MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Gerrit Daggenvoorde: 'Ik heb er meer tegenop gezien om in dienst te gaan dan dat ik naar Indië moest'

Verhaal

Gerrit Daggenvoorde: 'Ik heb er meer tegenop gezien om in dienst te gaan dan dat ik naar Indië moest'

Gerrit Daggenvoorde: ‘Ik ben opgeroepen in november 1946. Ik was bij de tweede lichting. De eerste lichting is al in het najaar van 1946 naar Indië gegaan. Zij kwamen bij de 7 december divisie. Ik moest mij melden in Nijmegen. Met onze compagnie hebben we in Grave gelegen. Daar hebben wij onze opleiding gehad als infanteristen, “zandhazen”. Het was een pittige opleiding. Maar bij gebrek aan kolen ben ik nog weer zes weken bij huis geweest. Ze konden de kazerne niet warm krijgen. Ik was er niet zo blij mee dat ik in dienst moest. Ik was nog nooit van huis geweest. In de oorlog ben ik vanwege de aanleg van een startbaan van V1’s zes weken bij een andere boer geweest, maar verder niet. Ik had zelfs nog nooit in een trein gezeten, want in de laatste oorlogsjaren was dat wat gevaarlijk vanwege mijn leeftijd.

Het lag in de planning dat wij naar Indië moesten. Ik heb er meer tegenop gezien om in dienst te gaan dan dat ik naar Indië moest, want na een paar maanden hadden we een fijn clubje van jongens en hadden we veel steun aan elkaar. Wij hebben inschepingsverlof gehad en die zondag erop mochten we nog weer een dag naar huis. ’s Avonds moesten we weer op de kazerne zijn. Als jongens hadden wij onderling afgesproken dat we tot maandag zouden wegblijven, want we wilden niet op zondagavond terug. We hadden afgesproken dat wie toch op zondag terugging een rijksdaalder boete moest betalen. Toen we ’s morgens terugkwamen op de kazerne was de overste laaiend. Hij was zo kwaad! We hadden eigenlijk parade moeten lopen in Nijmegen. Van onze compagnie was er maar drie of vier man geweest. De overste heeft toen gezegd: “Die derde compagnie zal er wel achter komen, want ze zullen er in Indië wel voor boeten.” Wij hebben later heel veel smerige klusjes moeten opknappen. Maar het ging altijd goed met ons.

Mijn ouders vonden het naar dat ik weg moest. Mijn vader had een boerderij van 54 hectare. Dat was voor die jaren nogal groot. Er zat ook bos en onontgonnen grond bij. Mijn vader heeft het gesplitst in vier bedrijven. Mijn broer is op het ouderlijk huis gebleven. Twee zusters hebben nieuwgebouwd en ikzelf kreeg ook een deel. Hij heeft het in het najaar van 1946 op onze naam gezet. Hij was – even nadenken – 74 jaar. Dan moet je een keer glad werk maken. Ik denk dat het ook met Indië te maken had, maar kan het niet bewijzen. Mijn vader dacht waarschijnlijk: “Als hij die grond op zijn naam heeft, dan hoeft hij niet naar Indië.” Dat hebben we ook wel geprobeerd, maar evengoed moest ik gaan. Toen ik in Indië zat, schreef mijn broer dat er toch nog een mogelijkheid was om er af te komen, maar dat kostte geld. Ik heb teruggeschreven: “Als het geld kost wil ik er helemaal niet af. Ik wil niet hebben dat je mij vrijkoopt. Op een eerlijke manier eraf, of anders niet.” Toen is het niet doorgegaan.'

Auteur:Ewout van der Horst
Trefwoorden:Indiëgangers, Militaire dienst
Personen:Gerrit Daggenvoorde
Periode:1946-1947
Locatie:NL

Locatie op kaart