MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Henny Huisman

Verhaal

Henny Huisman

Henny Huisman (Zaandam 1951) verwierf in de laatste decennia van de 20e eeuw bekendheid als TV presentator van de playback shows, de soundmix shows en de surprise show. Zijn voorvader Willem Nieuwenhuijse kreeg in januari 1824 een aanstelling als zaalopziener in de Ommerschans. Lees hier hoe het komt dat Henny Huisman in een katholiek gezin is geboren.

Henny's grootvader Hendrikus Josephus Dijkstra (Zaandam 1903 - Zaanstad 1980) was typograaf. Diens vader, Wietse Dijkstra (Ten Boer 1871 - Amsterdam 1937), verdiende de kost bij één van de grootste werkgevers in de Zaanstreek, de Artillerie Inrichtingen, een bedrijf waarvan de geschiedenis terug gaat tot 1679 en dat in 1897 een nieuw filiaal stichtte op het Hemveld onder Zaandam. Dijkstra was daar medewerker van het eerste uur.

Wietse Dijkstra was gehuwd met Gerarda Willemina Nieuwenhuijsen (Utrecht 1870 - Zaandam 1931), kleindochter van de hoofdpersoon van dit verhaal.

Hennie Huisman overzicht.jpg

Willem Nieuwenhuijse is gedoopt op 27 oktober 1873 in de Grote Kerk van Den Haag. Hoewel de belangrijkste archiefinstellingen van het land in Den Haag zijn gevestigd, loopt de Hofstad anno 2020 bepaald niet voorop in het online toegankelijk maken van lokale bronnen. Daardoor blijft de nodige informatie vooralnog aan het zicht onttrokken. Op de website van het Drents Archief vinden we Willem in de kolonistendatabase. Daar is vastgelegd dat hij op 10 november 1823 "bij engagement" is aangesteld als zaalopziener in het tweede gesticht te Veenhuizen II op het standaard salaris van f 5,20 per week. Hij werd in Veenhuizen ingeschreven met zijn 14-jarige dochter Wilhelmina Johanna. Willem's echtgenote Johanna Adriana Hogenstrijd is op 30 december 1821 in Den Haag overleden. In haar overlijdensacte zien we dat Willem gepensioneerd militair is.

Het tweede gesticht in Veenhuizen is net als de beide andere gestichten gebouwd als wezengesticht. Het werd in 1823 voltooid, waarop het personeel werd geworven. Maar toen de toeloop van wezen naar Veenhuizen achterbleef bij de hooggespannen verwachtingen van stichter Johannes van den Bosch, werd besloten om het tweede gesticht vooralsnog leeg te laten en het personeel over te brengen naar de andere gestichten. En zo moet Willem Nieuwenhuijse met zijn dochter in januari 1824 zijn overgeplaatst naar de bedelaarskolonie Ommerschans. Daar vinden we hem voor de eerste maal op 22 januari 1824 als hij zich met een collega meldt op het gemeentehuis van Ommen om aangifte te doen van het overlijden van de 12-jarige koloniste Bellalonie la Grom.

18240122 overlijden Bellalonie la Grom.jpg
bonmama.nl - familysearch.org - overlijdens Stad Ommen 1824

Het meisje was een jaar eerder, op 4 januari 1823, op Ommerschans aangekomen met een transport vanuit het gesticht te Bergen-Henegouwen. Ook in het inschrijvingsregister staat dat de namen van haar ouders niet bekend zijn.

1823 0137.01_422_0096.jpg
bonmama.nl - Drents Archief 0137.01_422_006 Inschrijvingsregister Ommerschans 1823

Het transport uit Bergen-Henegouwen bestond uit 19 personen, waarvan er op 30 juni 1823 vijf werden terug gezonden naar de Zuidelijke Nederlanden, omdat ze invalide waren en en niet in staat om te werken. Van de overige 14 overleden er vier in 1823 en 1824, waaronder de jonge Bellanile. Toen Jacob van Lennep en Dirk Hoogendorp in de zomer van 1823 een bezoek brachten aan de Ommerschans, liep Bellanile daar nog rond. Waarschijnlijk heeft het meisje gespeeld met Willem's dochter, want binnen het gesticht liepen de kolonisten en de gezinnen van opzieners door elkaar.

Eigenlijk is binnen de Ommerschans de regel dat zaalopzieners gehuwd moeten zijn met een opgroeiend gezin. Ze wonen binnen het bedelaarsgesticht (dat in die dagen het Etablissement werd genoemd) in een ruimte tussen twee zalen. In die ruimte bevindt zich ook de keuken waar het eten bereid wordt voor de 80 kolonisten die aan de zorg van de zaalopziener zijn toevertrouwd. Het is normaal gesproken de vrouw van de zaalopziener die daar de scepter zwaait, bijgestaan door haar kinderen en een aantal kolonisten. Maar Willem was aangenomen als kolonistenvader in Veenhuizen, waar hij de leiding zou krijgen over een groep weeskinderen, En nood breekt wet.

In de Post van Weldadigheid vinden we één rapport van Willem Nieuwenhuijse in zijn Ommerschanstijd. Het gaat over de koloniste Petronella van Spijk uit Den Haag. Tijdens een verlof naar zijn geboortestad gaat Willem op verzoek van Petronella even langs bij haar ouders om de groeten over te brengen. Daar wacht hem een kille ontvangst:

1824 post 0186_71_0876.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186-071_0876

Verklaring gedaan door den opziener Nieuwenhuizen omtrent het gehouden gesprek met de Stiefmoeder van de koloniste Pieternella van der Spijck No 25 tijdens gen.d opziener in 's Gravenhage is geweest.

Toen ik in het huis van van der Spijck ben gekomen met oogmerk om aan hem de groete te doen van zijne dochter aan de Ommerschans, heb ik niet de vader maar wel de moeder van Petronella van der Spijck aangetroffen, op het verneemen dat ik aan haar de groetenis deed van hare dochter, gaf zij mij ten antwoord “dat zij van hare dochter niets wilde horen of weeten, dat haar gehouden slegt gedrag haar het regt gaf om niets meer voor haar te doen, en dat ik niet de moeijte moest doen om aan haar man over gen. dochter te spreeken, als willende deeze er ook niets meede te doen hebben”, waarop vrouw van der Spijck na nog eenige scheldnamen en slegte uitdruk­kingen over hare dochter te hebben uitgesproken het gesprek heeft afgebro­ken, en ik mij uit het huis heb begeeven. - Zijnde er behalve deeze verklaring geene woorden tusschen ons verwisseld.

Ommerschans den 27 december 1824
W. Nieuwenhuyse
Harloff
(adjunct-directeur)

Auteur Wil Schackmann wijdde een artikel aan Petronella van der Spijk.

Intussen dreigde er ruimtegebrek in de Ommerschans. Het gesticht was gebouwd voor 1.000 kolonisten, maar het aanbod was veel groter. Tegelijkertijd lukte het niet om de drie nieuwe wezengestichten in Veenhuizen vol te krijgen. En daarom werd het Tweede Gesticht in Veenhuizen herbestemd als bedelaarsgesticht. Op 24 en 25 mei 1825 vonden de eerste transporten van bedelaar-kolonisten van Ommerschans naar Veenhuizen plaats. In de 64 jaar daarna zou dit een normaal beeld worden.

Bij deze verplaatsing werd ook Willem Nieuwenhuijse terug geplaatst naar Veenhuizen. Na krap anderhalf jaar, waarin hij bijna wekelijks naar Ommen is gewandeld voor de aangifte van een overlijden of geboorte, keert hij terug naar de plaats waarvoor hij aangesteld is. Het tweede gesticht in Veenhuizen is van een ander ontwerp dan het gesticht in Ommerschans. De woningen van de zaalopzieners zijn hier niet tussen de zalen gelegen, maar in de ring van wonning aan de buitenzijde van het gesticht, waar de zalen voor de bedelaars aan de binnenzijde zijn gelegen.

Aan die buitenzijde wonen niet alleen zaalopzieners, maar ook veteraan-militairen, die worden ingezet als bewakers, en arbeider-huisgezinnen, kolonisten die een status hebben, vergelijkbaar met die van de kolonisten in de gewonen koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord.

Willem is koud in Veenhuizen, of er komt een klacht over hem binnen bij de Permanente Commissie van een zekere Jacobus van den Broek uit Den Haag.

1825 post 0186_073_0698.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_073_0698

 

de Edele Heeren, Leden der Commissie van Weldadigheid te s. Hage

Geven met alle onderdanigheid te kennen den ondergetekenden Jacobus van den Broek wonende te 's Gravenhage wijk P no 100 dat hij in den Jaren 1823 ter goeder trouwe aan eene Willem Nieuwenhuijsen eene Somma van Drie en Dertig guldens en drie Stuivers, waar bij gemelde Nieuwenhuijsen eene Aceptatie heeft afgegeven belovende bij dezelve de eerste helft van gemelde somme te zullen voldoen in de loop van de maand february 1824 en de tweede helft in de maand Mei van gemelde Jaar, en bij nalatigheid hier van geef gemelde Nieuwenhuijsen de vrijheid zijn beklag  intezenden bij de Commissie van Weldadigheid om te verzoeken gemelde Somme van zijne Verdienste te frederiksoord aftetrekken. blijken schuldbekentenis kopielijk hier nevens Overgelegt.

Waarom hij de vrijheid neemt sig te wenden tot UEdele eerbiedig versoekende dat gemelde geleende Penningen mogen worden ingehouden van de Verdienste van gemelde Nieuwenhuijsen te frederiksoord. en also aan den ondergetekenden mag worden voldaan.

Waarmede & - 's Gravenhage den 31 Mei 1825. (get.) J. van den Broek

Copie
Ik ondergetekende Bekenne bij desen aan Voorgeschoot penningen schuldig zijn aan J. van den Broek wonende op de schoteldoekshaven alhir de somma van drie en dertig gulden drie stuivers. om de helft te voldoen met de loop van feb 1824, en de tweede helft met den loop van de maand Mei van 't zelfde jaar, en bij nalatigheid van dien geefe ik aan voornoemde J. van den Broek vrijheid zijn beklagt te doen aan de Commissie van Weldadigheid om gemelde somme van mijne verdienste aftetrekken en zijn ter hand te stellen.
's Gravenhage den 17 Novb 1823, get. Wm Nieuwenhuijsen

De Permante Commissie gaat daarop verhaal halen bij Willem Nieuwenhuijse. Die antwoordt op 16 juni:

1825 post 0186_073_0698.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_073_0698

 

In rescriptie op de brief van J.v:d.Broek, diend het volgende. De ondergetekende negeerd geenszins schuldig geweest te zijn aan J.v.d.Broek de somma van drie en dertig guldens: en 3 stuivers, volgens eene eigenhandig door mij ondergetekende schuldbekentenis terwijl hij tevens ook verzekerd is, dat aan hem bij onderscheidene voorvallen eenig geld in vermindering is betaald geworden, zo als het laatste geld, namentlijk zes guldens het geen ik hem op afkorting gegeven heb is geweest in September 1824. dit geld en het vorige door mij betaalde zijn in vermindering op het bewijs afgeschreven zodat hij volstrekt geen aanspraak kan maken op de volle som, hoewel ik niet zeker weet, het restant, van het nog te betalene, waarom ik J. van de Broek verzoeke mij te willen opgeve het geen betaald is en wat nog betaald moet worden zullende zorg dragen dat hem, het geld ten eersten worde ter hand gesteld.

2e Etablissement Veenhuizen den 16 Junij 1825, (get) Wm Nieuenhuijse

P.S: Zodra ik antwoord hierop van J.v.d.Broek inhoudende het restant van mijnen schuld, zal ontvangen hebben zal hem het geld van mijne het eerst te trekken pensioen, betaald worden, en wel in de eerste dagen van de maand July aanstaande.

Met het pensioen bedoelt Willem ongetwijfeld zijn militair pensioentje. Zou dat genoeg zijn om deze schuld te voldoen? Enfin, in de Post van Weldadigheid zien we er verder niets meer over.

Een jaar later horen we weer van Willem. Hij wil in de zomer van 1826 graag een paar weken naar zijn geboortestad Den Haag, maar hij krijgt daarvoor geen toestemming. Hij richt zich tot de Permanente Commissie:

1826 0705 0186_080_0045.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_080_0045

2d Gesticht Veenhuijsen 5 July 1826
Weled Heeren,

Zedert den intrede in mijne Post heb ik Ued nimmer behoeven lastig te zijn dan nu, noodzaken mij, Familie zaken, en ook, om van wegens mijn 's: Lands gagement, aan Ued te vervoegen.
Om gezegde redenen gedrongen, mij naar 's Gravenhage te begeven, heb ik reeds lang, zoo aan den adjundirecteur, als nader aan den Heer directeur, verlof gevraagd, maar den Een, Verwijst mij, tot den ander, en alzo word, aan mijn Verzoek niet, beantwoord,
Mijne Heere, ik ben zo genoodzaakt dat ik slegts langer kan wachten, mijne zaken zijn geregeld en ik heb gezorgd, dat alle mijne werkzaamheden haren voortgang kan hebben, gedurende mijn afzijn.
Dus dien aangaande niets hebbende dat hinderlijk zijn kan, Neem ik de Vrijheid mij aan UeD mijne Heere met dese

1826 0705a 0186_080_0045.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_080_0046

te vervoegen, met nedrig verzoek mij een verlof voor veertien dagen te willen accorderen. Ik ben in afwachting van ommegaande een gunstig antwoord.
UED onderdanige, de zaalopziender W:m Nieuwenhuijse

De Permanente Commissie vraagt hierop inlichtingen bij de directeur der Koloniën en zwager van Johannes van den Bosch, Wouter Visser. Die neemt rustig de tijd voor een reactie, terwijl Willem steeds onrustiger wordt. Op 28 juli sturen beide een brief aan de Permanente Commissie. Eerst die van Willem:

1826 0728 0186_080_0316.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_080_0316

2d Gesticht Veenhuijsen 28 July 1826
Weled Heeren,

Daar ik tot heden, nog geen antwoord heb ontvangen, op de Brief aan de Vergadering, of wel aan de Commissie geschreven, nu drie weken verschenen, Inhoudende verzoek, om veertien dagen, verlof, en daar ik niet alleen, het beredelen, wegens overschrijving van mijn pensioen, maar daar en boven andre famiellie zaken, arrangement tot een 2de Huwelijk, wilde verrigten, Zoo is nogmaals mijn, nedrig, dringend, verzoek, om van het reeds gevraagd verlof, te mogen Joniseren, mijne bezigheden, hebben zijn voortgang.
Ik wagt hier op, UeDste Spoedige en gunstige dispositie in. En ben met hoogachting, UWeld onderdanige W:m Nieuwenhuijsen, Zaalopziender

Ik begrijp niet elk woord in deze brief, maar ik voel wel aan dat Willem op of over de rand van beleefdheid balanceert. Intussen geeft Wouter Visser een helder antwoord aan de P.C.:

 

1826 0728 0186_80_0343 Wouter Visser.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_80_0343

Frederiksoord den 23 Julij 1826

Beantwoordend de missive der permanente Komm.s dd 21 dezer No 331 heb ik de Eer te berigten dat den zaalopziener Nieuwenhuis een verlof is geweigerd, om reden hij bij eene vorige gelegenheid te 's Hage zich heeft schuldig gemaakt aan het verspreiden van valsche berigten omtrent het Etablissement te Ommerschans en daar door de aanspraak op elk faveur van dien aard, ten eenen male heeft verbeurd: wat het ontvangen van zijn gagement aangaat, hier omtrent zijn zeer gemakkelijk middelen te beramen om dit voor hem te doen ontvangen.

Kennelijk had Willem als hoofdreden voor zijn verlof aangevoerd dat hij zijn jaarlijks pensioen in Den Haag op moest halen. Nou dat kon officier Wouter Visser ook wel in Drenthe laten bezorgen. En als het aan hem lag, dan kreeg Willem geen verlof meer zolang hij binnen de Koloniën werkzaam was. De Permanente Commissie oordeelde iets milder: in 1827 mocht Willem alsnog op zomerverlof, zo concluderen we uit de volgende bewaarde brief:

1827 1101 post 0186_088_0032.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_088_0032

Kolonie Veenhuijzen 2de Etab den 1e Novb 1827

Weledelen Heere,

Naar dat ik, van mijn verlof, van Deze zomer weder ben geretourneerd, heb ik vernomen, dat ik voor die 14 dagen geen traktement kon bekomen, Heb ik de vrijheid genomen, mij met eenen missive, aan UWelE, te wenden, maar, daar ik vernam, dat gedeeltelijk, van de Kommissie, tot Inspectie, naar de koloniën kwamen heb ik mijne missie, aan mij gehouden, om dezelven, in persoon aan het hooft der WelEd Heere te geven, Zo als ik den Brief per Kovert, aan Zijn Weled, den heer F. van Riemsdijk, heb doen geworden,
Met inhoud, in de zelve, den Uitslag, daar gunstig mogt doen toe komen, maar daar door tussenkomst van Drukte, of verhaasting, aan het zelve, niet is gedacgt, zo neem ik, ten tweedemaal de vrijheid mij tot UWelE te wenden mijne belangens aan UWelE mijne Heeren voor te dragen het is aan UWelE bewust dat ik van gepasseerd Julij van UWelE voor 14 dagen verlof heb bekomen en een ander in mijn plaats heb moeten stellen, welke ik uit mijn prive zak heb moeten betalen.
naar mijne terug komst, dat ik zijn Edele den heer adj. Drijber daar over gesproken had, arriveerden zijn Edele gestrenge den Heer direkteur Visser ik mij met alle ootmoet tot Z:E:Gest gewend hebbende, om in 't zelfde voorregt te mogen delen, als alle anderen opzienders,

1827 1101a post 0186_088_0032.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_088_0033

Wanneer dezelve, met verlof geweest zijn, Welke altijd van hunne Traktementen, Zijn blijven Fonisseren, als dezelve afwezend zijn geweest, maar van Z:E:Gest, tot antwoord heb bekomen, dat mij zulks niet toe en kwam, en op die 14 dagen traktement, geen aanspraak hadde, zo is het, dat ik mijn vorige missive, aan de WelEdelen, Kommissie, geadresseerd, aan zijn welE, den Heer van Riemsdijk, bij zijn ...mend in de Koloniën, heb doen in handen stellen, maar blijf in die gedagten, door drukte, en verhaasting, van gemelde Heer, niet geslagt ben, om van zijn Weledele, een gunstig antwoord, te Erlangen, Naar deszelfs vertrek, van de Weledele Kommissie, heb ik mij gewend tot mijn Superieur den adjunct, drijber, die mij antwoorde, hij er niets van wetende, maar mijn verwees, tot zijn Edelen den Heer adjunct de Geus, die mijn, tot antwoord gaf, dat het van de hand was gewezen.
Nimmer kan ik denken, dat zulks, de intentie is, van UWelEdelen, mijne Heere, in veronderstelling zijnde, dat gedurende de tijd, van op, een paar dagen na, 4 jaar, als zaalopziender, ben geplaast, ik zo wel, als alle mijne thans presentem, mede konfraters, mijne pligten, in alle deele, betragt heb, en dus mij veronderstel, dat ik met regt, de vrije aanspraak, op dezelfde voorregten, moog Erlangen,
Zo is het, dat ik mij, bij deze, nedrig, tot UWelE mijne Heere Wende, met Eerbieding verzoek, om de nodige autorisatie, te Erlangen, om mijne agterstallig Traktement, ter Somme van f 10-40.- te mogen ontvangen,
Neemt het mij niet voor kwaalijk, mijne heere, in geval mijn verzoek, wierd of was, van de hand gewezen, de reden te mogen weten, waarom ik van dit, voorregt niet mogte Fournisseeren.
Tevens verzoek ik de Vrijheid, de missive aan Zijn WelEd, den heer van Riemsdijk, ter hand gesteld, hier nevens te voegen.

Na mij, in de bescherming, van UWelEedele ten nederigste, aanbevolen te hebben, Zo heb ik de Eer, met alle Eerbied, te zijn,
WelEdele Heere, UWelE Zeer onderdanige dienaar, de Zaalopziender Wm Nieuwenhuijse.

P:S: dit doet mij nog te meer tot UWelEdele wenden, daar ik ten Bureau, ten huijse van zijn WelEdele, den Heer Konijnenburg, tot informatie, op mijne belangens ben geweest, Welke heer mij uitstelde, tot de maandag daar aan volgende, des smorgens ten 9 1/2 ure, ten bureau, heb vervoegd, om te vragen of ook brieve, of andere kommissies, waren, voor de direktie, of gem Heere, Gemde Heer mij zeggende, dat het paket papieren, mij te bezwaarlijk zoude zijn geweest, en het daarom, met de amsterdammer pakschuit, had versonden, en dat nevens gaande, zo ik wel meen, verstaan te hebben, daar een brief was, in gesloten, aan Z.W.E. gest, den Heer direkteur Visser, om mij mijn agterstallig traktement, te doen toe komen,

UWelEdele als Boven

Helaas zijn de besluiten van de Permanente Commissie alleen in klad bewaard en nog niet ontsloten. Het is daarom nog niet duidelijk of Willem zijn achterstallig salaris heeft gekregen. Wel is uit deze briefwisseling op te maken dat de P.C. na de verlofweigering in 1826 heeft bepaald dat Nieuwenhuijse in 1827 verlof zou kunnen krijgen onder de voorwaarde dat hij zelf zijn vervanging zou regelen en bekostigen. En dan is Willem iemand die zonder veel gevoel voor etiquette zijn recht opeist.

In 1826 schreef Willem in zijn verlofaanvraag dat hij ook tijd wilde besteden aan een arrangement tot een 2de Huwelijk.

Welnu, op 30 mei 1829 is het zo ver. Maar of hij daarvoor nu werkelijk op verlof van Veenhuizen weg moest? Weliswaar is Anna Christina Fadler ook in Den Haag geboren, maar het gezin van de militair Johannes Joseph Fetler heeft alle hoeken van de Bataafse Republiek gezien. De vijf thans bekende kinderen zijn geboren in Zutphen (1896), Vlissingen (1805), Amersfoort (1806), 's Gravenhage (1808) en Bath (1813). Maar het aantal standplaatsen verbleekt bij het aantal schrijfwijzen van zijn achternaam. Zijn kinderen gaan door het leven onder de namen Fettelar, Fetteleer, Fetler, Fadler en Fittelaar, maar we komen ook varianten tegen als Vetler, Vetter, Feller, Fetlar. Op 18 oktober 1826 wordt hij als veteraan-miliair vanuit zijn laatste standplaats Delfzijl gedetacheerd in het tweede gesticht te Veenhuizen. Met zijn vrouw Anna Burg en dochter Anna Christina (1808) neemt hij z'n intrek in een zelfde woning als Willem Nieuwenhuijse. En zo hoeft Willem geen verlof te hebben om zijn bruid te ontmoeten. Maar wat brengt hun samen? Zij is 34 jaar jonger en slecht anderhalf jaar ouder dan zijn eigen dochter. En de meest voor de hand liggende reden, zwangerschap, kan het niet zijn. Weliswaar wordt hun eerste kind na 8 maanden geboren, maar dat kunnen ze onmogelijk geweten hebben toen zij in ondertrouw gingen.

1829 0530 huwelijk Willem Nieuwenhuijse.jpg
Drents Archief - huwelijk Willem Nieuwenhuijse en Anna Christina Fadler
1829 0530a huwelijk Willem Nieuwenhuijse.jpg
Drents Archief - huwelijk Willem Nieuwenhuijse en Anna Christina Fadler

In elk geval blijkt uit de huwelijksacte dat Anna Christina Fadler een redelijk ontwikkeld meisje is. Zij zet een keurige handtekening onder de trouwacte, terwijl haar vader daar niet toe in staat is.

Na de huwelijkssluiting verhuist Anna Christina naar een paar deuren verderop in het gesticht. Vermoedelijk is haar stiefdochter de deur dan al uit: die trouwt in 1845 in haar geboorteplaats Den Haag.

Op 14 augustus 1829, "de dag der inspectie", worden lijsten opgesteld van alle bewoners van het tweede gesticht. Deze zijn bewaard gebleven in de Post van Weldadigheid. Hieruit kunnen we opmaken dat Willem Nieuwenhuijse verantwoordelijk was over de zalen No 7 en No 8, waar in totaal 135 bedelaar-kolonisten verbleven, allemaal mannen. In alle gestichten worden de sexen netjes gescheiden.

Op 23 januari 1830 krijgen Willem Nieuwenhuisen en Johanna Christina Fetler hun eerste kind, zoon Willem.

1830 0123 geboorte Willem Nieuwenhuijse.jpg
Drents Archief - geboorte Willem Nieuwenhuisen

Wat kon het geluk van het jonge stel in de weg staan? Welnu, dat lezen we in een brief van adjunct-directeur Drijber van 15 oktober 1830, daarna doorgestuurd aan de P.C. door directeur Jan van Konijnenburg.

1830 1015 post 0186_109_0234.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_109_0234

Veenhuizen den 15e October 1830

WelEdele Gestrenge Heer!

Ik neem de vrijheid UWEdGestr bij dezen te informeren wegens het onzedig gedrag van W: Nieuwenhuijsen zaalopziener in Zaal no 7 en 8.

Gedurende eene geruimen tijd leeft dezelve in de grootste onmin met zijne vrouw, door vloeken, razen, schelden enz, ik heb mij telkens tusschen beide gevoegt om hunne verschillen te vereffenen, thans is het tot dien hoogte gekomen, dat ik er niet meer aan kan doen; de vrouw is thans het huis uit, verlangt haar goed van hem, hetgeen hij niet verkiest te geven, zij zegt, dat hij haar goed verzet om maar aan sterken drank te komen. Ook leent hij van sommige Bedelaars kolonisten geld welke mij ook beklagen het niet van hem terug kunnen krijgen.

Ik heb hem gezegd, van zijn gedrag aan UWEd kennis zoude geven, wijl hij met zulk een gedrag voor zijne post als Zaalopziener ongeschikt was, hier in heeft hij genoegen genomen. Waarmede ik de eer heb te zijn.

WelEdele Gestrenge Heer
UWEdGestr DwDienaar
(get) S.B. Drijber
voor copie conform
De Directeur der Koloniën
J. van Konijnenburg

Op zo'n brief kan de Permanente Commissie slechts één besluit nemen: ontslag!

En natuurlijk heeft Willem Nieuwenhuijse dan het laatste woord. Hij schrijft een bijzondere brief!

1830 1020 post 0186_109_0302.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_109_0302

Kolonie Veenh 2de Etabt den 20ste October 1830

Weledele Heeren

de Ondergetekende komt met eerbied tot UED, daar hij door de Heer drijber directeur van opgemeld gestigt door aan hem een gezonden brief van den heer Visser mijn ontslag als zaalopsiener van UED is, of zal bevordert worden, Zo is het mijnne heere dat UED door deze de zaak te kenne geeft, wat daar de reeden van zijn, Het is UED mijne heeren bewust met UED voorkennis door mij aan UED verzogt om in een tweede Huwelijk te treeden.

Zo ik het thans beschouw is het mijn ongeluk dat ik een Roomsche Vrouw getrouwd heb en daar bij een lieve zoon thans 9 maanden oud, heb verwonnen, het kind door den doop voor af gaanden overeenkomend ackoord naar mijn geloof te doen opbrengen in het Waar Gereformeerd geloof te doen opleiden.

daar mijn Vrouw nog jong is, en als ik zegge mag weinig begrip omtrend haar geloof heeft kan ik haar niet kwalijk nemen maar haar moeder die mede het zelfde geloof voerd door opstooking mijn Vrouw met alle verkeerdheden in prend, die ik niet anderen kan, Zo is het dan mijne heeren, dat ik UED met deze de oorzaak van het voorgevallene te kennen geeft,

Met den opstand van Braband, verbeelden Zij lieden zich dat ons lief vaderland

1830 1020a post 0186_109_0302.jpg
bonmama.nl - Drents Archief - post van weldadigheid 0186_109_0303

Zouw overwonnen Worden dat het Waar geloof daar door Verontwaardig worden en dat zij lieden triomfeerde zoude Ik mij daar, op heb uitgelaten zeggende als zulks gebeurd, dat het om 't geloof te doen is, Ik van harte nog wenste te veld te gaan en mijn leeve daar voor op te offeren en waar op door mijne Vrouw beantwoord wierd daar is geen eene gan die deugd en gij leeft tog niet lang meer dan dat ik het kind naar mijn geloof opvoeden.

Ik laat UED mijne heeren aan UED gevoelend over hoe UED in zulk een geval zoude gedragen dus Edele heere word mijn ontslag niet bevorderd door mijn slegt gedrag nog door verzuim aan pligt of 't een of ander daar aan kan toe draagen.

Kan mijn adjunct directeur getuigenis van geven het is thans in 't zevende jaar dat ik mijn post door UED mijn heere heb bekomen altijd met vleid en waakzaamheid heb waargenomen het welk mij thans door vermeerdering van menschen moeilijk valt, maar tot nog toe niet teveel is dezelve waar te nemen.

Hoezeer ik den heer drijber heb gezegd volgens voor lopende gerugte door mijn vrouw en haar moeder gemaakt dat door haar lieden mijn post ontzegt was heb verzogt als zulks mogt gebeuren dat het daar zo ver zoude komen ik de Eer aan mij zelve wilde houden zo tot mijn onschuld zulks zoude aangenomen worden. Mijne Vrouw heeft zich reeds ten 2 maal van mij verwijdert ik zal van mijn zijde zorg draagen dat 't de 3 maal niet gebeurd om verdre ongelukke of onheilen voor te komen.

Zo is het Edele heeren, dat ik UED smeek om deze reeden mijn niet broodeloos te maken En Zo Zulks door UED rijpen beramingen mijn persoon als fantig beschoud beschouwd wierd mij dan naar kompleeten verantwoording een Eerlijk ontslag te verleenen, om Elder mijn fortin te bevorderen.
Zulks doende mijne heere
blijf met alle respect en Eerbied
UED onderdanige dienaar
Wm Nieuwenhuijsen
thans nog Zaalopsiener

In de kolonistendatabase van het Drents Archief zien we dat Willem Nieuwenhuijse per 1 november 1830 ontslag heeft gekregen bij de Maatschappij van Weldadigheid. Uit die vermelding is niet op te maken of het een ontslag op eigen verzoek is geworden.

Maar feit is dat Willem werk heeft gemaakt van de woorden in zijn laatste brief! Hij is na zijn ontslag toegetreden tot de Mobiele Groningse Schutterij, waar hij in de rang van Sergeant heeft gestreden tegen de Roomse dreiging uit het zuiden. En waar in het algemeen wordt gesteld dat de Noordelijke Nederlanden deze strijd hebben verloren, zal het voor Willem anders gevoeld hebben. Hij is er met zijn strijdmakkers in geslaagd om te voorkomen dat het Ware Geloof in de Noordelijke Nederlanden onder de voet werd gelopen door de Roomsen. En het lijkt er zelfs op dat hij -ver weg van zijn schoonmoeder- zijn jonge vrouw weer in zijn kamp heeft kunnen trekken. Want in het heetst van de Belgische Opstand verwekten zij hun tweede kind. Twee dagen voor het begin van de Tiendaagse Veldtocht overlijdt vader Johann Joseph Fetler in Veenhuizen. Maar het stel vernoemt hun tweede zoon, die op 27 januari 1832 in het Brabantse Oirschot ter wereld kwam, niet naar schoonvader Fetler, maar naar prins Frederik, de aanvoerder van de troepen in de tiendaagse veldtocht en het grote voorbeeld voor Willem.

18320128 oirschot geboorte.jpg
familysearch.org - geboortes Oirschot 1832

Toen de troepen werden ontmanteld, trok Willem Nieuwenhuijse met zijn vrouw en zoons naar zijn geboortestad Den Haag. Daar heeft hij niet lang van zijn triomf mogen genieten. Op 24 augustus 1832 overlijdt hij daar.

1832 0824 Den Haag overlijden.jpg
gemeentearchief Den Haag - overlijdens Den Haag 1832

Wie het laatst lacht...

Anna Christina Fetler heeft als weduwe in Den Haag niets te zoeken. Zij trekt met haar twee kinderen naar Veenhuizen, waar haar moeder als veteranen-weduwe het recht heeft om aan het tweede gesticht te blijven wonen. Waarschijnlijk krijgt Anna toestemming om bij haar moeder in te trekken met haar zoons, al is dit uit de online registers nog niet gebleken. Vermoedelijk krijgt Anna een pensioentje als weduwe van een militair. Haar zoons gaan naar school met de kinderen van veteranen, beambten, arbeider-kolinisten en bedelaar-kolonisten. In het gesticht loopt het allemaal door elkaar.

Ook voert Anna nu het plan uit waarvoor ze haar man al had gewaarschuwd: Zij geeft haar kinderen een katholieke opvoeding. Ze krijgen cathechismus bij pastoor Bruins en kapelaan Johannes Schuttelaar.

Lange tijd lijkt het er op dat Anna niet zal hertrouwen. Maar op zeker moment komt ze in contact met een bedelaar-kolonist, Johannes Nicolaas van Maaren. Roepnaam Jan. Hij is in 1804 geboren in Lith (Noord Brabant) en heeft van zijn vader het vak van kleermaker geleerd. Hij krijgt vrijstelling van militaire dienst "uit hoofde van een misvormde voet". In 1832 en 1836 trouwen resp. zijn zus en zijn jongere broer. Voor Jan lijkt dat geluk niet weggelegd. Sterker nog, in september 1841 wordt hij opgepakt wegens bedelarij en vanuit Den Bosch naar Ommerschans gestuurd. Op 17 september 1841 wordt hij daar ingeschreven. Een maand later wordt hij doorgestuurd naar Veenhuizen, waar hij geplaatst wordt in het Tweede Gesticht.

Daar heeft hij Anna Fetler ontmoet. Zij is natuurlijk geen partij voor hem: een veteranendochter! In het Pauperparadijs belicht Suzanna Jansen het standsverschil tussen de veteranen en de arbeiders-gezinnen aan het Derde Gesticht. Maar die wonen tenminste nog allemaal aan de "vrije" buitenkant van het gesticht. Nee, een relatie tussen een bedelaar-kolonist en een veteranendochter, dat is pas echt gewaagd. En toch komt het goed! Op 17 september 1844 trouwen de 39-jarige kleermaker en de 36-jarige weduwe op het gemeentehuis van Norg. En op dezelfde dag wordt Jan van Maaren ontslagen uit het gesticht.

1844 huwelijk Norg.jpg
Drents Archief - huwelijken Norg 1844
1844 a huwelijk Norg.jpg
Drents Archief - huwelijken Norg 1844


Het lijkt er op dat het tweede huwelijk van Anna net zo woelig verloopt als haar eerste, hoewel er nu geen strijd kan zijn over het geloof, want Jan is keurig Rooms. Maar elf maanden na de sluiting van hun huwelijk wordt Jan opnieuw ingeschreven te Ommerschans. Ook nu is hij opgezonden vanuit 's Hertogenbosch. En hij is alleen! Waar zijn Anna en de kinderen? Jan wordt op 30 augustus 1845 doorgezonden naar Veenhuizen en krijgt daar op 31 december ontslag. Een uitzonderlijk kort verblijf dus. Waar heeft hij dat aan te danken?

En nu verplaatst het toneel zich 6 kilometer naar het noord-westen, naar de jonge veenkolonie Haulerwijk. Daar komt op 9 juni 1847 zoon Johannes Christianus ter wereld. Is nu eindelijk alles tot rust gekomen?

Neen helaas, lees de geboorte-acte er maar eens op na. Vader Jan van Maaren is in geen velden of wegen te bekennen en Anna Fetler verblijft al een paar dagen bij inlandsch kramer Frederik Wilhelm Melgert, die ook bij de bevalling aanwezig is.

1847 geboorte Haulerwijk.jpg
allefriezen.nl - geboortes Ooststellingwerf 1847

Heeft Anna dan misschien iets met deze Freek Melchert? Neen. Melchert is in 1846 getrouwd met een dochter van gestichtsveldwachter Wolfgang Wierth, die ook jaren aan de Ommerschans verbonden was. Zij hebben net hun eerste kind verloren en de komende jaren worden er in dit huwelijk nog een flink aantal kinderen geboren.

Op 24 augustus 1848 duikt Jan van Maaren weer op. Maar helaas niet thuis bij Anna in Haulerwijk. Hij wordt voor de derde maal ingeschreven in Ommerschans. Deze keer wordt hij opgezonden vanuit Utrecht. En nu wordt hij niet doorgezonden naar Veenhuizen; hij blijft in de Ommerschans tot aan zijn ontslag op 5 juni 1850. En het lijkt er op dat hij daarna toch weer eens zijn opwachting heeft gemaakt bij zijn echtgenote. In elk geval raakt zij eind 1851 weer zwanger en als ze op 14 september 1852 bevalt van haar vierde zoon, vertelt de aangever dat de vader weliswaar ongesteld is, maar toch in de buurt.

1852 geboorte Haulerwijk.jpg
allefriezen.nl - geboortes Ooststellingwerf 1847

Intussen is Anna's oudste zoon Willem Nieuwenhuisen in de voetsporen van zijn vader getreden. Hij is als fuselier in dienst bij het 73 regiment infanterie. In 1854 is hij gelegerd in Groningen en daar leert hij de 18-jarige Catharina Maria Enters kennen. En als het meisje zwanger wordt, loopt hij niet voor z'n verantwoordelijkheid weg. Weliswaar zit een huwelijk er niet in, maar als op 9 mei 1855 hun zoon geboren wordt, gaat Willem netjes mee als getuige.

1855 geboorte Willem Joseph Nieuwenhuisen.jpg
allegroningers.nl - geboortes Groningen 1855

 

In 1860 is Willem jr gelegerd in Den Helder als daar op 21 januari hun tweede kind wordt geboren. Nu laat het stel er geen gras over groeien; ze trouwen op 23 febriari 1860 en erkennen beide kinderen. Vervolgens zullen er nog 5 kinderen volgen, die geboren worden in Amterdam, Hoorn en Utrecht. De jongste, dochter Gerarda Willemina Nieuwenhuijsen, is de overgrootmoeder van Henny Huisman. Zij zal haar vader niet kennen, want hij overlijdt plotseling als zij nog geen 5 maanden oud is. Haar moeder hertrouwt 8 jaar later.

Jan van Maren en Anna Fetler overlijden in Haulerwijk in 1869 en 1874. Jan is tenminste nog éénmaal van huis weg geweest. Van 21 mei tot 28 november 1862 verblijft hij in één van de gestichten in Veenhuizen.

Frederik Nieuwenhuisen trouwt in 1859 in Amsterdam, krijgt daar drie kinderen en lijkt daarna van de radar verdwenen. Johannes Christianus van Maaren trouwt in 1873 en krijgt 7 kinderen. Zijn broer Leonardus trouwt in 1882. Zijn huwelijk blijft kinderloos.

Wat blijft hangen uit dit verhaal, is dat stamvader Willem Nieuwenhuijse het land redde, maar zijn kinderen verloor aan de Roomse Godsdienst. Mede daardoor startte Henny Huisman zijn TV carriere bij de KRO in plaats van de NCRV.

 

 

Auteur:Helmuth Rijnhart
Personen:Henny Huisman