MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Gevaren van de Zuiderzee

Verhaal

 Een donkerblauwe jas, een zwart vest met tinnen knoopjes, een wollen trui, een gestreepte broek, riem met koperen gesp en leren pantoffels. Wat hebben deze kledingstukken met elkaar gemeen? Ze waren allemaal eigendom van mannen van wie de identiteit onbekend was en zijn verdronken in de Zuiderzee.  Overijssel lag tot de drooglegging van de Noordoostpolder aan de Zuiderzee. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het beroep van visser of schipper veel in de akten van burgerlijke stand voorkomt. Plaatsen als Kampen, Vollenhove en Zwartsluis waren namelijk belangrijke plekken voor visserij en handel. Hoe zag het leven in deze Zuiderzeesteden eruit vóór de komst van de Afsluitdijk en de Noordoostpolder?

Leven aan de Zuiderzee

In de middeleeuwen was de Zuiderzee belangrijk voor de handel van Hanzesteden als Deventer, Kampen en Zwolle. Graan, textiel, zuivel en vis vonden hun weg via de Zuiderzee naar verschillende steden in Europa. Haring uit de Zuiderzee kwam bijvoorbeeld terecht in Bergen Noorwegen  of in het huidige Gdańsk in Polen . De handel in de Ijsselsteden zorgde voor grote welvaart. Deze welvaart is nog te zien aan het Huis met de Hoofden van Zwolle of het Raadhuis in Kampen.

In de negentiende eeuw zorgde de Zuiderzeevisserij een belangrijke bron van inkomsten in Overijsselse kuststeden als Vollenhove en Kampen.  Ook het eiland Schokland zouden we hier onder kunnen scharen. Het eiland moest echter al in 1859 worden geëvacueerd in verband met het toenemende  gevaar voor het dreigende water. Voor de komst van de Afsluitdijk, bestond de Zuiderzee zowel uit zoet als zout water. Niet alle vissen waren dus overal aanwezig. In Overijssel waren vissers  vooral op zoek naar bot, paling, haring en spiering. Dit was ook nog eens afhankelijk van het seizoen. De schepen die zij gebruikten heten botters, vernoemd naar de bot waar zij op visten.  Helemaal zeker is de oorsprong van het woord niet. Het kan ook afgeleid zijn van de botte of stompe vorm van het schip. Een ander schip dat sinds 1900 in Overijssel werd gebruikt is de Vollenhovense Bol. Dit schip zou meer bescherming bieden tegen water en het  leek in veel opzichten op de oude botter.

Verlies van cultuur

Wie tegenwoordig denkt aan de Zuiderzee, denkt waarschijnlijk aan steden als Marken, Urk of Volendam.[1] Toch was deze Zuiderzeecultuur ook te vinden in Overijssel.  Dat blijkt uit de documenten van Henry Havard, een Frans kunsthistoricus, die in de zomer van 1873 een rondreis langs de steden van de Zuiderzee maakte. Van deze reis heeft hij uitvoerig verslag gedaan. Havard stopte ook in Kampen en Zwolle. Hij beschreef hoe Kampen in een rap tempo werd bewoond door vissers, touwslagers en scheepsbouwers  en hoe hoog de druk was voor nieuwe behuizing.  Qua kleding zijn er ook kenmerken te vinden van een Zuiderzeecultuur. Op Kampereiland was er een klederdracht die doet denken aan de dracht die je nog kunt vinden in Volendam en Marken.  Dit wordt bijvoorbeeld beschreven door Hendrik Moerman die in 1938 probeerde het volkskarakter vast te leggen van Noordwest-Overijssel in de bundel Nederlandse Volkskarakters. Kenmerkend was voor hem het oorijzer dat zowel in Holland als in de kuststreek van Overijssel werd gedragen.

Toen de afsluitdijk in 1932 werd afgerond en de eerste stukken grond  van de Zuiderzeewerken werden drooggelegd, ontstond de angst dat veel vissersdorpen hun cultuur, identiteit en de visserij zouden verliezen.  Om dit te voorkomen zijn er pogingen gedaan de Zuiderzeecultuur te bewaren. Zo begon het Dialectenbureau in de jaren twintig met het vastleggen van dialecten in deze zeesteden. In een boek uit 1963 over de Overijsselse Volkskarakters door H. Drijfhout en K. Jassies werd Vollenhoven nog wel beschreven als een echt vissersdorp. Zo  was het bijvoorbeeld  de traditie dat vissers op oudjaarsavond op hun boten feestelijk aten en dronken.  

Gevaren van de Zuiderzee

Het leven op zee bracht ook gevaren met zich mee. Voor Hanzeschippers was dit  de kaapvaart. In de middeleeuwen voeren zeerovers vanuit een burcht in Kuinre om de zee onveilig te maken.  Een belangrijke taak van de Hanzesteden was dan ook de bescherming van de handel tegen zeeroverij.

Het grootste gevaar kwam van het water. In de Zuiderzee ontstonden vaak hoge golven door water die door een noordwesterwind tussen de Waddeneilanden werden geperst. Hierdoor ontstonden er veel  overstromingen waarbij vaak slachteroffers vielen, vee verdronk  en gewassen beschadigd raakten. Van 1750 tot heden stierven als gevolg van watersnoodrampen ongeveer 2.600 mensen. Voor Overijssel was de watersnoodramp van 1825 erg desastreus. In de nacht van 4 op 5 februari stormde het zo hard dat de dijken doorbraken in de Ijsseldelta en bij het Land van Vollenhove. Tussen Steenwijk en Olst lag 93.000 hectare land onder water.  Die avond lieten 305 Overijsselaars het leven en verdronken 13.073 runderen en 525 paarden.  In 1916 was de laatste grote overstroming. Op verschillende plekken langs de Zuiderzee braken de dijken door als gevolg van een noordwester storm.  In navolging van deze watersnoodramp werd in  1918 werd besloten een afsluitdijk te laten bouwen.  De plannen voor de afsluitdijk waren al veel ouder, maar kregen steeds weerstand en werden kritisch bekeken. Tegenstanders waren niet zeker of het financieel haalbaar was, waren sceptisch over de uitvoer of waren bang dat het de visserij zou aantasten.

Het weer vormde ook een gevaar voor mensen die werkten op zee. Hoewel de zeevaart en visserij een inkomstenbron vormden, was het niet zonder gevaren. Het volgende gedicht illustreert de angst die schippers van de Zuiderzee hadden voor het weer:

Al dreigen de golven ons scheepje

Te doen vergaan in ’t hart der zee,

Geen nood al wij op Jezus staren

Hij brengt ons naar een veil’ge ree.

Jezus de Koning van Hemel en Aard,

Die stormen doet zwijgen en zeeën bedaart.

Voor veel zeelieden betekende de zee hun graf. Veel overlijdensakten uit de hoogtijdagen van de visserij  gaan over mannen die tijdens het varen overboord zijn gevallen en gestorven of zijn verdronken en aangespoeld aan de kust. Hoewel veel mensen benieuwd zullen zijn hoe het verleden eruit moet hebben gezien en moet hebben geroken, is het misschien goed dat het bij dit voorbeeld niet kan: ‘is gevonden het lijk van een onbekende manspersoon, vermoedelijk in de Zuiderzee verdronken. Het lijk verkeert in vergaande staat van ontbinding’.

Voor familie van vissers en schippers moet er een boel onzekerheid zijn geweest. In een advertentie uit 1872 de Zwolsche Courant  staat een beloning van vijftien of dertig gulden voor degene die het lichaam van vader Klaas Klappe of zoon Willem Klappe kan vinden. Zij zouden ergens tussen Urk en Schokland moeten zijn verdronken. In 1872 zijn zowel vader als zoon als overleden geregistreerd nadat hun lichaam was gevonden bij het strand van Ambt Vollenhove.

Een van de getuigenverklaringen die bij een overlijdensakte hoort, laat zien dat alcohol en varen niet goed samengaan. Herman Gerard Middendorp moest dit op de harde manier leren. Volgens een getuigen kwam hij dronken aan boord en besloot zijn roes uit te slapen op de luiken.  Onfortuinlijk genoeg viel de man overboord. Een van de schippers probeerde de man nog uit het water te vissen, maar tevergeefs. De man was dermate buiten bewustzijn dat hij niet meer te redden was.

 

[1] Urk hoorde bij de provincie Overijssel van 1950 tot en met 1986, maar dit was niet het geval in de tijd dat het IJsselmeer nog de Zuiderzee heette.

Auteur:Hans Gielen
Trefwoorden:Zuiderzee, Vollenhove, Visserij, Hanze, Handel, Overstromingen, Water Overijssel
Personen:Willem Klappe, Klaas Klappe
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand