MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Constance Groen: 'Ik heb ik mijn man aan boord van de Kota Inten leren kennen'

Verhaal

Constance Groen: 'Ik heb ik mijn man aan boord van de Kota Inten leren kennen'

Contance Groen: 'Eén van de officieren vond mij blijkbaar aardig. Zo heb ik mijn man aan boord van de Kota Inten leren kennen. Hij was tweede luitenant, de jongste officier van het Nederlandse leger, even oud als ik was. Hij moest zorgen dat er geen liaisons aan boord ontstonden. Daar heeft hij zich niet helemaal aan gehouden. Op het laatst zei hij tegen mij: “Ik heb een sloep ontdekt en daar kunnen we vanavond gezellig achter zitten. Dan haal ik wat te drinken. De anderen hebben dat niet in de gaten.” Nou, dat vond ik wel leuk natuurlijk. Ik vond hem heel aardig. We zaten daar heel mooi. Mijn vader had tegen mij gezegd: “Denk erom: als je een jongen kust is dat een belofte voor de toekomst.” Ik heb mijn man aan boord nooit een kus gegeven.

Na een paar dagen kwam de commandant van de troepen naar mij toe. Wij hadden dat niet in de gaten, maar achter die sloep zat een patrijspoort van zijn kamer. “Meisje”, zei hij, “ik heb zo van jullie genoten! Je hebt een hele aardige jongen uitgezocht. Ik nodig jullie uit om wat te bij mij te komen drinken.” Nog een dek hoger had hij een grote kamer. Met nog enkele anderen had hij ons uitgenodigd. Ik vond het een beetje eng. Die hoge officieren waren allemaal wat ouder. Ik was nog zo onschuldig! Hij vroeg: “Wat wil je hebben, een borreltje of wat anders?” Mijn ouders waren geheelonthouder, dus ik wist helemaal niet wat een borrel was. Ik vroeg om wat sap. “Uitstekend, dan krijg je wat sap.” Ik was blij dat het achter de rug was.

Ze hadden wel in de gaten dat mijn man een oogje op mij had. Bij het passeren van de evenaar was er een groot feest. God Neptunus komt dan. Ze hebben een sloep half vol water laten lopen. Ze pikken er een paar uit die bij Neptunus moeten komen en dan eerst in het water ondergedompeld worden. Ze zeiden tegen mij: “Verberg je, want ze pakken jou vast!” Ik dacht: “Weet je wat? Ik trek mijn zwempak vast onder mijn uniform aan.” Ik had geen lange broek of zo, als meisje had je gewoon een rok aan. Ik ben zo ver als ik kon naar boven weggegaan, maar ze hebben mij wel gevonden. Ik vond het vreselijk! Mijn man of vriend hadden ze ook gepakt. Ik moest een trapje op om in die sloep te springen en hij kwam achter mij aan. Met een koprol ben ik erin gesprongen. Ik dacht: “Ik zal ze leren!” Het water was diep genoeg. Toen ik eruit kwam applaudisseerden ze allemaal. En ik moest voor Neptunus verschijnen. Mijn man is er gewoon ingelopen. Die dacht: “Ik doe niet zo gek.” Hij kwam naast mij staan. Ik kreeg een limonadeglaasje – daar zat water in, dacht ik – en mijn man kreeg een borrelglaasje. Ik denk: “Gelukkig, ik krijg geen borrel, want wat moet ik met een borrel?” Maar weet je wat het was? Zeewater. En mijn man kreeg gewoon een borrel! Maar ik heb het opgedronken. Ze vonden het helemaal geweldig dat ik het wel heb opgedronken.

Toen ik in Sabang van boord mocht, ging mijn man ook van boord. We hebben samen een wandelingetje gemaakt. Nou, dat vonden we leuk. Dat was heel gezellig. Daarna zijn we naar Soerabaja gegaan. Daar is mijn man van boord gegaan. Hoe we afscheid hebben genomen, weet ik niet meer. Ik zal hem wel omhelst hebben. We zouden elkaar in ieder geval blijven schrijven.' Ik heb hem iedere week een brief geschreven. Je wist niet hoe lang het ging duren. Een jaar of misschien twee jaar. Het duurde uiteindelijk drie jaar. Dat was niet leuk, maar afijn het is goed gegaan. Natuurlijk maakte ik mij zorgen over mijn man, maar je moet bij de dag leven. Hij schreef ook nooit over gevaarlijke dingen, dus ik dacht: “Hij zit daar in een rustige omgeving.” Later zag ik wel foto’s van een gesneuvelde jongen, dus daar zijn ook wel hele nare dingen gebeurd.

Op een gegeven moment was ik in het ziekenhuis en kreeg ik een telegram dat hij zo laat met het vliegtuig in Rotterdam aan zou komen. Ik was helemaal in de war. Ik liep per ongeluk met een ondersteek de kamer van de hoofdzuster binnen. “Zeg kind, wat doe je nou?” Ja, ik was er wel een beetje ondersteboven van. Het was heel leuk toen hij terugkwam. Dat was in 1951. Hij was drie jaar ouder geworden en ik ook natuurlijk. Een half jaar later hebben we ons verloofd. In 1953 konden we in Capelle aan de IJssel een nieuwbouwwoning krijgen. Toen zijn we getrouwd. Dat eerste huis hebben we de Kota Inten genoemd'

Auteur:Ewout van der Horst
Trefwoorden:Indiëgangers, Bootreis
Personen:Constance Groen
Locatie:NL

Locatie op kaart