MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Gerrit Daggenvoorde: 'Tegen een leger kun je vechten, maar wij wisten niet waar de vijand zat'

Verhaal

Gerrit Daggenvoorde: 'Tegen een leger kun je vechten, maar wij wisten niet waar de vijand zat'

Gerrit Daggenvoorde: ‘We hebben hoofdzakelijk op Noord-Sumatra gezeten. We hebben ook tegen Atjeh aan gezeten. De Atjeeërs zijn bekend als een strijdlustig volk. Wij hebben in hoofdzaak tegen bendes gevochten. Het was eigenlijk een onbegonnen werk. Die bendes, dat was eigenlijk de pest. Tegen een leger kun je nog een keer vechten, maar wij wisten niet waar de vijand zat. Dat hebben ze later in Vietnam ook wel ondervonden. Bij elke bocht die je omging, kon je een schot krijgen. Ons onderdeel van bijna 800 man is daar 33 maanden geweest. Wij hebben spijtig genoeg 38 mensen achter moeten laten. Elke maand moesten we een jongeman van een jaar of 20 wegbrengen naar het kerkhof. Dat is hard! Bij elke actie zaten wij ook vooraan, want we waren een gevechtsbataljon. We stonden altijd met de neus vooraan. 

De eerste maal met kerstmis zaten we ook in gevaarlijk gebied. Wij zaten in een tentenkamp en moesten erop uit. Een brencarrier was op een mijn gereden. Mijn maat zei: “We gaan kijken, want overmorgen kan ons hetzelfde overkomen.” Er had drie man in die carrier gezeten. Eén was al op slag dood geweest. Hij lag buiten de wagen en had zijn hele rug openliggen. De chauffeur had de versnellingspook door zijn knie in zijn been gekregen. Hij is een paar dagen later ook overleden. Nummer drie was uit de wagen geslingerd en in een boomholte beland. Hij mankeerde haast niets. Hij is weer gezond naar Holland gegaan. Ja, dat waren rare tijden.

Van andere onderdelen is wel bekend dat er jongens vermist raakten, die ze later terugvonden met afgesneden geslachtsdelen die in de mond gestopt waren. Als je dan wat ruw omgaat met iemand van de andere partij, is dat niet goed te keuren, maar wel te begrijpen. Gelukkig hebben wij dat niet meegemaakt. Wij hebben weleens een gesneuvelde jongen achter moeten laten, omdat het te gevaarlijk werd. Hij is later opgehaald. Er is geen leger geweest of er gebeuren dingen die niet door de beugel kunnen. Daarmee valt het niet goed te praten, maar je moet er wel begrip voor hebben.

We hebben van alles meegemaakt. Onze commandant had in Holland gezegd: “We zullen die derde compagnie wel leren.” We kregen een heleboel rotklusjes opgedragen. Ons geluk was dat onze grootmajoor 10 jaar ouder was en ook de oorlog van 1940 al had meegemaakt.  Die man was zuinig op zijn jongens. Als er ergens gevaarlijke karweitjes waren, werden er altijd vrijwilligers gevraagd. Bij de tweede compagnie zaten zowat allemaal Friezen. Dat waren felle donders. Zij deden meestal de gevaarlijke klusjes. Die compagnie had zeven of acht doden en onze compagnie maar twee. Zo kun je zien, als je zuinig bent op je jongens, wordt dat beloond.

Ik heb in Indië een paar keer op het randje van de dood gebalanceerd. Ik heb het er gelukkig goed van afgebracht. Veel last heb ik er niet van gehad. Ik heb er nooit slecht om geslapen. Ik kan ook prima naar een oorlogsfilm kijken. Dat kan ik zo weer van mij afzetten. De ene mens is de andere niet. Ik houd blijkbaar toch iets meer van avontuur. Verder weet ik het ook niet. Schijnbaar kan ik goed vergeten.’

Auteur:Ewout van der Horst
Trefwoorden:Indiëgangers, Oorlogsgeweld
Personen:Gerrit Daggenvoorde
Periode:1947-1949
Locatie:NL

Locatie op kaart