MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel
Zoeken
Uitgebreid zoeken

B.C.H.Morsink Vollenbroek:de Razzia om de achterhoek van de Westrik en een deel van Noordik (Dulder Saasveld)

Verhaal

Een verhaal van B.C.H.Morsink Vollenbroek uit het archief van André Hottenhuis

Het was november 1944 toen we bij ons in de buurt razzia kregen. Op stille vrljdag 1944 toen politieagent Ebbens met een Duits officier de buurt introk en inkwartiering voor soldaten die van het front kwamen besprak. Ebbens en de officier hadden honger, we moesten eieren en spek bakken, en ze hebben heerlijk gegeten.
We kregen een Oostenrijkse officier ingekwartierd in de voorkamer. Bij Meuskeman Wilghuis Vollenbroek en de Hofboer werden in totaal ongeveer 100 soldaten ingekwartierd.
Overdag werd geoefend, geschoten en gemarcheerd, er werden mooie marsliederen bij gezongen. O.a. "Hailee, hailo de een die heit Veronica en de andere heit Marie" enz.
Ze stelden een spert[d in, en je mocht's avonds na acht uur niet op straat komen. Een keer in de maand hadden ze feest, er werd heel veel bij gedronken. Hof Herman was op een morgen aan het melken, toen er een bezopen soldaat van de zolder voor de koeien viel, de koeien schrokken en Herman was bijna onder de koeien gekomen. Na ongeveer vier maanden hadden de soldaten hun accu opgeladen, en moesten ze weer naar het front.

Waarom deze razzia?
In huize Lidwina in Zenderen had de Twentse verzetsbeweging haar hoofdkwartier volgepakt met wapens, munitie, motoren en allerlei uniformen. Er was ook een elektrisch waarschuwingssysteem en een eigen zendstation voor contact met Londen. Onder druk van de omstandigheden nestelden de kopstukken van het Twentse verzet zich meer en meer in Zenderen onder commando van de onbetwiste leider, de 31-jarige Enschedese bakker Johannes ter Horst. Op grond van kennis, daadkracht en onverschrokkenheid, wist hij samen met zijn onafscheidelijke kameraad Rooie Geert dertien knokploegactiviteiten
glorieus af te sluiten,
Mede daardoor kon Huize Lidwina zich ontwikkelen tot een goed geleid hoofdkwartier. Dag en nacht hielden de wachtposten bij, het door bos omgeven, Huize Lidwina de wacht.
In september 1944 ontwikkelde het Zenderse hoofdkwartier een orkaan van overvallen op treinen, tunnels, sluizen, gevangenissen en banken. Twente dreunde van explosies.
Johannes ter Horst tuft op 22 september 1944 per motor naar Almelo, om zijn gewonde kameraden te bezoeken, zeer tegen de zin van zijn medestrijders in. Alleen Duitsers zijn gemotoriseerd, de rest is verdacht. Prompt wordt de eigenzinnige Johannes aangehouden en hij schiet een Duitser neer. Na een wilde achtervolging wordt hij gearresteerd, in het bezit van een vals persoonsbewijs, en een lijst van mededeling, waardoor het spoor naar Huize Lidwina leidde.
Als Johannes niet terugkeert slaan ze in Zenderen alarm. Kopstukken verlaten de villa, en brengen de nacht door bij boeren in de omgeving. De volgende dag verschijnt er een dertig man sterk commando van de Sicherheitsdienst bij huize Lidwina, het wordt omsingeld, leeggeroofd en daarna opgeblazen. De achtergebleven vader Hilbrink, zoon Coenraad en de toevallig aanwezige verzetssstrijder Dick Ruiter moesten het met de dood
bekopen. Nog diezelfde dag 's avonds wordt Johannes ter Horst dichtbij Usselo doodgeschoten.
Daarna neemt Coen Hilbrink, de latere voorzitter van FC Twente, de leiding over. Ontredderd, hun fietsen bepakt met wapens, munitie, radio's, stafkaarten en handgranaten, verdwijnen de kopstukken over de landweggetjes naar het erve Juninck, de Pan, in Saasveld het nieuwe hoofdkwartier.
Bij Juninck zijn ook onderduikers, waaronder een Joods meisje, dat erg loslippig is, en zodoende een gevaar voor de groep vormt. De kopstukken zien geen andere oplossing, dan haar neer te schieten.(Het Joodse meisje Jetty is uiteindelijk niet geliquideerd. Ze was bij Juninck ondergedoken en werd verdacht van omgang met Duitsers. Juninck heeft haar meegenomen naar de gierkelder en gezegd dat die haar graf zou worden als ze ook maar iets zou ondernemen. Vanaf die tijd heeft ze zich goed gedragen. Ze heeft de oorlog overleefd. Bron De Ondergrondse van Coen Hilbrink pag. 77)

Maar hierdoor keerde de rust niet terug.
Na drie weken chaos, wordt de grond in Saasveld te heet onder de voeten.

Beschermd door de duisternis pakken ze de biezen, en verdwijnen naar Hezinge bij Vasse.
Er werden door Engelse vliegtuigen wapens gedropt, in en nabij Juninck, en door speciale vangnetten opgespoord. De Duitsers hadden een sterk vermoeden en kregen het in de gaten. Vandaar de razzia bij ons in de buurt.
Ze moesten alle mannen uit de buurt van 18 tot 40 jaar hebben. Ik was het allereerste slachtoffer. Op een novembermorgen in 1944 moest vader naar het ziekenhuis om zich te laten behandelen voor poliepen in de neus. Mijn oom zou hem naar het ziekenhuis brengen, en ik zou daar 's morgens werken. Toen ik bij de driesprong was, hielden vier Duitsers mij aan en vroegen naar mijn ausweis. Die had ik niet bij me, en een Duitser ging met me mee naar huis, hij bleef buiten staan en ik kon mijn ausweis halen.
Maar er was ook veel geluk bij want de oude Meuskeman had alles gezien, en kon zodoende zijn zonen en onderduikers waarschuwen. Santje Lenfert en Marie Pol kwamen 's morgens uit de kerk, ze hadden het ook in de gaten en waarschuwden de achterbuurt.
Zo kon er veel ellende worden voorkomen. Bij Meuskeman werd het hele huis doorzocht, ze vonden de foto's van Henk en Lucien. De Duitsers gingen met de foto's naar de oude Meuskeman, en zeiden dat de jongens te voorschijn moesten komen, anders schoten ze de hele boerderij in brand. Ze stelden, voor het huis, de mitrailleurs op. De jongens zaten op de dubbele hooizolder en hadden alles gehoord en toen de Duitsers buiten waren, kwamen Henk en Lucien te voorschijn. Nu waren de Duitsers tevreden, ze namen de jongens mee en gingen verder.
Jan Meier waarschuwde de Hofboer, de vrouw des huizes was jarig, en hij had 's middags lekkere pudding gegeten. De nacht daarop hebben mijn broers Jan en Gerard en Meuskemans Hendrik en Bernard bij Lenfert Naats (Weemselo) op de zolder geslapen.
De duitsers hadden ongeveer 30 man bijeengebracht. Ik wilde bij de Hamschoelt in de aardappelkelder onder de dekkeplaggen kruipen, maar mijn oom raadde mij dit af, hier heb ik later spijt genoeg van gehad. Om drie uur na de middag, werd alles gesorteerd in twee groepen. De ouderen boven de 50 jaar en jongeren onder de 17 jaar konden naar huis. Later kreeg Oude Meiers wegens melkmonsteren en Jan Alberink wegens het sterfgeval van zijn vader ook vrij.
De rest kon per voet naar Oldenzaal, de gevangenis in. Begeleid door Duitsers, drie man naast elkaar, ze schreeuwden: "Drei man, schnell, immer schnell, du kennst noch nichts".
Maandagavond om zeven uur waren we in de gevangenis van Oldenzaal. Daar zat je dan. De volgende dag kregen we bezoek van de vrouwen, mijn zuster was er ook bij. Mannenbezoek was te gevaarlijk. Het gebouw was van buiten niet afgezet, er waren 3 gevangenisbewaarders, en we zaten met drie man in een cel.
Ik heb de volgende dag direct een vluchtpoging voorgesteld. Aan de buitenkant van de cel, op een hoogte van twee meter zat een raam met ijzeren staven erin. Als de meisjes bij een volgend bezoek enn ijzerzaag en een touw meebrachten, kon je op elkaar klimmen en de ijzerstaven 's nachts doorzagen en opbuigen. Allemaal eruit en de laatste kon je er met een touw uithalen. Het ging niet door, de andere jongens waren te bang voor vergeldingsmaatregelen,
gijzelaars enz. Dan maar naar Duitsland, je kwam steeds verder van huis.

Donderdag was de bedoeling dat we naar Duitsland gingen maar het werd een dag uitgesteld vanwege de hevige geallieerde bombardementen. Vrijdagmiddag kwam de veewagen voor de gevangenis rijden, we werden ingeladen en om vijf uur waren we bij de Lowische school in Gronau. Na een verblijf van twee uur moesten we daar weg, en onder begeleiding van soldaten zijn we naar de Wilhelminaschool gebracht en daar hebben we overnacht. Twee Duitse soldaten kwamen met een jongen uit Borne binnen, Van Veen heette hij, en was 20 jaar. Hij was gevlucht uit Berlijn en in Gronau opgepakt.
's Avonds in de school had ik al gehoord, wat er de volgende morgen zou gebeuren. De ouderen gingen met de trein om te gaan werken en zouden 's avonds terugkomen. De jongeren, ik was 22 jaar, gingen ver Duitsland in en zouden niet terugkomen. 's Morgens vroeg werd de school ontruimd, er zat wel 150 man in, en we moesten allemaal naar buiten, onder de verlichting. Een Duitse officier riep de namen af, degene die hij afriep moest naar binnen gaan, de rest bleef buiten, kon een schop pakken, en kon per trein naar het werk gaan, en 's avonds weer in de school eten.

Ze riepen mijn naam ook af, maar ik ging niet naar binnen, pakte de schop en ging met de grote groep mee. Onderweg sprak ik iemand uit Glanerbrug, die had een pas en ging in Gronau werken. Hij zou me naar de grens brengen. Ik gooide de schop weg en liep op een afstand van honderd meter achter de man met de fiets aan. Een kilometer voor de grens stopte hij, en wees mij de weg. Ik moest tweehonderd meter door het weiland en dan in een groot bos blijven zitten, tot het nacht was, dan kon ik er zo over.
De man ging weg, maar ik was nog geen honderd meter in de wei, toen kwam er al een Duitse soldaat op de fiets aan. Hij riep: "Sta of ik schiet". Ik ging naar de man toe, vertelde mijn verhaal, en ik moest tien meter voor de fiets blijven lopen. Ik mocht niet hard lopen, dan veronderstelde hij dat ik wilde vluchten en zou hij schieten.

Hij bracht me naar een groot kantoor waar enige soldaten zaten. Ik vertelde dat ik onderweg naar de trein, van mijn kameraden had gehoord dat ze mijn naam hadden afgeroepen, en ik bij de andere groep behoorde, en op de terugweg naar de Wilhelminaschool verdwaald was. Ze vertelden mij dat ik mijn haar er kaal afkreeg en twee jaar naar de strafgevangenis moest. Toen brachten ze me naar een andere afdeling, ik vertelde iedere keer hetzelfde en uiteindelijk geloofden ze het verhaal.
Een man in burger bracht me terug naar de Wilhelminaschool. De jongens zaten daar nog en vroegen: "Meier wat heb je gehad?" , ik zei niets, ik heb ook niets verteld.
Toen kwam er een chauffeur binnen, die vroeg of er nog jongens waren die niet weg hoefden, hij moest met lossen en laden nog een paar man erbij hebben. Ik zei tegen de chauffeur "Ik hoef niet weg, ik ga met jou mee", en ik zat onmiddellijk achter op de vrachtwagen. Ik hielp mee lossen en laden door heel Gronau, om kazernes en winkels te bevoorraden. Ik heb de jongens 's middags zien vertrekken op het station van Gronau. Ik ben na de middag bij de Wilhelminaschool geweest met de chauffeur om koffie te drinken. Daar zaten ook Hollandse NSB-ers, ze vroegen hoe dat kon dat ik hier nog was,
rk zei dat ik hier nog moest helpen. Ze zeiden tegen me: "Morgen is het zondag, dan is er geen werk, dan moet je verderop". Ik had alles in de gaten, en ik dacht bij mezelf, ik kom hier vanavond niet meer terug. Het was zaterdagavond november 1944,6 uur, het werk was af, en ik ben niet meer teruggegaan naar de Wilhelminaschool.
Ik wist de hoofdweg Gronau, Glanerbrug heel goed, daar ben ik langs gelopen. Ik kwam wel Duitsers tegen, maar die lieten me wel lopen. Na enige uren kon ik de douane op straat in de verte zien staan, toen ben ik gestopt.
Na een tijdje wachten hield ik een man aan met een broodtrommel achterop de fiets. Hij kwam uit Glanerbrug en had een pas, hij vertelde mrj dat zaterdagsavonds de grens met al die grens commiesen goed is afgesloten en je er dan niet doorkwam. Ik moest gewoon langs de douane lopen, en dan had je kans dat ze denken dat je een pas hebt en hopen dat ze niet controleren. Dat heb ik gedaan, ik was er al vijftig meter over, toen kwamen ze
me na, en vroeger beleefd of ik een pas bij me had. lk zei; "Nee, ik werk in Gronau, en geeft kostgeld in Glanerbrug, het is in werking en binnen een week heb ik een pas" . Ze geloofden er niks van en namen me mee naar 't douanekantoor.
Dat was een groot gebouw wel veertig meter lang, het lag in het verlengde van een breed water. Langs de muur en 't water was een houten bruggetje waar je langs kon lopen, de deur van het kantoor zat op de hoek, langs het water. De twee Duitsers liepen voor me uit en gingen het kantoor binnen, ik liep langs 't water, en snel kroop ik onder de brug. Ze hebben alles afgezocht liepen langs 't bruggetje met een zaklantaarn, ze lichten in 't water, en zeiden tegen elkaar "Die is weg". Als ze onder het bruggetje hadden gelicht hadden ze me gehad.

Ik ben wel twee uur stil blijven liggen, als ik onder de brug heen keek, kon ik de douane op straat zien controleren. Ze waren ongeveer twintig meter van me af.
T'oen alles rustig was, ben ik onder langs het gebouw gekropen, en uiteindelijk onder het bruggetje heen gekomen. Daar kon ik verder van de straat afkomen en me verschuilen in struikgewas. Ik had het water gepeild, het was ruim een meter diep. Daar ben ik doorheen gegaan. Ik ben nog een keer over een vier meter hoge prikkeldraadversperring heengegaan, daar zat geen stroom op. Je begon bij de paal dat was heel gemakkelijk.
Toen was ik in Glanerbrug.

Na enige tijd zwerven kwam ik 's nachts drie uur bij Arendsen in Glanerbrug terecht, dat was nog familie van onze buurman Hofboer. Daar werd ik vriendelijk ontvangen, heb mijn natte kleren uitgetrokken en er overnacht.

De volgende morgen, 't was zondag, zijn we vertrokken. Arendsen had een fiets, en ik had een fiets met zijn zestienjarige dochter er achterop, en zij kon bij de terugtocht fietsend de fiets weer meenemen. Omstreeks twee uur zondagmiddag waren we weer bij de Meier in Saasveld.

Je zult je afvragen was je niet bang? Helemaal niets, ik was er doorheen, het kon me niets schelen. Ik had maar een doel, naar huis, maar je moet wel êen beetje geluk hebben.
Het was een rare beweging, een poosje later kregen we van de gemeente bericht, ik kon geld halen omdat ik een week in Duitsland gewerkt had. Ik ben er niet heen geweest, Truus heeft het geld nog opgehaald.

Hoe is het met de andere jongens gegaan? Ze zijn toen zaterdagsmiddags vertrokken per trein, ik heb ze nog zien instappen, ze zijn ver in Duitsland dicht bij Berlijn geweest. Daar hebben ze drie maanden gewerkt. Toen is er een man uit Oldenzaal, die goed bevriend was met de Duitsers, per trein heengereist. Hij had een lijst met namen bij zich.
Hij heeft tegen de werkgever gezegd dat hij die jongens mee moest hebben voor arbeidsinzet in Gronau, dat is hem gelukt.

Hij heeft ze in Gronau aan de grens in een bos gebracht, en gezegd dat er aan de andere kant van de grens 's nachts een zwaailicht te zien was, ze moesten daar heen lopen. Dat is prima gelukt behalve Scholten Kroon die was verdwaald. Ze hebben hem opgepakt, maar ook weer vrijgegeven, omdat hij ondervoed was en vol exceem zat. Hij is nog een poosje in het ziekenhuis geweest. De andere jongens waren gezond, maar verschrikkelijk mager.
Het voornaamste is dat alles toch nog goed is afgelopen.

B.C.H. Morsink Vollenbroek (geb.21-12-1922 overleden 23-6-2000)

Auteur:B.C.H. Morsink Vollenbroek (*1922-†2000) verhaal gevonden in archief André Hottenhuis bij Heemkunde Weerselo
Trefwoorden:Tweede Wereldoorlog, Razzia, Tewerkstelling, Onderduikers, Dulder, Vluchten, Zenderen, Huize Lidwina
Personen:Morsink Vollenbroek, Juninck, Huize Lidwina, Hilbrink
Periode:1940-1945
Locatie:Dulder, NL, Saasveld
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand