte een praatje met iemand van de bewaking en begreep dat nu de kans kwam om te vluchten. Het was ongeveer vier uur in de ochtend. We zouden een luchtje gaan scheppen op het voorbalkonnetje, maar we begrepen wel dat er iets meer aan vast zat. We keken nog eens naar onze andere vrienden. Ze gaven taal nog teken.Ze hingen oÍ leunden ergens tegenaan, maar er zat geen greintje fut meer in. Zeggen dat we van plan waren om er tussenuit te knijpen kon niet. Dan had de hele coupé op z'n kop gestaan en was het plan waarschijnlijk mislukt. We hadden zelf niets afgesproken, alleen toen er iemand begon over een luchtje scheppen op 't balkon begrepen we dat het nu moest gebeuren. Drie vreemden hadden 't blijkbaar ook in de gaten want ook zij kwamen op 't balkonnetje staan.

Nog stond de trein op het station stil. Toen ging plotseling voor de zoveelste maal dat vervl.... fluitje en kwam er een soldaat van de wacht voor de laatste maal voorbij. We boften, we werden niet eens naar binnen gestuurd. De trein vertrok. Even buiten Oldenzaal had hij een vaart van ongeveer 30 km/uur. Zeven man: Georg Jutte, Gert-Jan Hofstee, Johan Oude Weernink en ikzelf, en nog drie anderen. We sprongen. Georg eerst, toen ik en verder weet ik het niet meer. Een doffe sprong in het grint, even meelopen en dan... weg ! We sprongen in een sloot die vrij diep was, maar het was schemer en we konden niet veel zien. lk liet me op mijn zij naar beneden rollen. Plons in het water. Kletsnat. De trein ging voorbij. Iets verderop zag ik nog iets in de sloot zitten, het was Georg. Even een zacht fluitje en weg waren we weer achter een stelletje struiken zo'n twintig meter van de spoorbaan af. Het was toen half vijf.

Toen maar wachten op de anderen. Nog drie man kwamen aanlopen, maar het waren de onbekenden. We gingen iets terug en probeerden zachtjes te fluiten. Eindelijk kwam ook Gert-Jan aanzetten, maar Johan was nergens te zien. Georg moest uit de broek en gebruikte zijn Ausweis als wc-papier. De drie onbekenden gingen verder en wij wachtten aÍ oÍ Johan nog zou komen. Waar zou hij toch zitten? Langer wachten zou voor ons onverantwoord zijn.

Gert-Jan Hofstee over de ontsnapping: Onderweg in de trein hadden we al gemerkt dat onze Duitse bewakers stevig dronken. Net voorbij Oldenzaal was er dus een mooie - en laatste! - kans om er tussenuit te gaan. Piet, Georg en ik sprongen links van het open voorbalkon, Johan rechts. En zo belandden we in die vroege morgen in een natte sloot. Wat te doen? Rondom slechts weilanden en een enkele boerderij. ln onze natte plunje (en koud!) zijn we naar een boerderij gelopen waar we in de stal licht zagen branden. De boer zat daar te melken en na ons korte verhaal zei hij: 'Meteen de hooizolder op. Straks komen de Duitsers telefoonkabels ophalen, want ze zijn al op de 'terugtocht'. Wij met z'n drieën naar boven, het hooi in en inderdaad: om circa 8 uur kwamen ze de spullen ophalen en ... vertrokken. Toen hebben we echt angst gehad!

Daarna kwam de boer zeggen dat alles veilig was en mochten we naar beneden. Toen ging voor ons 'de hemel open'! om beurten mochten we met onze voeten in de warme oven van het fornuis, om te ontdooien. De warmte ging door je hele body, zalig! We kregen zelfs iets te eten. Je zou je bord erbij opgegeten hebben. Een schat van een boerin! Maar toch waren we erg ongerust over Johan. Hoe zou het hem zijn vergaan? Leeftie nog? Laat om ongeveer 12 uur Johan met een begeleider komen aanlopen! We konden wel janken toen we hem weer heelhuids zagen.

lnmiddels...

Johan Oude Weernink had inmiddels heel wat beleefd: Op het station Oldenzaal ontdekte één van ons dat er niet langer bewaking op het voorbalkon zat. Onmiddellijk overlegden we met elkaar en besloten zo spoedig mogelijk de benen te nemen. Snel maakten we enige afspraken: pas buiten het station eruit springen, twee links en twee rechts en als we eruit zijn beslist niet door fluiten oÍ roepen de aandacht proberen te trekken om elkaar te vinden.

Het was nog aardedonker toen we uit de trein sprongen. lk sprong aan de andere kant uit de trein dan de anderen en toen de trein uit het zicht verdwenen was kon ik geen contact met ze krijgen. lk zocht dus maar mijn eigen weg terug in de richting Oldenzaal. Na een kwartier in een weiland gelopen te hebben, zag ik in de verte licht branden en vermoedde dat het een boerderij was. Ik ging dus maar op dat licht af. Bij de boerderij gekomen drukte ik op de bel, maar zag direct daarna een bordje naast de deur: Deutsche Diensstelle. Angst en verwarring maakte zich van mij meester:ik had bij het hol van de leeuw aangebeld! Maar weglopen kon ook niet meer. Na korte tijd kwam er een militair aan de deur die vroeg wat ik wilde. lk vroeg hem of Hauptmann Sleicher aanwezig was, waarop hij antwoordde dat hij die naam niet kende. Dat kon uitkomen, want ik had de Hauptmann ter plekke verzonnen. De militair vroeg vervolgens wat ik dan wel van die Hauptmann Sleicher wilde weten. Waarop ik hem vertelde dat mijn zaak zeer privé was Na nog enig gesteggel waar hij niets wijzer lan werd, stelde de militair voor om mee te gaan naar de dichtstbijzijnde locatie waar meer militairen waren. Misschien dat die meer wisten van de Hauptmann. Hier moest ik wel mee akkoord gaan; weigeren zou hem wel eens achterdochtig kunnen maken.

Samen met die militair ben ik naar een groep soldaten gegaan die daar verzameld waren en opnieuw vroeg ik naar Hauptmann Sleicher, maar niemand had - begrijpelijk - van hem gehoord. Om uit de moeilijke en gevaarlijke situatie te geraken stelde ik hen voor om zelf even naar het station te gaan. Daar waren immers een aantal militairen gestationeerd. Dit verzoek werd positief ontvangen door de leiding van de groep en ik vertrok weer richting Oldenzaal.

Piet van Midden: Johan sprak ineens prima Duits. Voor hem was het een hele prestatie om 'zo'n eind over de grens te spreken'; al zijn talenkennis was hier bijeengeraapt.

Oude Weernink: Lopend over binnenwegen en door weilanden ontmoette ik een vroege wandelaar die een gesprek met mij aanknoopte. Hij merkte op dat het in Oldenzaal vrij rustig was. Ik vroeg hem de snelste weg naar een katholieke kerk, waarop hij me verwees naar de Antoniuskerk. Na een half uurtje lopen klopte ik daar bij de pastorie aan en werd door de huishoudster na een kort gesprek binnengelaten. Nadat ik de reden van mijn bezoek had uitgelegd, werd er voor mij een ontbijt klaargemaakt. Daarna kreeg ik nog de gelegenheid me op te frissen en ontving ik schoon ondergoed.

De pastoor van de Antoniuskerk wilde uit angst echter geen onderduikers in huis halen en verzocht mij - overigens op zeer correcte wijze - om naar de pastorie van de Drievuldigheid-kerk te gaan. Bij die pastorie aangekomen ontdekte ik echter dat deze door Duitsers bezet was. Er zat dus niets anders op dan plaats te nemen in de kerk zelf en de Vroegmis bij te wonen.

Na de Mis ging ik lopend het centrum van Oldenzaal in. Vrijwel onmiddellijk werd ik op m'n schouders getikt. Een man waarschuwde me dat ik door mijn onverzorgde kleding erg in de gaten liep en vroeg mij dan ook hem te volgen naar zijn woning. Daar aangekomen maakte hij zich bekend: de heer Ancone, lid van de ondergrondse verzetsbeweging. ln zijn huis zaten onderduikers: Hollandse mannen en zelfs een Russisch meisje dat naar Duitsland gesleept was voor de Arbertseinsatz en van daar uit gevlucht was.

Mijn drie mede-Hilversummers waren inmiddels ook gevonden en de heer Ancone bracht mij weg naar een boerderij, waar we elkaar weer troffen. Die avond zijn we met z'n vieren, onder leiding van de heer Ancone, naar Saasveld vertrokken.

ln Saasveld

Gert-Jan Hofstee: omstreeks 4 uur in de middag werden we onder begeleiding naar ons onderduikadres gebracht. Dat was in de boerderij van de familie Schepers Bos in Saasveld, een gehucht dat ongeveer 10 kilometer van Oldenzaal lag, ongeveer halverwege die plaats en Almelo. Het gezin Schepers Bos bestond uit Vader; Moeder; Johan, Gerard en Annie. Hierzijn we een maand gehuisvest geweest en we hebben het fantastisch gehad! Deze familie (helaas is alleen nog zoon Gerard in leven) heeft 'de hemel op aarde' verdiend.Men beschermde ons, gaf ons te eten, waarschuwde in geval van onraad. Ze hadden al ongeveer 20 onderduikers, waaronder 2 of 3 Rijksduitsers die gedeserteerd waren!  Voor deze mannen, maar zeker ook voor de familie Schepers Bos een levensgevaarlijke situatie.

Oude Weernink: het was zo'n typisch Twentse boerderij. lk herinner me dat we met een man of dertig aan tafel zaten: onderduikers, evacuées etc.en drie Rijksduitsers. De eettafelstond op de deel,want in de woonkamer was niet voldoende plaats voor zo'n grote groep. De zoons Schepers zaten 'zwaar in het verzet'. Bang waren ze niet bepaald uitgevallen. Een van de zoons zei eens: als zij uit een trein durven te springen, dan durf ik ze wel onder te brengen.

Piet van Midden: We waren al spoedig de beste maatjes met allen. ledereen deed voor ons wat ze konden. Moeder Schepers Bos brak zelfs haar laatste pakje echte thee voor ons aan. Ook uit het dorp Saasveld kwam direct hulp. Al op de tweede dag na onze aankomst kwamen van alle kanten mensen uit Saasveld aanzetten, want in minder dan geen tijd wist heel het dorp het relaas van de vier 'treinartisten', zoals we genoemd werden. Op de boerderij sliepen we in een hol dat in het hooi op de zolder boven de stal was gemaakt. Dat hol was echter erg tochtig en bovendien erg laag en klein. We lagen er als haringen in een ton en bewegen ging gepaard met een serie verwensingen van je buurman. Maar desondanks bleef de stemming tiptop en we hebben heel wat afgelachen. Er was echter nog een tweede schuilhol, een takkenbossenmijt. Dat zag er keurig uit, er was ook licht in en het was afgedekt met zeildoek, alleen was het van buiten erg gehorig. We konden daar inkruipen als er Duitsers in de buurt waren. Regelmatig ging het gerucht dat er weer een razzia op komst was. Soms was het loos alarm, maar enkele keren waren er inderdaad razzia's in de omgeving,soms zelfs aan de andere kant van Saasveld. Ook op de boerderij van de familie Schepers Bos kwam eens een groep Duitse soldaten aanlopen. Wij, de onderduikers, hadden ons allang verstopt in een bos verderop, maar later hoorden we dat de Duitsers gedreigd hadden met inkwartiering van 20 á 30 soldaten. Ze kwamen de huisvesting maar eens bekijken, zeiden ze, maar ze lieten wel merken dat het afgekocht kon worden met een paar kilo boter. Omdat boer Schepers Bos Duitse inkwartiering uiteraard al helemaal niet kon gebruiken, kregen ze die boter inderdaad mee. De volgende dag hoorden we dat ze veel boerderijen langsgegaan waren met dat verhaal en dat het dus om een roofpartij was gegaan.

Ons slaaphol boven de stal ging ons op den duur knap vervelen. Wel hadden we er inmiddels een radio staan, maar het bleef veel te klein en je moest acrobatische toeren uithalen om erin te komen. Na een week oÍ drie hebben we het vernieuwd. Het werd veel groter en vooral hoger. Prima beschottenertegenaan, zodat je niet meer hooi lag te happen. Het werd ongeveer zes meter lang, twee meter breed en anderhalve meter hoog. Verder een voorportaal met closet en twee prima afsluitingen. We hadden elektrisch licht, de radio natuurlijk en nu kwam er ook een kruisbeeld en een wijwaterbakje. Zelfs onze kleren konden we op hangertjes er in weghangen. Rondom zat het hooi enkele meters dik. Het hol was praktisch onvindbaar. Met een trap moest je er naartoe, en als we erin waren werd die weggenomen en 't kleine gaatje waardoor we naar binnen gingen prima afgesloten. lk geloof wel dat 't de meest comfortabele en praktische schuilgelegenheid van de hele omgeving was.

Oude Weernink: Eten was eÍ op de boerderij uiteraard voldoende. Wij maakten ons nuttig door de afwas te doen en aardappels te schillen, hele emmers vol. Tuffels jassen heet dat op z'n Twents. Af en toe gingen we op het land knollen steken, die als veevoeder gebruikt werden. Ook hebben wij een dag meegeholpen om twee vertrekken watervrij te maken die nat waren geworden door hevige regenval. Het was een geweldige tijd die we daar doorgebracht hebben, maar we wilden wel weer naar huis. We maakten ons ongerust omdat we over de honger in het westen hadden gehoord.

Ook hoorden we op de radio dat de geallieerden een raketaanval op Hilversum hadden uitgevoerd, wat overigens achteraf niet waar bleek te zijn. Via de contacten van de familie Schepers Bos werd er het een en ander voor ons geregeld en op 28 november reden we bij vier Twentse boerenzoons achterop de fiets naar Almelo. Daar kregen we valse reispapieren en vonden we een plaatsje in een Wehrmachtstrein (!) tussen Duitse militairen en afgekeurde Rotterdammers en reden we naar Utrecht, waar we in de vroege ochtend van de 29ste aankwamen. Van daar uit moesten we verder lopen en zo bereikten we Hilversum weer.

Daar zaten we dan, maar zonder papieren. Ons persoonsbewijs hadden we in Amersfoort moeten afgeven. Maar via de ondergrondse kreeg ik een vervalst persoonsbewijs uit Nederhorst den Berg. Dokter Brussel van het Arbeidsbureau bezorgde me vervolgens een Ausweis, een papiertje waaruit bleek dat ik absoluut ongeschikt was voor de OT. Dat was wel niet zo, maar als de Duitsers weer eens zin kregen in een Razzia, maakte de ondertekening door een Vertrauensarzt toch indruk. Uiteindelijk heb ik mijn eigen - echte – persoonsbewijs van de Duitsers weer teruggekregen. Dat hadden ze al die tijd zuinig bewaard en stuurden ze netjes per post terug.

Auteur:Eigen Perk 1998/3 van de Hilversumse Historische Kring Albertus Perk met toestemming geplaatst door Heemkunde oalde gemeente Weersel
Trefwoorden:Tweede Wereldoorlog, Onderduikers, Tewerkstelling, Duitsland, Kamp Amersfoort, Treinsprong, Saasveld
Personen:Johan Oude Weernink, Piet Van Midden, Georg Jutte, Gert-Jan Hofstee
Periode:1940-1945
Locatie:Saasveld
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand