MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

17 december 1833 - Gij zijt alle schelmen en afzetters

Verhaal

Een verhaal dat in deze serie niet ontbreken mag, is dat van Joannes Evangeliste Blatter, de eerste veldwachter in de bedelaarskolonie Ommerschans. Een man die voor de duvel niet bang was, maar die na 11 jaar trouwe dienst werd ontslagen omdat hij het in een dronken bui echt te bont had gemaakt.


Joannes Evangeliste Blatter. Zijn wieg stond in 1786 in de plaats Uttenhofen in het Zwarte Woud, op anderhalve kilometer van de Zwitserse grens. In het boek "De Bedelaarskolonie" citeert Wil Schackmann uit het familieonderzoek van nazaat Frans Blatter. We lezen dat Blatter in 1809 met de Rheinische Bundesdivison in Spanje vecht tegen de Spaanse guerilla's. Omstreeks 1812 zou hij daar gedeserteerd zijn, waarna hij in handen viel van de Engelse troepen, die hem als krijgsgevangene meenamen naar Engeland. Daar werd hij als John Blatter ingelijfd bij het King's German Legion.
Zo komt Blatter in 1814 in de omgeving van Brussel terecht, waar hij zijn vrouw, Josephine Natalie Decatoire, leert kennen. Zij is geboren in de plaats Vorst, even ten zuiden van Brussel. Als Blatter in juni 1815 deel neemt aan de slag bij Waterloo, is zijn vrouw al vijf maanden zwanger. Het stel trekt na de definitieve nederlaag van Napoleon Bonaparte met de bezettingsmacht mee naar Parijs, waar op 20 oktober zoon Hendrik wordt geboren. Daarna wordt Blatter gestationeerd in het Noordfranse Condé sur l' Escaut, waar hij werkt in het plaatselijke ziekenhuis. Daar wordt in 1817 zoon Jean Platre geboren en op 4 oktober 1818 komt zoon Frederic Williame Platre daar ter wereld.Enkele jaren later trekt het gezin naar de Noordelijke Nederlanden. Jan Blatter vindt werk op het landgoed IJsselvliedt van Richard Andreas Ludolphi Nobel te Oldebroek. Nobel was onder meer burgemeester van Ruinen en statenlid in Drenthe. Hij woonde in zijn Drentse tijd op het huis Westerbeeksloot bij Vledder. Hij verkocht dit landgoed in 1818 aan de juist opgerichte Maatschappij van Weldadigheid. Dankzij deze transactie kwam de proefkolonie Frederiksoord tot stand. Nobel verhuisde naar Kampen en liet in 1824 een prestigieus zomerverblijf bouwen op IJsselvliedt te Oldebroek. Maar toen was Jan Blatter al weer gevlogen.

In Oldebroek wordt in 1821 in het gezin Blatter dochter Jozephina geboren.
We zien in de geboorteacte hoe gemakkelijk namen verschreven worden. Jan Blatter meldt aan de ambtenaar dat zijn vrouw Josephine Catois heet en de ambtenaar der Burgerlijke Stand schrijft het fonetisch op: Catwa. En omdat Jan Blatter zelf niet lezen of schrijven kan, zal hij het zelf niet corrigeren.

Ommerschans

In de zomer van 1822 komt Jan Blatter in contact met de Maatschappij van Weldadigheid. Op Ommerschans is de bouw van het enorme etablissement voor bedelaars in volle gang. Blatter meldt zich bij de adjunct directeur van Ommerschans, Georg Friedrich Wilhelm von Hoff met een aanbevelingsbrief van Johannes van den Bosch. Von Hoff rapporteert vervolgens aan zijn meerdere.Ommerschans, 24 september 1822

Hoogedelgestrenge Heer!

Blatter heeft mij UHoogEdGeb ... heeden ter hand gesteld. Door dat hij een verblijf voor vrouw en kinderen geduurende den winter tot voorwaarde van zijn hierblijven stelde; twijffelde ik in het eerst of ik hem als werkman / bij de paarden b.v., waartoe hij geschiktheid bezit / zoude kunnen hier behouden. Maar op dit moment herinner ik mij dat de bewooners der nieuwen kaserne welligt nog ver af zijn, dat het nuttig zelfs weezen kunt, om iemand tot in achtneeming van dit gebouw daarin te laten woonen en zoo durf ik hem morgen daar een provisioneel verblijf aantewijzen. Zouden wij niet misschien dit garnisoen overal uit eigen welgespierd werkvolk kunnen te zamenstellen?

Op de oudste kadasterkaart van Ommerschans (getekend omstreeks 1827) zien we het bedelaarsgesticht in beeld.

Op het binnenplein van het gesticht zien we (blauw omcirceld) twee langwerpige gebouwen. Vermoedelijk zijn deze gebouwen in eerste instantie in gebruik genomen als kazerne en strafkolonie. Kort na oplevering van het gesticht in 1823 is een nieuwe strafkolonie gebouwd op de zuidwal (geel omcirceld). Daarna is het gebouw op het binnenplein in gebruik genomen "voor den fabriekmatigen arbeid". Het gezin Blatter is vermoedelijk in een van de gebouwen op het binnenterrein gehuisvest.

In de brief van Adjunct Directeur Von Hoff -voor wie een fraaie directie-woning wordt geplaatst op het Noord-Oost bastilion (rode circel)- zien we dat hij dre suggestie doet om burgers in dienst te nemen voor de bewaking van het gesticht. Maar als op 8 september 1822 de eerste tien bedelaar-kolonisten intrek nemen in het nieuwe (nog niet opgeleverde) gesticht, staat Blatter er alleen voor. En dat zal de eerste tijd zo blijven.

Desertie

Een belangrijke taak van Blatter in zijn nieuwe baan is het voorkomen van desertie en het achterhalen van deserteurs. De eerste lichtingen kolonisten zijn allemaal onvrijwillig op Ommerschans terecht gekomen en dus beproeft een deel van hen de mogelijkheid om te ontkomen. De eerste twee bedelaars die op 4 november 1822 de benen nemen zijn de 28-jarige Huig van der Glind en de 46-jarige Pieter Thieleman, met hoofdelijke nummers 114 resp. 119. Beiden zijn tien dagen eerder, op 25 oktober, vanuit het werkhuis in Hoorn op de Ommerschans geplaatst en ze hebben al snel in de gaten dat de defensie op de Schans nog in de kinderschoenen staat. Van der Glind, die de eerste maal is ingeschreven als van der Grind (verschrijvingen zijn aan de orde van de dag op de Schans) zal niet lang daarna weer worden opgepakt. Op 25 jui 1823 wordt hij opnieuw vanuit Hoorn binnen gebracht op de Schans en op 24 juni 1824 deserteert hij voor de tweede maal. Op 5 april 1827 wordt van der Glind voor de derde maal ingeschreven. In oktober van dat jaar meldt hij zich "vrijwillig" voor de zeedienst, en drie weken later zit hij op een schip naar Nederlands Oost Indie. Niets meer van vernomen. Van Thieleman heb ik ook niets gevonden, wat niet wil zeggen dat die de rest van zijn leven in vrijheid heeft doorgebracht.

In 1823 zijn er 118 gevallen van desertie geregistreerd en in 1824 zijn het er 134. Het is duidelijk dat Blatter dit in een gesticht met 1.000 kolonisten niet alleen af kan.

Gezinsleven

Op Ommerschans breidt het gezin Blatter zich gestaag uit. Op 8 september 1823 meldt Blatter zich bij Willem Arnold van Laer, de 72-jarige burgemeester van Ommen, om aangifte te doen van de geboorte van zijn zoon Jan. Van Laer, wellicht enigszins hardhorend, verstaat het Duitse accent vermoedelijk moeizaam en maakt er Platter van in de acte. Mevrouw Blatter krijgt deze keer de naam Tecatoir.Ik heb van dit kind geen doop gevonden. Weliswaar is in 1820 in Dedemsvaart een R.K. parochie gesticht, maar in de eerste jaren zijn er hoegenaamd geen doop inschrijvingen. In de Ommerschans dateert het R.K. doopboek van 1824. Daarin vinden we Jan Blatter op 10 april 1825, als hij zijn zoon Geert laat dopen. Natuurlijk wijzigt pastoor Arnoldus Johannes Boers de voornaam in Gerhardus. Geert is geen katholieke naam.

geheel in zilver

In 1826 stuurt vrouw Blatter, die met die moeilijke achternaam, een verzoek dat bij Wouter Visser -directeur der Kolonien, gezeteld in Frederiksoord- terecht komt. Haar man krijgt zijn loon gedeeltelijk uitbetaald in normaal geld en gedeeltelijk in koloniale munt. Die koloniale munt is uitsluitend in de gestichtswinkel te verzilveren en dat staat haar kennelijk niet aan. Wouter Visser stuurt het verzoek voor de vorm door naar de Permanente Commissie in Den Haag, waar alle formele besluiten genomen worden. Maar hij geeft een duidelijk advies: dit is onzin, er is geen reden de familie Blatter anders de behandelen dan de andere geëmployeerden.
Eindelijk dat de veldwagter Blatter te Ommerschans even als de geemploijeerden gedeeltelijk in zilver word uitbetaald, en daarom het verzoek van deszelfs vrouw, niet te pas kan komen; ten ware zij mogt willen verzoeken om de verdiensten haars mans geheel in zilver te ontvangen; het geen mijns inziens even zoo min nodig is, als van elken anderen geemploijeerden.

En zo werd het gezin Bladder, zoals alle andere ambtenaren van de Ommerschans, gedeeltelijk uitbetaald in de loodzware maar prachtige gietijzeren munten van Ommerschans.

Op 26 mei 1827 wordt er in het gezin Blatter weer zoon geboren. Hij krijgt de naam Franciscus Martin. Hij is een dag later gedoopt door de tweede pastoor van Ommerschans, Antonius Tempelman.

Op een personeelsstaat van 7 augustus 1829 staat het gezin Blatter vermeld onder Kolonie V: Ommerschans-Buiten. Vrijwel zeker betekent dat, dat ze een woning buiten het gesticht gekregen hebben voor het 8 hoofden tellende gezin.
En het 9e hoofd is dan al onderweg, want op 21 november 1829 doet Blatter aangifte van de geboorte van zoon Martinus. Bijzonder is hierbij dat dit kind volgens het R.K. doopboek van Ommerschans al twee weken voor zijn geboorte, op 6 november 1829 gedoopt is....

Landje Pik

Dat Jan Blatter niet met alle collega's goed door één deur kan, blijkt uit een brief van 30 augustus 1830, geschreven namens en ondertekend door Jan Blatter en gericht aan Jeremias Faber van Riemsdijk, lid van de Permanente Commissie in 's Gravenhage.Wel Edele Geboren Heer!

(is reeds door de Kolonie afgedaan)

Door deeze neeme de vrijheid UWEd:Geb: te Informeeren dat mij wel zult gelieven pardonneeren, dat daar ik voor drie jaaren Een Stuk Land gekreegen heb van den Onderdirekteur Bosscha, dat woest en onbebouwd was, zoo heb ik zulks met veele moeijte en vlijt het zoo verre gebracht En niet minder onkosten, dat het Eindelijk i order was, Zoo heb ik daar Een jaar wil van gehad en Een jaar voor het Paard, Zoo heb ik dan nu dit Jaar op gezaaijd, Knol Raapen en Spurrie uit hoofde dat zoo een Talrijk huishouden heb van 7 leevendige kinderen, Zoo is dan nu den direkteur Bosscha gekoomen en heeft uit pikanterij en Boosaardigheid, Een gedeelte dat reets gezaaijd en bepoot was, door heen laaten rijden en aan mij afgenoomen, met voorneemen om zulks van tijd tot tijd te doen tot dat niets meer zal overhouden en dus alle het gezaaijde vernield en mijn onkosten weg zijn, zoo dat bij de naderende Winter, bezwaarlijk met mijn Huishouden zal kunnen bestaan, daar andersints nog genoegzaame voedsel uit te haalen was, zo ben ik in de onvermijdelijke verplichting, Mijn Heer, UWEd:Geb: Zeer nederig te Solliciteren van de goedheid te gelieven te hebben, om den Direkteur Bosscha te laaten aanzeggen, dat niet verder de grond wegneemt die mij eertijds gegeeven heeft op dat ik met mijn Talrijk huijsgezin daar geen verdere schaade en nadeel koom te leijden.

Wat de reedene Zijn Mijnheer! die ik niet kan penetreeren, maar deeze direkteur is mij thans ten hoogste wangunstig en steld alles in het werk om mij te benadeelen, daar ik niet beeter weet of ik betracht mijn plicht in alle opzichten en dat den tijd van al 8 Jaaren lang, Zoo geeft hij dan ook voor dat veel al dronken van de Reijs koom, dat noghtans den Heere Onderdirekteur Fredriks het Contrarie kan getuijgen, dat vroeg of laat wanneer te huis koom, bekwaam bevonden word, En niets het allergeringste op mij te reprocheeren valt?

Ik moet vertrouwen Mijn Heer! dat deeze Man het oogmerk heeft, om mij neevens mijn Vrouw en zeeven kinderen ongelukkig te maeken, daar mij altoos dwars boomt en in alles teegen gaat, zoo recommandeere mij en Talrijke huisgezin in UWEd:Geb: Protextie; met beede dat gelieve teegen te gaan, dat deezen Man geene verdere macht heeft om het gezaaijde te vernielen en na zig te nemen, maar dat Eenmaal aan mij geschonken, Zuls mooge behouden waar meede mij uittermaate zult verplichten.

In afwachting van UWEd:Geb: goedheid te moogen ondervinden En de behoefte van mij en kinderen op UWEd:Geb: Menschlievend en Zeer gevoelig Harte te hebben gebonden. Zoo neeme mij met alle onderwerping En de uitneemendste Hoogachting.

Wel Edele Gebooren Heer! UWED:Geb:D.W. En Onderdanige dienaar - (get.) J. Blatter

Ommerschans den 24e Augs 1830

Het is duidelijk dat deze brief niet eigenhandig door Jan Blatter is geschreven. Niet alleen dat het handschrift in de handtekening afwijkt van het handschrift in de brief (Jan blijkt dus nu ineens wel te kunnen ondertekenen...), maar in de Post van Weldadigheid vinden we nog een brief van dezelfde datum, hetzelfde handschrift, dezelfde briefomslag en met dezelfde kruiperige stijl, geschreven namens Niesje Blokkers, de weduwe Molenbroek, die verzoekt met haar dochters terug geplaatst te worden van de strafkolonie Ommerschans naar een gewone kolonie. De Permanente Commissie schuift dit soort brieven gemakkelijk terzijde...

Waar haalt Blatter het lef vandaan om het tegen een hoger geplaatste ambtenaar op te nemen? Wellicht speelt daar in mee dat iedereen op de schans weet dat Bosscha een jaar eerder in opspraak is geraakt. Misschien speculeert Blatter erop dat deze druppel de emmer zou kunnen doen overlopen...

Dit verzoekschrift van Blatter is wel een opmaat voor het einde van zijn eigen carrierre bij de Maatschappij. Blatter weet heel goed waarom onderdirecteur Jan Arriens Bosscha niet veel met de veldwachter op heeft: Blatter drinkt! Maar uiteindelijk zal Bosscha eerder het veld ruimen dan Blatter.

Orde handhaven

Aan het begin van de dertiger jaren komen we Jan Blatter een aantal keren tegen in actie. Zo vinden we hem in een brief van de directeur der Koloniën, Jan van Konijnenburg, van 25 mei 1830, waarin hij gewag maakt van de desertie van een vijftal bedelaar-kolonisten.

Frederiksoord, den 25 Mei 1830

Ingevolge etc.etc.

Ik heb gemeend UwEdGeb ten spoedigste te moeten doen geworden de signalementen van de drie bedelaars kolonisten, welke van de Vijf in complot, den 15 dezer maand aan de Ommerschans zijn gedeserteerd, waarvan ik met een enkel woord in de kolonie-berigten gesproken heb, ten einde, des goedvindende, bij het Departement voor het Armwezen aan te dringen op het doen van de meeste nasporingen, ter achterhaling van die knapen; met bijvoeging nog van het signalement van een Vierde, met naam Pieter Ceelen, een der kolo- nisten- -nisten veldwachters, welke, ofschoon zich anders wel gedragen hebbende, mede vóór eenige dagen is gedeserteerd, en wel van den post van den Veteraan-veldwachter Rulach, welken voor vijf dagen verlof was gegeven naar Veenhuizen, en wiens post, gedurende die dagen, aan de waakzaamheid van den veldwachter Ceelen was toevertrouwd, hebbende dezelve van Rulach mede genomen twee wollen dekens, een laken, een roode baaijen onderbroek en een laken van de kolonie.

De drie eerstgenoemde deserteurs zijn door den opper-veldwachter Blatter, nog laat in den avond, tot aan Heino achtervolgd, van welke plaats ook de veldwachter, doch vruchteloos, heeft geadsisteerd.

De directeur der Kolonie, J. van Konijnenburg.

Juridisch onderlegd

En dan het volgende interessante stuk, gedateerd 1 januari 1831. Blatter krijgt opdracht om twee kolonisten-gezinnen op te halen uit Frederiksoord. Het is het gezin van kolonist Teunis Verboom die als hoevenaar wordt geplaatst in de buitenkolonie Ommerschans en het gezin van kolonist Johannes Lembroek, die in de strafkolonie Ommerschans wordt geplaatst. Op 18 november 1830 was Lehmbroek al ter verantwoording geroepen in de Kleine Raad omdat hij ondermaats presteerde. Lembroek was er niet het type naar om zich beleefd en bedeesd te verontschuldigen. Integendeel: hij koos met veel verbaal geweld de confrontatie en dreigde "door eenen vriend in Steenwijk een request aan den Koning te laten schrijven". Daarop is hij op 8 december in de Raad voor Policie en Tucht veroordeeld tot de strafkolonie Ommerschans. Tijdens het transport werd duidelijk dat die vriend in Steenwijk geen bluf van Lembroek was.Proces Verbaal van het voorgevallene op den 31e December 1830 gedurende de overbrenging van de huisgezinnen van Limbroek en den hoevenaar Verboom, met twee wagens van Frederiksoord naar de Ommerschans, onder geleide van den ondergetekende Brigadier Veldwachter.

Het voorgevallene met betrekkig tot het gehouden gedrag bij het vertrek van Limbroek, is den Onderdirecteur Faaken en de Wijkmeester bekend.
Met het transport te Steenwijk komende, en aan de herberg van Nieuwland rustende, ten einde aldaar eenige goederen mede te nemen, bevond zich aldaar den Advocaat Waardenburg, welke den ondergetekende vroeg waar hij met dat transport naar toe moest, en wie hem de overbrenging daarvan geordonneerd had, en vroeg hem verder de geheele wijze van overbrenging af, hebbende hierop geantwoord dit op gezag van den Heere Direkteur der kolonien geschiedde, waarop Waardenburg repliceerde, hier hebt gij geen vrijheid toe! Ik arresteer U! Geantwoord hebbende ik mij aan zulk eene bedreiging niet stoorde en hem ook tot zodanige uitoefening onbevoegd oordeelde, maar mij altoos gaarne aan eene behoorlijk bevoegde magt wilde onderwerpen, heeft daarop Waardenburg dadelijk in persoon de Vrederegter en een Deurwaarder gehaald; welke Heer mij de papieren betrekkelijk de overbrenging van Lembroek heeft afgevraagd, dewelke na dezelve te hebben ingezien, gezegd heeft, geene termen tot arrest in dees aanwezig waren, en ik ongehinderd konde vertrekken, waarop -waar-
Waardenburg, Lembroek in bijzijn van genoemde Vrederegter en Deurwaarder op het overtuigendst heeft aangezet zich volstrekt niet verder te laten transporteren, maar zich te verzetten, en des noods meede te doen sleepen, het welk door Lembroek niet onopgemerkt gebleven zijnde, deze verklaarde niet verder mede te willen, maar toch te zullen volgen indien de ondergetekende hem slechts even hoe gering ook bij de kraag wilde vatten, hetwelk maar enigzints geweld konde genoemd worden; ten einde alsdan actie tegen mij te kunnen hebben, waaraan zonder dralen doch op de zachtste wijze voldaan is, ten einde verder oponthoud voor te komen; hebbende Limbroek zich als toen verder zonder het minste verzet doen overbrengen.

Zijnde de mede ondergetekende Adjunct Direkteur en Chef van dit Etablissement door mij tot het dresseren van dit tegenwoordig procesverbaal verzogt, ten einde hetzelve zoude kunnen dienen daar en waar het zoude mogen behoren.

Ommerschans 1e Januari 1831
De Adj. Direkteur (get.) P. van der Wal - De Brigadier Veldwachter (get.) J. Blatter
Voor Copie Conform, De Direkteur der Kolonien, J. van Konijnenburg

Wat mij in deze gang van zaken bevalt van Blatter, is dat hij er blijk van geeft een helder besef te hebben van wat advocaat Waardenburg wel en niet mag en dat hij zich niet door bluf van zijn stuk laat brengen.

Oproer op de Schans

Blatter komt diverse malen voor in de notulen van de Raad van Policie en Tucht. Zo ook in het volgende verhaal, dat op 24 februari 1832 speelt. Proces Verbaal

Het was op den 24 february Een duizend acht honderd twee en dertig, des avonds omstreeks zeven uuren, dat ik ondergeteekende ontwaarde dat zekeren kolonisten bedelaar Kammeijer genaamd, de op de binnenplaats van het Gesticht staande afscheidingshekken was overgeklommen tot op dat gedeelte alwaar de Vrouwen gehuisvest zijn, vervolgens de trappen van Zaal 35 was opgeklommen en zekere koloniste met name Ontrop op gezegde zaal gedugte slagen had toegebragt.

Ik begaf mij terstond derwaarts, doch vond genoemden Kammeijer niet meer daar, hij had zich middelerwijl weder om naar zijn zaal begeven. daarop gaf ik aan den brigadier Veldwachter Blatter benevens den Veteranen Veldwachter Thijssen last om Kammeijer in de strafkamer te brengen.

Genoemde veldwachters begaven zich tot dat einde dan ook dadelijk naar zaal 4, doch daar gekomen zijnde wierd de lamp door Kammeijer uitgeblazen, en met eene daar aanwezig zijnde houten schop bracht Kammeijer den Veteraan Thijssen een slag op zijn hoofd toe, dat hij geheel bebloed wierd.

Middelerwijl bespeurde ik dat een gedeelte der bevolking van zaal 4 partij voor Kammeijer trokken, en niet zouden gedogen dat hij in arrest genomen wierd, zoo dat ik vermeende best te zijn zoo lang te wagten tot de laatste bel geluid hadde, en de zaalen allen gesloten waren.

Alzoo gedaan, omstreeks 8 uuren begaf ik mij met bovengenoemde veldwachters in persoon naar zaal 4, klopte aan, te kennen gevende dat het den Onderdirekteur was, die hunl. wat te zeggen had, en dat zij de deur voor mij moesten open doen, maar instede van aan dit mijn verlangen te voldoen, wierd ogenblik -Tafel- Tafels en banken voor de deur geplaatst, en de kagchel pook wierd ten overvloede op de klink gestoken.
Ik gaf hunl. nogmaals te kennen, dat zij de deur zouden openen, ten einde mij niet in de noodzakelijkheid te stellen, die maatregelen te nemen, die zeer onaangename gevolgen voor hun allen zouden te weeg brengen, maar niet tegen staande dit alles bleef de deur gebarricadeerd.

Ik begon eenige voetstoten op de deur te doen om te beproeven of het slot wilde openspringen en om alsdan met de wacht die middelerwijl was aangekomen de Tafels en banken weg te dringen, toen zich op dat ogenblik van boven uit zaal 3 een stem liet hooren "als gij daar onder niet weggaat dan zullen wij eens afkomen" Ook zaal 7 even als het geheele mannen kwartier wierd, hoe wel juist wel niet oproerig evenwel buitengewoon levendig.

Daar het omstreeks 9 uuren geworden was vond ik goed mij een poostijds met mijne  manschappen te verwijderen, om de te huis komst van den Adjunkt Directeur af te wagten, die om Koloniale aangelegenheden juist op dit ogenblik absent was; tot voorzorg evenwel last gevende om de Veteranen van hunne posten met hunnen wapenen gedurende de nagt aan het Gesticht te doen komen, die dan ook spoedig arriveerden, en van welke manschappen ik er twee met scherp geladen voor zaal 4 deed post vatten.

Het wierd allenskens overal rustig, des morgens in de vroegte begaf zich den Heer Adjunkt Direkteur en den ondergetekende naar Zaal 4, de schuldige Kammeijer wierd dadelijk gearresteerd, als mede zekere kolonist Ruis van zaal No 3, die men herkent had, als de boven gezegde oproerige kreet te hebben aangeheven, terwijl de Raad van Tucht zoo spoedig mogelijk omtrent dit voorval zal zitting nemen.-

Aldus naar waarheid gerelateerd op dato als boven. De onderdirekteur binnen (get.) Rensing

Nogmaals Lembroek

In het laatste voorbeeld uit de Notulen van de Raad van Tucht, van 15 januari 1833, komen we de strafkolonist (in dit verslag bankolonist genoemd, omdat deze kolonisten verbannen waren uit de gewone Koloniën) Lembroek weer tegen. Hij zit nu twee jaar met zijn gezin "op de Wal" (de strafkolonie heet ook wel walkolonie, omdat ze gebouwd is op een oude wal van de vesting Ommerschans) en die straf heeft in zijn manier van communiceren niets ten voordele doen veranderen...Kolonie Ommerschans

Vergadering van de Raad van Tucht, Dingsdag den 15 januarij 1833

Alle de Leden Zijn tegenwoordig en de Voorzitter opent de Raad.

De president brengt ter kenisse van de Vergadering dat de bankolonist Lembroek is aangeklaagd ter Zake van gezegdens: te onbetamelijk hier uit te drukken; die hij in tegenwoordigheid van zijn buurvrouw, vrouw Geertsema, zoude geuit hebben, en die niet, dan vuile lastertaal ten opzichte van den Adjunkt en Onder Direkteur / kunnen / behelsen, en overigens in opruijingen van Kolonisten bestonden.

Lembroek wordt ontboden, en komt binnen. De President vraagt hem, wat hem bewogen heeft tot de gezegdens, die vrouw Geertsema verhaald uit zijn mond gehoord te hebben. Het antwoord is, niets ten laste der Direktie of iets anders hoegenaamds gezegd te hebben en beroept zich op den kolonist Mollebeek en vrouw.

Lembroek wordt buiten gelaten en Mollebeek en vrouw komen binnen.

De President weet door eene welgepaste voorbehouding, van de waarheid getrouw te zijn, Mollebeek en vrouw, die in de eerste oogenblikken zich zeer onkundig van het geval hielden / zoo in het naauw te brengen, dat zijl. openhartig beiden belijden: "Jan Mijnheer, dat alles dat vrouw Geertsema verhaald, is waarheid. Lembroek heeft in onze tegenwoordigheid dat alles gezegd.

Lembroek wordt binnen gelaten en hoorende dat zijne getuigen nu tegen hem verklaarden, verstomd hij, en weet niets merder te zeggen.

De president geeft hem te kennen, dat men van Zijne uitbrakingen in het minst geen notitie neemt; maar dat hij evenwel de welverdiende straf, niet zal ontgaan.

Gezien art. 2 eerste gedeelte van het Reglement van -Policie- 

Policie en Tucht voor de Kolonisten Huisgezinnen luidende als volgt:

"Weigering van gehoorzaamheid aan, onbescheidenheid jegens, of wel dadelijk verzet tegen een der Koloniale ambtenaren"

als mede het 1e gedeelte van het opvolgende art. 3 bepalende op bovenstaande overtreeding:

"Opsluiting van drie tot acht dagenin de strafkamer, naar gelang der omstandigheden van hen die zich voor de eerste maal aan de misdrijven onder Lett a vermeld, heeft schuldig gemaakt"

De President vraagt het gevoelen van elk Lid in het bijzonder.

Overwegende dat Lembroek van tijd tot tijd moet teregt gesteld worden, en een wreveli en nijdig sujet is, die niet alleen de Direktie belasterd, maar zelf de Permanente Kommissie verwenscht-

Besluit met eenparigheid van stemmen dat Lembroek voor acht dagen zal worden opgesloten in de Strafkamer.

De President doet Lembroek binnen komen en maakt hem met dit Zijn vonnis bekend, brengt hem tevens daarbij onder het oog dat, wanneer het geringste wederom met hem voorvalt, hij onmiddellijk, en wel hangende de approbatie daartoe, in het binnen gesticht met zijn Huisgezin zal ingedeeld worden.

Gelast den Brigadier Veldwachter Blatter om Lembroek te brengen ter plaatse alwaar hij behoord, op dat dit Zijn Vonnis van stonden af aan worde geexecuteerd.

Op rondvrage van den President, niemand der Ledeniets meerder hebbende voor te dragen, wordt de Raad gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op datum als Boven, de President en Leden.

(get.) H. Steenbeek, H. Hoogstra, P. Schnatz, Muller, K. Mulder, Rensing, J. Bosscha en Stous

Vrouw Blatter is zeer zwak

In de Post van Weldadigheid vond ik nog een opmerkelijk fragment waarin het echtpaar Blatter wordt genoemd. Het gaat om een ontslag-voordracht van bedelaar-kolonisten van 23 september 1833. Daarin wordt bij koloniste Geertruida van Vuurden (hoofdelijk nummer 1271) vermeld dat zij "geene bijzondere betrekking met den brigadier Veldwachter Blatter" heeft. Was daar dan sprake van? Werd dat gefluisterd op de Schans, waar iedereen over iedereen roddelt? Nog veel duidelijker staat er dat Vrouw Blatter "zeer zwak is" en daarom met haar grote huisgezin geholpen met worden.16 G. van Vuurden No 1271 als voren en heeft tegoed op kleding f 4,67 1/2 en schuld op voorschot f 1,57

Zij staat in geene bijzondere betrekking met de brigadier Veldachter Blatter maar komt daar wel aan huis, om de vrouw in haar huiswerk te helpen, daar Vrouw Blatter zeer zwak is en een groot huisgezin heeft.

De Directeur der Koloniën, J. van Konijnenburg.

gij zijt alle schelmen en afzetters

En dan het voorval van vandaag, 17 december 1833. Op de Ommerschans zijn alle ogen gericht op de statige directiewoning, op de Noord-Oost wal van het gesticht. Adjunct-Directeur Kornelius Mulder is ernstig ziek en men vreest voor zijn leven. Mulder, slechts 33 jaar oud, is een bijzondere protégé van Johannes van Den Bosch. Van den Bosch stuurt hem in 1819 naar het instituut Hofwyl bij Bern in Zwitserland, waar Philipp Emanuel von Fellenberg met dezelfde idealen als van den Bosch al jaren succesvol aan de slag is. Bij terugkomst is Mulder aangesteld als intituteur op het landbouw instituut te Wateren. Als in 1829 Adjunct Directeur Jacob Vertraugoth Harloff niet geheel vrijwillig vertrekt van Ommerschans, wordt 29-jarige Mulder in zijn plaats benoemd. En nu, amper drie jaar later, vecht de echtgenoot en vader van vier kinderen tegen de dood.

Jan Blatter is met de wagen naar Zwolle geweest. En als hij terug komt bij de hoeve van Onderdirecteur-Buiten Alle Jans Wijkstra (de opvolger van Jan Ariens Bosscha), gaat het vreselijk mis...Proces Verbaal

Op maandag den 17 December Een duizend achthonderd drie en dertig, des avonds te zeven uuren, kwam den brigadier Veldwachter Blatter met de wagen terug van Zwolle en hield als naar gewoonte stil voor de staldeur van de woning van de onderDirecteur buiten: al dadelijk bemerkte men dat hij beschonken was, dat evenwel niet zeer vreemd konde zijn, daar hij zints eenigen tijd altijd in die situatie, van Zwolle terug is gekomen doch niet in zodanigen ergen graad;
De stalknegt kwam hem dadelijk te hulp, als mede den onderDirecteur (Buiten) om te helpen dat de paarden wierden uitgespannen en op stal kwamen doch Blatter bleef in de wagen zitten en verkoos er niet uittekomen zeggende "Ik verlaat de wagen niet ik blijf in de wagen, gij zijt alle schelmen en afzetters" sloeg het kleed dat over de wagen gespannen was met zijn stok vol garten, ja zelfs werkte de drank zoo helsch in hem, dat hij zonder dat hem iemand iet in den weg had gelegt, zijn pistool nam en dreigde te zullen los branden, waarop men dan ook al spoedig het pistool hoorde kitsen, en eenige oogenblikken daarna viel het schot uit de wagen, doch gelukkig  de kogel trof niemand, vervolgens bleef hij aanhouden met schelden en razen en verkoos (hoe zot) de wagen niet uittekomen, dreigende andermaal de geenen die hem naderde met het tweede pistool te zullen begroeten.

De Onder Directeur buiten vervoegde zich na dit -Voorval- Voorval bij den Onder Directeur binnen, om met denzelven te raadplegen wat in dezen te doen stond, daar de ziekelijke omstandigheid van den Adjunkt Directeur niet toeliet zijn Ed hier mede te komen bemoeijlijken; waar op den OnderDirecteur binnen medeging om getuige te zijn van den afloop der omstandigheden, die dan ook Blatter nog in dezelfde positie in de wagen hoorde onophoudelijk met schelden bezig.

Eenigen tijd in het huis van de OnderDirecteur buiten geraadpleegt zijnde, begon het schelde minder te worden en weldra hield het op, waar op men buiten ging, doch Blatter was vertrokken, men vond alzoo goed dat de stalknegt naar het huis van Blatter zoude gaan om te zien of hij wel was te regt gekomen, om dat het zodabig duister was dat iemand die wel bij zijne positiven zijnde, moeijelijk de weg zoude kunnen vinden; dit gebeurde dan ook; de stalknegt zijnde den kolonist Embdenaar ging naar zijn woning doch nam tot verzekering van zijn persoon een stok mede; om zich zoo mogelijk aangevallen wordende te kunnen defenderen; hij vertrok daar op doch kwam spoedig te rug en boodschapte dat Blatter te huis was en koffij zat te drinken, waar op men dagt dat nu alles was afgelopen te meer daar het reds negen uuren gepasseerd was, en hij nu afgemat wel in slaap zoude vallen;

dan wat gebeurt gebeurd er verder om 10 1/2 uur wordt er bij den OnderDirecteur binnen op de deur geklopt er wordt open gedaan en Blatter komt binnen voorzien van een geladen pistool pallast en stok en overhandigde eenige papieren die hij uit Zwolle had medegebragt, hij was door drift en nijd voor alle vermaning onvatbaar, zeggende onophoudelijk -"Ik"- "Ik moet de stalknegt Embdenaar van avond nog zien, die met een stok gewapend in mijn huis is geweest" - hier op gaf den Onder Directeur binnen hem te kennen dat hij stil naar zijne woning zoude gaan e morgen terugkomen indien hij vermeende beledigt te zijn, dat op verre na niet het geval was, hem daarbij onder het oog brengende dat hij door het gedrag van dezen avond waarschijnlijk vrouw met zeven kinderen ongelukkig maakte doch dit alles vond geen ingang; daar na vertrok Blatter doch geen half uur later daar na kwam de boekhouder (buiten) Bosma met de Stalknegt Embdenaar mij uit naam van de Onder Directeur (buiten) verzoeken of ik middelen zoude willen in het werk stellen, dat zijn woning beveiligt wierde tegen de aanvallen van Blatter, die nu reeds meer dan een half uur met een stuk hout of knuppel op de deuren en vensters had gehouwen om in huis te komen dat hij zoo verre gevorderd was dat het venster aan de oostkant in de midden gescheurd was, dat hij het uitbrulde van kwadaardigheid, en zoodanig geweld maakte dat de Predikant van Nes en den Adj. Directeur Mulder in hunnen woningen zich geen denkbeeld konden maken va het geen er voor viel, dat de huisgenoten van den Onder Directeur buiten zich onder de schoorsteen  hadden geposteerd om beveiligt  te zijn voor een pistoolschot door de glazen, dat men van buiten gehoord had, dat beproefd was, doch waar in hij door dien het kruid nat was geworden, niet geslaagd was.

De Onder Directeur binnen ging daar na na de wagt, en gelaste dezelve, om Blatter te arresteren, zijne wapens af te nemen, en in verzekerde bewaring te brengen, doch
-hier-
hier aan wierd schorvoetende gedeeltelijk voldaan waar omtrend dan ook naderhand het ongenoegen aan die veldwachters is te kennen gegeven, -eindelijk hebben zij het dan zoo verre gebragt, dat Blatter naar huis is gegaan, waar door de nagt rustig is afgelopen.

Den volgenden morgen was Blatter geheel bedaard zoo als het gewoonlijk met beschonken lieden het geval is, doch dit gebeurd met Blatter bij herhaling, onlangs van Zwolle terugkomende heeft hij den Adjunct Directeur uitgescholden voor al wat schandelijk is, men was in derdaad verlegen met hem, want niet dan met groote moeijte heeft men hem de deur kunnen uitkrijgen, en zoo hebben er van tijd tot tijd onderscheidene gevallen bestaan die om zijn huisgezins wille telkens nog al onder den dekmantel zij gehouden, dezelve bestonden dan ook niet, als in personaile beledigingen zijner superieuren.-

Aldus naar waarheid gerelateerd op dato als boven

De onder Directeur binnen, (get.) Rensing - De Onder Directeur buiten (get.) A.J.Wijkstra

Het strijdtoneel

Op de kadasterkaart uit 1860 heb ik de woningen van de onderdirecteur buiten (thans locatie Veldzichthoeve), Ds van Nes (thans nog bestaand) en adjunct-directeur Mulder (afgebroken) aangegeven. De kaart is transparant geprojecteerd in Google Earth, zodat de actuele situatie zichtbaar is.
 

Verweer

Als Blatter weer nuchter is, beseft hij natuurlijk dat dit voorval hem wel eens de kop zou kunnen kosten. Hij besluit daarom een brief te sturen aan de directeur der Koloniën, Jan van Konijnenburg. Blatter kan zelf niet goed schrijven, maar ik ga er van uit dat hij de brief wel geheel gedicteerd heeft. En zoals we Blatter inmiddels kennen: hij kiest de aanval!Mijn Heer directeur Krijneberg,

Daar ik den 16 met 9 man rekruten en 2 Veldwagters Naar Zwol geweest heb op de terug rijs cirka aan de Schans stuurt de land dierecteur den Colonist emdenaar bijgedagten Om mijn Af te vraagen goed van de waagen in dit geval so ken ik geen Colonist en wil hem dat ook niet geven waarop begint voorgemelde diercht te schelden voor muijter voor smeerlap en diergelijke woorden hier meede niet genoeg een uur naar dat koomt voor gemelde mijn hier met een groote stok aan en in mijn huis te verontruster eb weer dierglelijk schelden woorden om mijn de glasen in te slaan het geen mijn vrouw verhoeden wilde Als toen een schaap slag ontvang heeft het geen haar tot heden nog in Commandeert en daar toe nog ongemak aan duijm bekomen heeft waar op Als dat ik op mijn beurt driftig worden moest en gaan naar den land dierecteur die mijn de deur wijgert te openen en verstapt voorgemelde Als toen heb ik den Collonist aan de wagen voor affstter gescholden waar voor ik hem heel wel kon aanmerken ik ken bij den Avond geen geen Collonist het zij wie het zij geen wonden dat den land directeur vrienden met emptenaar is die in presentsie van den slager en van mijn een stuk vlees van de vete koeje van den maatschappij den land directeur zelfs Af gesneeden gaat dat Aan emptenaar om ze dier gelijk te zien kan ik niet wel Al se ik zulks ook niet verswijg Alzo spreekt dit van zelfs kan der land directeur geen vriend van mijn Zij met de grootste verwondering ben ik van den Heer Rensinck van mijn post geset en deselfte heeft gezeijd om niet onder oogen te komen sonde als dat ik zijn Ed door valse raporten over Reede en als toen in de eerste plaats dien order heeft laten uijt vaarden daar ik in tegendeel in het minst geen ongenoegen met zijn Ed heb gehad en zijn Ed uijt voorgegaande ook te regtzinnig voor beschouw het geen ondervinding uijt meer gevallen buijten mijn geleerd heeft valsche Raporten is geen wonder hier dat ik mijn Pistool heb gelost is zeker die Zijn in mijn huijs houwing niet vertrouwd geladen prigt heb ik in geen deel versuijmd en dat de mensch bij Zulke gevallen een mond vol drank gebruijkt daar waar het weer en stand Zeer wel toe in gerigt egter heeft den drank mijn niet berooft van zinnen dat ik zeer wel weet wat ik gedaan heb dat is niet te verwonderen dat de mensche som wissen een woord te veel zijt is al zo egter kan in dit geval also wat sen antwoorden Ja meer dan dit ik zien zeer duijdelijk dat ik gezogt worde niet aan de Heer Rensinck maar wel aan de Andere lieden die mijn met mijn zwaare huijs houssding dit bezwaarlijk stuk Zwol nog niet gunnen verzoek dierhalfen zeer neederig om mijn bijstand hier in te verleenen waar in ik zeer veel vertrouwen stel zonder dat ik u wel edele Als vader vader van dit gesticht koom koom streele uijt Andere omstandigheid te veel geleert om in dit hachhelijk tijdstip geen huishouwding van 9 menschem ongelukkig zoek te maaken om een dit is kort leeden noch Anders geleeken vertrouw dier halfe op het godlijk bestuur en op U Ed Als ons Aller vader en Regter van Colonien smeek om hulp te ver leen waar meede ik verblijf met Alle HoogAchting P. Heer en vader daar ik geen reden kan vinden om de Heer Rensinck in dit geval kan verdenken dat Zijn Ed mijn mondeling va mijn post heeft afgezet o neen dit merk ik also hier uijt aan Alo dat de Heer Rensink mijn niet onder de oogen begeerde te zien.
Alo Meede order aan de veldwachters te geven om mij in mijn vack niet meer te erkenen

U onderdanige (get.) J. Blatter

Waarschijnlijk krijgt Jan van Konijnenburg deze brief onder ogen als hij een week later zelf op Ommerschans is. Hij is daar niet vanwege het voorval met Jan Blatter, maar omdat Adjunct Directeur Kornelius Mulder op kerstdag zijn laatste adem heeft uitgeblazen.

Van Konijnenburg wordt tijdens zijn bezoek ook op de hoogte gebracht van het voorval met Blatter. Hij heeft daarop een gesprek met Blatter, waarin hij hem ondermeer probeert duidelijk te maken dat hij echt een andere toon aan moet slaan en dat het er sowieso niet goed voor hem en zijn gezin uit ziet.

Blatter stuurt daarop een smeekschrift aan van Konijnenburg.Mijn Heer

daar het mij toeschijnt Als mijn partij over mij schijnt te trieopheeren Vind mijn verpligt u wel edele Af te smeeken om mijn onschuldige Ja mijn onnosele schapen van Kinderen met mijn Gade U Ed te ontfermen ik vind mijn hier schuldig en wegens den drank ik smeek dierhalfen slaat mijn post gaade hoe gevaarlijk de Zelffe somwijlen is in de eerste plaats verbied ik wat, zomwijlen word het van een die meer schijnt te zeggen te hebben dan ik getoldeerteert.
koomt dit dan eens verkeerd uijt ben ik nog de lijdendee partij en als dan word mijn instrucksie in dat tijdstip in aanmerking genomen en op Andere tijden zomwijlen niet.
dat ik mijn tot de pen begeeft is uijt dien hoofde als dat ik met de mond zo goed niet de Hollandsche taal kan uijt spreek smeek nog maals om als een ontfermend vader op mijn en mijn ongelukkigge neder te zien onder beloft op mijn woord niet meer te mistasten.

in drank halten dat beloof en zweer U we Ed bij een Al weetend God voorzoek dier habben mijn partijen wel in Aanmerking te neemen daar de Les van de Heer Jezus zijd nie van u allen Zonder Zonden is werp den eersten steen op haar Edelmoedig Heer.

Verblijf U wel Edele versugtende onderdanige (get.) J. Blatter

Aan den heer directeur Knijneberg te Frederiksoord

Deze brief is nog veel onsamenhangender dan de eerste. Met een beetje goede wil kun je voelen dat Jan Blatter iets ootmoediger is dan normaal...

Maar het mag niet baten: van Konijnenburg is duidelijk in zijn advies aan de Permanente Commissie: ontslag! Wel zoekt hij naar een oplossing voor het gezin Blatter.Eindelijk leg ik nog hierbij over, een proces verbaal van het wangedrag van opper Veldwachter Blatter, op den 17e van deze maand, met een tweetal brieven van dezelven, de eersten geschreven vóór mijn persoonlijk onderzoek der zaak, en de laatste daarna; welk onderzoek ten gevolge gehad heeft dat ik ik het gebeurde voor deugdelijk beschreven houd en ik mij genoodzaakt zie, UwEdGeb. het ontslag van dien ambtenaar vortedragen, daar zulke snoode vergrijpen niet zonder gevaar, te verschoonen zijn.

Ik gevoel daarbij zeer wel, dat het huisgezin, indien het geheel uit de koloniën ontslagen wordt, aan volstrekte armoede zal zijn overgelaten, maar aan mijne zijde mag ik niet andres, dan op het ontslag van den opperveldwachter aandringen. Hij is intusschen, nog in het genot van zijn tractement gelaten en de Sergeant der Veteranen, de Bruin kan wel vooreerst in de waarneming van de dienst alleen voorzien, te meer daar Blatter meer als ordonnance dan wel als opperveldwachter dienst deed.

De Directeur der Koloniën, J. van Konijnenburg.

Veenhuizen

De Permanente Commissie heeft oor voor het betoog van Jan van Konijnenburg. Blatter wordt ontslagen maar krijgt de kans om met zijn gezin naar Veenhuizen te komen. Ze mogen daar als arbeiders-huisgezin in het derde gesticht komen wonen, in één van de vele woningen aan de buitenzijde van het Gesticht. De status van arbeiders huisgezin is de laagste rang van ambtenaren, maar altijd beter dan het verblijf aan de binnenzijde van het gesticht. Blatter is daarmee een directe collega van Pieter Geijben, de vader van Teunis Geijben die we kennen uit "het Pauperparadijs".

Niet mee eens

Maar Blatter zou Blatter niet zijn als hij zich bij zijn lot zou neerleggen. Wellicht aangezet door zijn "zeer zwakke" echtgenote, zoekt en vindt hij in het gesticht iemand die de pen zeer vaardig hanteert en die namens Jan Blatter een prachtig klaaglied schrijft.Aan de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid te 's Gravenhage

Geeft met verschuldigde eerbied te kennen Jan Blatter, voorheen Brigadier Veldwagter aan de Ommerschans, thans geplaatst als Huisgezin in de Kolonie Veenhuizen, 3e Gesticht.
Dat hij Suppliant bij den aanvang zijner voorige Ambtsbekleding, nu ruim elf jaaren geleden /Zoo als der Commissie wel bekend zal zijn / Zich reeds aan dezelve heeft gewend, tot bekoming van hooger tractement, in aanmerking van Zijn Zoo talrijk Huisgezin, dan welk verzoek ter dier tijd is van den hand gewezen, en aam hem allen is toegestaan, het houden van een melkkoe, voor privé rekening; door welk middel dan ook hij ter nauwer nood in de behoeften van zijn Huisgezin voorzag
-Dat Hij-
Dat hij Suppliant door zijne overplaatsing naar Veenhuizen, zich natuurlijker wijze van gemeld Koebeest heeft moeten ontdoen, waar door dan ook zijn middel van bestaan merkelijk is verminderd.
Dat hij Suppliant echter door Arbeijdzaamheid, zoo voor zich zelve, als twee zijner kinderen / zijnde de overigen tot geene werkzaamheden geschikt / in zijne tegenwoordigen omstandigheden, nog wel in zijn onderhoud zoude kunnen voorzien, waare hier niet tegen de inhoudingen, voor Reserve en Kleding, volgens bestaand tarief voor Arbeijders Huisgezinnen, waaronder hij dan ook gerangschikt is, en waardoor zijne inkomsten dan ook merkelijk verminderen.

Om welke redenen, als mede in aanmerking zijne ruim Elfjarige bewezene diensten als Brigadier Veldwachter, de Suppliant de vrijheid neemt, de Commissie te naderen, met het volgende tweeledig verzoek als 1e Dat het namentlijk de Commissie moge behagen, hem Suppliant weder als Ambtenaar van eene of andere betrekking te plaatsen, of wel naar de Kolonie Frederiksoord als Arbeijders Huisgezin te doen overgaan.
2e De inhoudingen voor Reserve en Kleding, ten zijnen aanzien zodanig, te wijzigen dat slegts de helft van het nu bij Tarief bepaalden, voor zijn Huisgezien wierden ingehouden, en hier van te neemen en aan den Suppliant te doen uitreiken Besluit in den gewonen Form.

T' Welk Doende etc. (get.) J. Blatter

Zo langzamerhand moet de leiding van de Maatschappij van Weldadigheid toch echt wel klaar zijn met het gezin Blatter. Als die niet verder komen dan ondankbaarheid, dan wordt het tijd om ze los te laten. Over de precieze gang van zaken rond het ontslag van Blatter heb ik nog niets kunnen vinden, maar in het bevolkingsregister hier boven zien we dat het gezin op 13 augustus 1834 met ontslag is gegaan en dat ze vertrokken zijn met bestemming Zwolle. Intussen heeft Veenhuizen het gezin Blatter toch wat positiefs gegeven, want bijna 5 jaar na de geboorte van zoon Martinus, is Blatter's "zeer zwakke" vrouw weer zwanger.

Zonder vaste woonplaats

Op 1 november 1834 doet Jan Blatter op het stadhuis van Stad Ommen aangifte van de geboorte van zoon Joseph. We zien dat hij op geeft geen vaste woonplaats te hebben. Hij wordt terzijde gestaan door goede bekenden op het gemeentehuis, de deurwaarder Johannes Cornelis Weenink en de Grossier in Dranken Hendrikus Nevels. Ik verdenk deze Nevels er van dat hij menig aangever van de Ommerschans heeft verleid om de aangifte bij hem te komen vieren...

Dedemsvaart

Het zwervend bestaand van het gezin Blatter is niet van lange duur geweest. Per 1 januari 1837 is de gemeente Avereest uitgebreid ten kosten van de gemeenten Ambt Ommen en Ambt Hardenberg. Daarbij is de jonge en snelgroeiende veenkolonie Dedemsvaart bij Avereest gevoegd. Bij die gelegenheid zijn lijsten gemaakt van alle nieuwe inwoners van Avereest. Daarin treffen we het gezin Blatter in volle glorie aan.

Deze inwonerslijst is voor mij als een steen van Rosetta in de geschiedenis van Dedemsvaart. Om sterke arbeiders naar zijn veenkolonie te trekken, bedient Baron van Dedem zich al in de jaren '20 van uitgekiende marketing. Hij belooft de arbeiders een woning aan de Vaart, die meteen hun eigendom wordt en waarvoor hij ze dan een lening verstrekt die ze in een aantal jaren gaan afbetalen door er voor in het veen of aan het kanaal te werken. Daarbij blijft van Dedem, of een andere grondbezitter, eigenaar van de grond waarop het huisje staat. Daarvoor betaalt de eigenaar van het huis dan een jaarlijkse erfpacht. Dankzij die constructie liggen de namen van deze eigenaar/bewoners vast in de kadaster boekhouding en op die manier heb ik van plm 30% van de bewoners in deze lijst de exacte woonlocatie kunnen vaststellen.

Het gezin Blatter komt in de kadasterboekhouding helaas niet voor, maar buurman Nicolaas Groen (no 230) gelukkig wel. En daardoor weten we dat het gezin Blatter in de nabijheid van nr 230 op onderstaande kaart moet hebben gewoond. Overigens, die huisnummers heb ik zelf verzonnen om de locaties uit elkaar te kunnen houden.En zo meldt Jan Blatter zich op 9 januari 1838 in de herberg van Frederik Boterman bij de Kalkovens in Dedemsvaart, om aangifte te doen van de geboorte van weer een zoon: Andries. Buurman Klaas Jans van Urk van No 228 en  Gerrit Grun, zoon van buurman Groen op No 230, gaan mee als getuige.Ik ga er van uit dat het gezin Blatter zich in de Veenkolonie Dedemsvaart goed heeft kunnen redden. Weliswaar niet zo goed, dat zij zich het kunnen veroorloven een eigen woning te kopen, maar wel zo goed, dat als vijf jaar later zoon Frederik Willem, die officieel Frederic Williame Platre heet, trouwt, hij de huwelijksvoltrekking gewoon zelf kan bekostigen. En dat terwijl in de veenkolonie een groot deel van de arbeiders "van de armen" -dus gratis- trouwt. 

In de acte zien we dat Freek Blatter netjes ondertekent met "Platre". Zijn vader is dat te moeilijk. Die tekent J. Blatter in zijn herkenbare hanepoot.Dit is trouwens wel de laatste maal dat ik Jan Blatter heb zien tekenen. Als tien jaar later zoon Jan jr trouwt, verklaart Jan Sr niet te kunnen schrijven "zulks niet geleerd hebbende". Jaja...In het oudste bevolkingsregister Avereest, ingesteld in 1850, vinden we het gezin op het adres wijk G nr 66. Dit is zonder twijfel dezelfde plaats waar ze in 1835 zijn neergestreken. Bij de volkstelling van 1850 werd de bewoners gevraagd wat hun naam was (ze hoefden geen identiteitspapieren te overleggen). We zien dat Blatter inmiddels veranderd is in Bladder.In het bevolkingsregister zien we al hoe het verhaal is afgelopen. Jan Bladder is hier overleden op 10 maart 1854, zeventig jaar oud.Jan's echtgenote, de "zeer zwakke" Josephina Natali de Quatoi, is hier op 8 november 1858 overleden, eveneens zeventig jaar oud. Viel het misschien dan toch wel mee met die zwakte?

het nageslacht

Op de genealogische kaart van Jan Blatter zien we in één oogopslag hoe het zijn tien kinderen (negen jongens en één meisje) is vergaan. Bovendien vinden we daar de links naar de vele online bronnen waarin Jan Blatter voor komt.

De oudste zoon, Hendrik, bleef ongehuwd. Hij overleed drie jaar na het overlijden van zijn vader. Zijn moeder leefde toen nog. Hendrik was schaapherder en woonde bij Slagharen. En zo zien we een opvallende overlijdensacte, van een schaapherder te Slagharen, geboren te Parijs...

De tweede zoon, Jean, moet jong overleden zijn, vermoedelijk in  Condé sur l' Escaut. De zesde zoon, Geert (die gedoopt was als Gerhardus) is in 1860 ongehuwd overleden te Slagharen en nummer acht, Martinus (de laatste die op de Schans is geboren) is tien weken na zijn vader overleden in de ouderlijke woning, wijk G nr 66.

De overige zes kinderen zijn allemaal gehuwd en hebben nakomelingen.

Frederik Bladder

Nummer drie, Frederic Williame Platre, heeft zijn fraaie Franse naam slechts twee maal in zijn leven gebruikt, omdat hij er niet onderuit kon: tijdens de twee maal dat hij een huwelijk aan ging en zijn geboortepapieren op tafel kwamen. Bij de aangifte van zijn zeven kinderen gebruikt hij consequent de naam Frederik Bladder. Zoals we eerder in het verhaal al zagen, trouwt de Katholieke Frederik in 1843 met de Hervormde Anna Ticheler. Hij neemt daarbij ook het Hervormde geloof aan. Gemengde huwelijken komen in de 19e eeuw in Avereest niet veelvuldig voor, maar er is in dit geval een goede reden: Anna is ruim 3 maanden zwanger. Na de geboorte van dochter Aaltje blijft dit huwelijk verder kinderloos en Anna overlijdt in 1849 in Dedemsvaart, aan de Zamenwijk. De Samenwijk ontleent haar naam aan haar ligging: ze is gegraven precies op de grens van de voormalige Marken Diffelen en Stegeren.

In 1851 hertrouwt Frederik met Fennigje van der Beek, een jonge weduwe met 1 kind. Zij blijven aan de Samenwijk wonen en krijgen daar samen 6 kinderen. Intussen werkt Frederik Bladder als voorman voor de Dedemsvaartse vervener Egbert Zwiers. Als Zwiers in 1852 met zijn zwager, eveneens vervener, Arend Berends, opdracht van de provincie krijgt om de voorbereidende werkzaamheden uit te voeren voor het doortrekken van de Lutter Hoofdwijk tot aan de grens van Drenthe nabij Coevorden, wordt Frederik Bladder als voorman aangesteld om het werk te leiden. Daarbij wordt het tracee van het kanaal in "begrupt en begreppeld", opdat het af te graven veen ontwaterd wordt.
In 1856 was Zwiers de laagste inschrijver op de aanbesteding van het graven van de Lutter Hoofdwijk. Bladder was lange weken van huis om alleen op zondag thuis aan te schuiven. In 1860 nam Zwiers de aanleg van het laatste stuk van het Oranjekanaal aan, van Emmen tot aan het tracee van de Hoogeveense vaart. Ook hier nam Bladder de leiding op zich en ook nu was hij lang weg bij vrouw en kinderen. Aan dit stuk kanaal vestigden zich tal van veenarbeiders uit Slagharen. Zij noemden deze vaart niet het Oranjekanaal, maar de Bladderswieke. En zo heet deze vaarweg nog steeds: Bladderswijk.

In 1864 verhuist het gezin Bladder van de Samenwijk in Dedemsvaart naar Bergentheim. Daar krijgt Bladder de dagelijkse leiding over de arbeiders die in de ontginning van Mr I.A. van Roijen de vaarten, wijken en gruppels aan moesten leggen. Daar in Bergentheim heeft Frederik tot aan zijn dood in 1878 gewoond. 

Josephina Catharina Bladder

De enige dochter, geboren in Oldebroek, heeft samen met haar partner, timmerman Berend Hendrik Siewes zeven kinderen gekregen. Ik heb me tevergeefs suf gezocht naar een huwelijk. Het lijkt er op dat de bovenlander (zo worden de Duitsers in de veenkolonie genoemd) Siewes, die ook als Siebers en Siwes te boek staat, gewoon liegt als hij bij de geboorte aangifte van zijn kinderen staalhard beweerd gehuwd te zijn met de dochter van Jan Blatter. Overigens, daarin staat hij niet alleen: In het veen kom je deze gevallen overal tegen.
Overigens beheerst Siebers wel de schrijfkunst: hij zet zijn handtekening strak in een voor ons vrijwel onleesbaar, maar heel regelmatig handschrift, dat een sterke gelijkenis vertoont met het Sütterlin handschrift dat in Duitsland in de eerste helft van de 20e eeuw verplicht op school werd geleerd. 

Na de geboorte van hun eerste kind, tevens het eerste kleinkind van Jan Blatter, vertrekt het stel naar Slagharen, waar ze de rest van hun lange leven wonen. In 1901 overlijden ze daar, 14 weken na elkaar.

Jan Platter

Zoon Jan Platter woont zijn leven lang in Dedemsvaart en komt meestal voor als veenarbeider. Hij trouwt in 1853 met de dochter van veenarbeider Harm Jan Minke uit het Duitse Thuine. Uit die plaats komt ook de vervenersfamilie Minke. Vermoedelijk is dit familie. Bij de aangifte van zijn vijf kinderen ondertekent Jan met de naam Platter en dat maakt dat zijn kinderen ook onder die naam verder gaan. Maar hij als getuige mee gaat naar het gemeentehuis dan verklaart hij dat hij de schrijfkunst niet machtig is en dan zien we dat de ambtenaar van de Burgerlijke Stand zelf bedenkt hoe de achternaam geschreven wordt. Dan komen we de namen Bladder en Blatter even vaak tegen.

Jan Platter heeft drie zoons die volwassen worden. Zoon Hermannus vertrekt in 1887 naar Munster en daar loopt voor mij het spoor dood. De andere zoons trekken naar Groenlo en Twente. De eerste heeft daar een groot gezin, de andere blijft kinderloos.

Frans Blatter

Zoon Frans Blatter vertrekt volgens het bevolkinsgregister van Avereest in 1859 naar Helenaveen (gemeente Deurne en Liessel) in de Brabantse Peel. Daar zit vast en zeker een fout in de Avereester administratie, want Frans is in 1856 in Deurne gehuwd met Elisabeth Bremer, zelf geboren in Rheezerveen onder Ambt Hardenberg. Ze krijgen samen in Helenaveen 12 kinderen, waarvan er 6 jong overlijden. We komen Frans tegen als arbeider, polderwerker, opzichter en zaakwaarnemer.

Joseph Bladder

Zoon Joseph Bladder, het kind dat als eerste buiten Ommerschans is geboren, trouwt in 1857 in Avereest met Femmegien ter Braak, de jongste dochter van veenarbeider Berend ter Braak.  Hun eerste twee kinderen komen in Avereest ter wereld. Beide zijn geboren op het adres Wijk D ongenummerd. Dat laatste is geen goed teken. Het betekent over het algemeen dat het gezin in een "tent" woont, de eigentijdse aanduiding voor de plaggenhut. In 1860 verlaat Joseph tijdelijk zijn gezin, om zijn geluk in de Peel te beproeven. Je zou verwachten dat broer Frans hem daar wel op weg kan helpen. Maar zo pakt het niet uit. Joseph komt terug naar Dedemsvaart en in 1862 vertrekt het gezin naar Lutten in de gemeente Ambt Hardenberg, waar 2 kinderen geboren. Omstreeks 1869 verhuist het gezin naar Slagharen, waar de laatste drie kinderen worden geboren in 1872 en 1875. En enige tijd daarna verhuist het gezin naar Erica, de veenkolonie die kort daarvoor is gesticht als "Nieuw Slagharen". Daar blijft Joseph de rest van zijn leven wonen en werken. Vier van de vijf kinderen die volwassen worden blijven hun leven lang in Erica wonen. De jongste van hen, zoon Hendrikus Bladder (1875-1955), is de overgrootvader van de Nedersaksiche Sing-a-Song Writer (blèr 'n lied schriever) Daniel Lohues.

Andries Bladder

De jongste van het stel, zoon Andries Bladder, is 16 jaar oud als zijn vader overlijdt. In 1860 trekt hij samen met broer Joseph naar de Peel om daar een toekomst te zoeken. Maar ook hij komt terug naar Overijssel. In 1864 trouwt hij met Gesina Peters en ze trekken naar Nieuw Amsterdam, waar hun zoon geboren wordt. Kort daarop overlijdt overlijdt Gesina, waarna Andries opnieuw naar de Peel vertrekt. Hij hertrouwt daar in 1871 met Hendrina Janssen en samen krijgen ze nog drie kinderen, totdat Hendrina in 1877 overlijdt. Andries blijft de rest van zijn leven in de Peel, waar hij in 1916 als laatste van de kinderen Bladder overlijdt.

Samen zorgen de kinderen Bladder, Blatter of Platter voor een flink nageslacht. Klik hier maar eens voor de aardigheid om een indruk te krijgen en weet dan dat dit letterlijk het topje van de ijsberg is..

verantwoording

Geraadpleegde bronnen (voor zover niet aangegeven in de tekst)
het boek De Bedelaarskolonie van Wil Schackmann, alsmede zijn online pagina's
het boek Een Wereld van Turf van Wim Visscher (ISBN 90 76877 05 X - 2003)

Auteur:Helmuth Rijnhart
Trefwoorden:Ommerschans, Maatschappij van Weldadigheid, Bedelaarskolonie, Drankmisbruik
Periode:1822-1860
Locatie:NL, Witharen, Balkerweg 80

Locatie op kaart

0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Soort
Titel
Bericht
Bestand