MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Boerenknecht in het voetspoor van zijn grootvader

Verhaal

Hoe breng je de geschiedenis van de boerderij waar je voorouders ploeterden tot leven? Historicus Ewout van der Horst besloot letterlijk in de sporen van zijn opa te treden door te solliciteren als boerenknecht op de Bissemshofstede. Zijn ervaringen op het melkveebedrijf verwerkte hij in een boerderijbiografie.

Mijn opa Albert van der Horst, in 1913 geboren te Zwollerkerspel, hield vanaf de bevrijding in 1945 tot zijn dood in 1989 dagboekjes bij. De bijna vijftig deeltjes zwierven jarenlang door mijn familie. Ondanks het kriebelige handschrift deed menigeen pogingen om er wat in te grasduinen. Als boer begon hij zijn verslag steevast met het weer, vervolgde met wat er op het bedrijf was gebeurd, om eventueel nog wat bijzonderheden over gezin, kerk of politiek toe te voegen. Het verslag van mijn eigen geboortedag, 29 april 1979, besluit hij met: ‘Vanmorgen bericht van Jan en Elly dat ze een zoon van de Heer mochten ontvangen. Blijdschap voor hen en voor ons. Trees 85 kreeg ook een zoon van 100 pond.’

Senioren van agrarische komaf kijken vaak met nostalgie naar het plattelandsleven van hun jeugd. Ze verlangen terug naar het kleinschalige, gemengde familiebedrijf. In veel publicaties, boerderijmusea en evenementen als oldtimerdagen of streekmarkten komt een nogal traditioneel en statisch beeld van de landbouwgeschiedenis naar voren.  Als historicus ben ik juist geïnteresseerd in de voortdurende veranderingen van het boerenbedrijf en zijn bewoners. Hoewel het werk per seizoen volgens vaste patronen verloopt, zit er volop dynamiek in de landbouw. Elk jaar verloopt toch net weer anders.

Om een scherper beeld te krijgen van de modernisering van het boerenbedrijf ben ik de dagboekjes van mijn opa systematisch gaan ontsluiten. Avond aan avond zette ik interessante notities per tijdvak en thema op een rij. Meer dan de vele tientallen interviews die ik met boeren en boerinnen heb gehouden, geven dagboeken zicht op twijfel en moeite bij veranderingen, als een pleister op de huid van de tijd. Vooral in zijn jonge jaren stond mijn opa open voor innovaties op het bedrijf, maar de aanschaf van een melkmachine in 1948 – waar zelfs de dominee naar kwam kijken! – en de eerste trekker in 1956 vergden heel wat geduld van de gebruikers. ‘Kunnen nog niet opschieten met hefinrichting van trekker bij ’t ploegen’, mopperde hij. Niet voor niets duurde het een generatie voordat de trekker gemeengoed was op het platteland.

Betrekking als boerenknecht

Mijn eigen zwoegen met de dagboekjes leverde nuttige informatie en mooie citaten op, maar nog geen volledig verhaal. Ik miste een kapstok om deze familiegeschiedenis aan op te hangen. Een bezoek aan de boerderij waar het zich allemaal afspeelde, de in het buurtschap Marle pal aan de IJssel gelegen Bissemshofstede, bracht mij op een idee. De moeder van de huidige boer Gert-Karel verzuchtte dat hij wel een knechtje zou kunnen gebruiken. Dat leek mij wel wat! Door wekelijks een dagdeel mee te helpen op een melkveebedrijf en vandaaruit de geschiedenis van de boerderij te beschrijven sloeg ik twee vliegen in een klap. Ik bracht wat afwisseling in mijn weekritme en kon mijn familiegeschiedenis naar het hier en het nu trekken.

Onder het genot van een kop koffie vroeg ik Gert-Karel en zijn vrouw Annet of ik eens per week als boerenknecht op het bedrijf mocht komen helpen. Het verzoek werd dadelijk ingewilligd. Ik hield mij aan de oude conventie dat boerenknechten per 1 mei voor de duur van een jaar in dienst traden. We spraken af dat ik elke vrijdagochtend tegen een symbolische vergoeding zou komen werken. ‘Licht euforisch loop ik de eerste ochtenden op de boerderij mee, alsof ik letterlijk in de voetsporen van mijn opa treed’, schrijf ik in mijn boek. ‘Ik heb mijn eigen laarzen meegenomen en trek een overall van Gert-Karel aan over mijn oude werkkleren. Zo zie ik er echt een beetje uit als een boerenknecht, vooral vanuit de verte, want bij menig bezoeker merk ik een zekere verbazing over het voorkomen van deze hoogopgeleide werkjongen van middelbare leeftijd. Ik doe wat Gert-Karel mij opdraagt en draaf nog trouwer dan zijn hondje Sem achter hem aan.’

Opmerkelijk genoeg ging ik me daadwerkelijk gedragen naar mij zelfverkozen rol. Als projectleider was ik gewend het initiatief te nemen, maar op de boerderij volgde ik nauwgezet de aanwijzingen van Gert-Karel. Een knecht was er vanouds voor het lichamelijk werk. Aangezien er meer dan genoeg ‘bottenwerk’ te doen was en ik met dergelijke klusjes Gert-Karel het meest ontlastte, werkte ik mij in het zweet. In het begin had ik nog wel het idee de trekker van 200 pk volledig te leren kennen, om ook volwaardig mee te kunnen helpen op het land, maar na enkele pogingen op deze krachtpatser stelde ik mij tevreden met de beheersing van de meest eenvoudige manoeuvres. Mijn hart ging uit naar de verzorging van het vee, een trekkerboer hoefde ik niet te worden.

Een manier van leven

Natuurlijk had mijn betrekking als boerenknecht ook te maken met een brok jeugdsentiment. In mijn jonge jaren kwam ik regelmatig op de Bissemshofstede. Mijn opa en oma woonden in een bungalow naast de boerderij. Ze hadden in 1973 plaatsgemaakt voor de familie Bruggert, schoonzoon en dochter van de verpachters, die door onteigening van grond in Twente niet verder konden boeren. Aangezien de Bruggerts een ligboxenstal achter de boerderij bouwden, kon mijn opa tot zijn pensioen in afgeslankte vorm verder in de oude bedrijfsgebouwen. Ik herinner mij nog vaag het voeren van de kalfjes in de verdwenen jongveestal en het melken met de weidewagen in het land. Blijkbaar heeft het de kiem gelegd voor mijn agrarische belangstelling.

Mijn vader is de vijfde van dertien kinderen. Met drie broers boven en drie broers onder zich, was zijn kans om boer te worden niet al te groot. Mijn grootouders stimuleerden hun zonen – in tegenstelling tot hun dochters – zoveel mogelijk door te leren. Daarbij had mijn oudste oom zich al opgeworpen als bedrijfsopvolger. Hij zou uiteindelijk een eigen boerderij beginnen in de Achterhoek. Mijn vader koos voor de politieschool, hoewel hij met plezier af en toe op de boerderij bleef helpen. Hij is ook een echt buitenmens, in dat opzicht heb ik het niet van een vreemde.

Heb ik mijn roeping als boer gemist? Dat niet. Hoe ontspannend en gezond ik het werken op de boerderij ook vond, ik benijd Gert-Karel niet. Alle dagen van de week in de weer, 51 weken per jaar (hij gunt zich welgeteld een week zomervakantie). Er wordt in de eenentwintigste eeuw nog altijd hard gewerkt op de boerderij. Boer zijn is een manier van leven. Een melkveehouder moet voortdurend op zijn vee letten, het gras- en maisland bewerken, zijn machinepark onderhouden en zijn kennis up-to-date houden. Geduldig werkt Gert-Karel zijn actiepunten af. Groot voordeel is wel dat je steeds resultaat van je werk ziet, een prettige stimulans voor een kamergeleerde als ikzelf.

‘Machtig mooi wark’

Tussen de wekelijkse werkzaamheden op de boerderij ging ik verder met mijn historisch onderzoek. Gelukkig kwam er naast de dagboekjes behoorlijk wat aanvullende documentatie boven tafel. Ik zocht een tiental familieleden en andere oud-bewoners van de Bissemshofstede op voor een interview. Zo kwam er bij toeval een echte knecht langs op de boerderij. Begin jaren zeventig had hij op de Bissemshofstede gewerkt, waarna hij naar  Canada was geëmigreerd. Vlak voor zijn terugkeer kon ik hem nog interviewen. Een  baantje op de Bissemshofstede had hem als 17-jarige dadelijk aangesproken: ‘Zo’n groot gezin met dertien kinderen is een gezellige boel. Als jonge kerel trekt je dat wel aan.’

Na een jaar nam ik afscheid van de boerderij. ‘Ik ben toch wat weemoedig’, tekende ik op. ‘De vertrouwde handelingen en plekken ervaar ik nog eenmaal bewust: de laatste keer voer aanvegen, de laatste keer met een volle kruiwagen naar de mestvaalt, de laatste keer zaagsel strooien. Ik zal mijn wekelijkse ontspanningsmomentje gaan missen. Zo heerlijk er even tussenuit op de vrijdagmorgen.’ Missen deed ik het boerenwerk inderdaad. Na een maand kwam ik met hangende pootjes terug op de boerderij. Ik heb nog een jaar aan mijn bestaan als boerenknecht toegevoegd. Intussen werkte ik stug door aan mijn boek. En nu is het af en is de boerenarbeid ingeruild voor een aantal avonduren sport. Maar nog regelmatig kriebelt het als ik denk aan de Bissemshofstede, want boerenarbeid blijft ‘machtig mooi wark’.

Dit verhaal is gebaseerd op het boek Boerenknecht op de Bissemshofstede. Een boerderijbiografie (Stichting Sallands Erfgoed 2018) en verscheen eerder als bijdrage in Gen Magazine van juni 2019. Zie ook: www.stichtingsallandserfgoed.nl

Auteur:Ewout van der Horst
Periode:1980-2020
Locatie:Marle
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand