MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Een slimme wisseltruc in de Tweede Wereldoorlog

Verhaal

Tijdens het doorspitten van de overlijdensakten stuitte ik op een wel heel bijzonder oorlogsverhaal. Het verhaal speelt zich af in Dalfsen in 1944. Door een slimme wisseltruc wist een onderduiker een werkkamp te ontvluchten, al kostte dit wel iemand anders het leven. Net als vele andere verhalen uit de Tweede Wereldoorlog, is dit verhaal even triest als indrukwekkend.

Kamp Erika

In 1941 werd besloten om op het grondgebied van het voormalig Sterkamp in Ommen een kamp te stichten. De oprichter was Werner Schwier en de Lagerführer was Karel Lodewijk Diepgrond. Wat de functie van dit kamp zou worden, was vanaf het begin nog niet helemaal duidelijk. Het moest in ieder geval een zuiver Nederlandse instelling worden met Nederlandse bewakers die vooral uit Amsterdam werden gerekruteerd. Er kwamen echter allemaal Duitse benamingen. De naam werd Arbeitseinsatzlager Erika en de bewakers werden Kontroll Kommando (KK) genoemd. De mogelijke functies van het kamp liepen uiteen van opleidingsplaats voor leidinggevenden tot werk- of doorvoerkamp voor joden. Het kamp zou uiteindelijk geen van beide functies vervullen, maar zou bestemd worden als uitbreiding van de Nederlandse gevangenissen die overvol raakten. In Ommen werden vooral mensen opgesloten die de distributiewetten hadden geschonden, moordenaars, inbrekers en zogeheten ‘asocialen’. Deze laatste groep bestond uit bedelaars en landlopers. Ook kreeg Kamp Erika de functie van doorgangskamp voor mensen die de Arbeitseinsatz weigerden. Zij werden via Erika naar Amersfoort gebracht, waarna zij naar werkkampen in Duitsland werden verstuurd.

Het aantal bewakers in Kamp Erika was erg groot en er ontstond een overcapaciteit van bewakers. Verder was er nog het probleem voor de Duitsers dat de Nederlandse politie niet altijd even goed meewerkte met het opsporen van onderduikers. Schwier stelde daarom voor om leden van de KK beschikbaar te stellen als vrijwillige hulppolitie. Deze bewakers kregen in plaats van het grijsgroene uniform een zwart uniform. Ook werd hun geweer ingeruild voor een revolver. Toen het kamp in 1944 in handen van de Ordnungspolizei (ook wel Grüne Polizei) werd dit uniform weer ingewisseld voor het groene uniform van deze dienst.

Een listige wisseltruc

Op 17 november 1944 gingen vier mannen vanuit Kamp Erika op huiszoeking in Dalfsen. Eén van deze mannen was de kampoprichter Werner Schwier. De groep was op weg naar het huis van de familie Broekema waar Gerrit Hendrik (Henk) Lubbers en Willem Alberts waren ondergedoken. Zij probeerden de Arbeidseinsatz te ontlopen. Henk was op dat moment 20 en Willem 21 jaar oud. Overdag werkten zij beide op het land van de heer Broekema. Henk was zelfs in dit huis in 1924 geboren. De kinderen van Broekema speelden vaak in de hooiberg in de buurt van het huis. Zij zagen de vier bewakers al aankomen in hun groene uniform en sprintten direct naar huis om hun ouders en de onderduikers te waarschuwen. Henk en Willem hadden een eigen kamertje op de zolder boven de keuken. Op deze kamer stond ook een schuine kast met een valse achterwand, waar de onderduikers zich achter konden verschuilen. De kas zelf was volgehangen met kleding. Zo bleef de achterwand beter verschuild wanneer iemand de kast in keek.

De bewakers kwamen aan bij het huis. Dr. Schwier en één KK’er met de naam Koert Koster gingen naar binnen terwijl de andere twee buiten het huis bleven wachten. Tijdens de huiszoeking kwamen zij aan op het kamertje van de onderduikers . Zij hadden weinig tijd om zich goed voor te bereiden. Het bed zag eruit alsof iemand er recent nog op had gelegen. Toen aan Broekema werd gevraagd wie hier had geslapen, verzon hij een leugen. Broekema nam in de middag gewoon een dutje als hij moe werd. De bewakers trokken vervolgens de kast open en begonnen de kleren van Willem en Henk te doorzoeken. Zij vonden het persoonsbewijs van Henk. De bewakers trokken hun revolver en richtten deze op Broekema. Hij moest ervoor zorgen dat de eigenaar van het persoonsbewijs terecht zou komen. Schwier wilde Koster nog een bijl geven om de kast open te breken. Voor Willem en Henk werd het te heet onder de voeten. Zij braken het dak open en sprongen naar beneden. De bewakers die buiten waren gebleven, stonden op de hoek bij het huis. Tiny Goutbeek-Broekema, de dochter van de boer, kan zich nog herinneren dat het openbreken van het dak een bijzonder grote knal veroorzaakte. Henk en Willem liepen ieder een andere richting uit. Henk rende achter de schuur langs naar een redelijk beschutte plek. Willem rende over het land richting het spoor. De twee bewakers die buiten stonden schoten op Willem waarbij hij dodelijk werd getroffen.

Om Henk en zichzelf te beschermen, vertelde Broekema de bewakers dat zij zojuist de eigenaar van het persoonsbewijs hadden neergeschoten. Op deze listige manier zouden de Duitsers immers niet hoeven verder te zoeken naar Henk en had hij dus een kans om te ontsnappen. Om hier zeker van te zijn, werd het lichaam van Willem getoond aan Gerrit Willem Lubbers en Wiesje Wijnhoud, de ouders van Henk. Zij speelden het spel mee en Gerrit Willem heeft zijn zoon op 18 november als overleden aangegeven bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Het lichaam van Willem werd opgehaald door een lijkwagen met paarden. Zonder al te veel aandacht vertrok de wagen niet naar de woonplaats van Henk, maar werd het stoffelijk overschot naar Beilen gebracht. Dit was de geboorteplaats van Willem en hier woonden zijn ouders nog steeds.

Nasleep

Na de oorlog heeft dit uiteraard voor één groot  probleem gezorgd. Op papier was Henk namelijk overleden, terwijl hij in werkelijkheid nog springlevend was. Daarom heeft hij een verzoek gedaan om weer tot leven te worden verklaard. Daarvoor moesten zijn ouders aanwezig zijn om te bewijzen dat het inderdaad hun zoon was. Het proces moet lang hebben geduurd. Pas in 1948, drie jaar na de oorlog, werd Henk Lubbers weer tot leven verklaard.

Kampoprichter Werner Schwier is na de oorlog naar Duitsland gevlucht en is nooit voor een Nederlandse rechtbank berecht voor misdaden die hij heeft begaan als oprichter van Kamp Erika of voor deze moord. Koert Koster, een van de soldaten die mee was op Razzia, is volgens de Dalfser Courant van 1947 wel berecht. De rechtbank achtte het onwaarschijnlijk dat Koster het dodelijke schot heeft gelost. Zijn pistool was niet erg effectief op een afstand verder dan 100 meter en Willem was op 150 meter afstand neergeschoten. Toch werd hij wel veroordeeld. Hij had immers wel gevuurd op Lubbers. Koster verdedigde zichzelf nog door te zeggen dat hij als staatspolitie gerechtigd was om op vluchtelingen te schieten. Dit deed de rechtbank niet veel. Hij had als persoon altijd de vrije keuze gehad bij de Kontrolle Kommando te gaan. Als bewaker, anders dan soldaat aan de frontlinie, had hij niet eens zijn eigen leven op het spel gezet. Daarbij kon het schieten op landgenoten nooit worden goedgekeurd. De eis tegen Koster was acht jaar celstraf met aftrek.

Speciale dank voor Ab en Tiny Goutbeek voor het helpen herinneren over wat er op deze dag gebeurde. Ook wil ik hen bedanken voor het beeldmateriaal die het verhaal tot leven brengen.

Auteur:Hans Gielen
Trefwoorden:WO II, Tweede Wereldoorlog, Dalfsen, Razzia, Huiszoeking, Kamp Erika, Moord, 1944
Personen:Willem Alberts, Henk Lubbers, Broekema
Periode:1944
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand