MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Bouw van de IJsselbrug bij Zwolle – 25 jaar strijd voor oeververbinding

Verhaal

Sinds mensenheugenis wordt water gezien als een natuurlijke grens tussen verschillende gebieden. De rivier de IJssel kan als zo'n natuurlijke grens betiteld worden.

Zowel te Kampen als te Deventer werden al in de Middeleeuwen bruggen gebouwd, die een regelmatig verkeer tussen beide gebieden konden garanderen. De plaatsen profiteerden van zo'n goede verbinding en groeiden uit tot steden van naam. Zwolle zou echter eeuwenlang verstoken blijven van een brugverbinding: pas in 1930 werd de IJsselbrug geopend. Tot dat moment was men genoodzaakt de oversteek van de IJssel te maken met een veerpont, het 'Katerveer'.

Vele pogingen om tot een vaste oeververbinding te komen waren reeds ondernomen; alle zonder succes. In 1905 verscheen er in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant een artikel waarin opgeroepen werd tot de oprichting van een belangengroep, die zich in zou zetten voor de totstandkoming van een vaste oeververbinding.

Onder leiding van de advocaat J. van Setten werd een commissie gevormd onder de naam: 'Commissie ter overbrugging van de IJssel nabij het Katerveer' . Omdat een aantal invloedrijke mannen er deel van uit maakte, mocht men verwachten dat de brugbouw binnen afzienbare tijd gerealiseerd kon worden.

De commissie liet de heren Krook, directeur van gemeentewerken te Zwolle, en Frylinck, stadsarchitect van Deventer, een bouwtekening voor een brug ontwerpen. Dit plan werd aan de minister van Waterstaat ter goedkeuring voorgelegd. Deze had geen bezwaar tegen de bouw van een brug, maar kon geen financiële hulp toezeggen, als niet de directbelanghebbenden een aanzienlijk deel van de bouwkosten bijeen zouden brengen. De commissie toog aan het werk en haalde door een rondschrijven een bedrag van ruim f 56.000,- bijeen, beschikbaar gesteld door de Zwolse bevolking. Daarnaast schreef de commissie de gemeente Zwolle en gedeputeerde staten van Overijssel en Gelderland aan voor een bijdrage.

De gemeente Zwolle, die gevraagd was f 100.000,- bij te dragen, zegde een kleiner bedrag toe. Zij rekende dat het uit de vaart nemen van het Katerveer (eigendom van de gemeente) een aderlating van f 100.000,betekende. Daarnaast was er al bijna f 60.000, - toegezegd door de Zwolse bevolking, waardoor het bedrag dat Zwolle aan de totstandkoming van de IJsselbrug zou bijdragen f 160.000,- was. Daarom besloot de gemeente Zwolle haar eigen bijdrage te beperken tot f 90.000,- of f 40.000,- in geval van tolheffing op de nieuwe brug. En aangezien dit meer dan een derde deel van de begroting (f 550.000,-) was, vond zij dit een aannemelijk voorstel. De commissie echter was zeer verbolgen over dit besluit omdat de gemeente aan de toekenning van het bedrag zodanige voorwaarden verbond, dat een rijksbijdrage uitgesloten leek. En daarop had men juist alle hoop gevestigd.

Bovendien hadden hoofdingenieurs van de provinciale waterstaat van zowel Overijssel als Gelderland zoveel bezwaren tegen het technisch gedeelte van het plan, dat de bouwtekeningen herzien moesten worden.

Bij de leden van de commissie zakte de moed in de schoenen. Niet alleen vanwege het negatieve advies over de bouwtekeningen, maar ook omdat de toezegging van particuliere giften op 1 mei 1915 zou verlopen, waardoor de intekenaren vrij zouden zijn hun toezegging teniet te doen. Wanneer dat in groten getale zou gebeuren stond de bouw van de brug weer op losse schroeven.

De heer H. Franssen, lid van de commissie, de gemeenteraad van Zwolle en de Eerste Kamer der Staten-Generaal stelde alles in het werk om de aanleg van de brug door het rijk te laten uitvoeren. Zijns inziens was het rijk de aangewezen instantie om zo'n duur kunstwerk uit te voeren en te bekostigen. Het zou de commissie veel werk, voor wat betreft het binnenhalen van financiële middelen, uit handen nemen.

Op verzoek van de heer Franssen ging men wederom op audiëntie bij de minister en verzocht men hem de bouw ter hand te nemen, daar de commissie haar taak, het aantonen van belangstelling van de directe omgeving, met succes volbracht had. De minister had besloten de bouw van de brug van rijkswege te zullen laten uitvoeren, waarbij geen enkele andere instantie voorwaarden aan de bouw van de brug kon stellen. De deelname van Zwolle in de bouwkosten was begroot op f 150.000, - 'het daarbij aan laatstgenoemde overlatende in hoeverre zij een gedeelte van dit bedrag zal kunnen terugbekomen, wegens bijdragen, die blijkens het hierboven  medegedeelde door belanghebbenden en belangstellenden reeds zijn, of nog mochten worden toegezegd.'

Op 4 maart 1915 kwam bij de commissie het bericht binnen dat de minister had besloten de bouw van de brug van rijkswege te laten uitvoeren, waarbij geen enkele andere instantie voorwaarden aan de bouw van de brug kon stellen. De heer Van Setten had tijdens de audiëntie het idee geopperd dat de minister, wanneer hij positief over de brugbouw mocht besluiten, over deze plannen een wetsontwerp moest indienen, zodat uitvoering van de bouw verzekerd was. De minister was daartoe wel bereid.

De gemeente Zwolle dacht een voordeel uit het besluit van de minister te kunnen halen door aan de door haar toegezegde gelden de voorwaarde te verbinden dat een nieuwe waterleidingbuis, waardoor de aanvoer van drinkwater van de Veluwe naar Zwolle beter gegarandeerd kon worden, niet in de bodem van de IJssel, maar in de nieuwe brug gelegd zou worden. Tevens eiste de gemeente het recht op om langs de brug elektriciteitsleidingen aan te leggen. Hoewel de commissie bij de minister pogingen ondernam om hem ertoe te bewegen de voorwaarden van Zwolle te accepteren, ging hij niet overstag en dreigde de zaak alsnog te stranden. Op voorstel van G.M. Gromme benaderde de brugcommissie de gemeenteraad van Zwolle met het verzoek terug te komen op haar eis de waterleiding in de brug te leggen.

Gromme was overigens zelf lid van de gemeentelijke waterleidingcommissie waarvan het idee om de waterleiding via de brug te laten lopen gekomen was.

Op 29 november 1915 werd door de gemeenteraad besloten de voorwaarden voor de bouw van de brug te herzien, waarop de commissie aan de minister meedeelde dat de weg voor het indienen van een wetsvoorstel vrij was. De wet werd aangenomen op 25 oktober 1917. Doordat de uitvoering van de bouw nu in handen van het rijk lag, dacht de commissie dat zij van haar taak ontheven was. Niets was echter minder waar. De toezegging van particuliere gelden, welke op 1 mei 1915 was afgelopen, had men nog weten te verlengen tot 31 december 1916. Maar nu eindelijk de beslissing gevallen was, moest men er wel van op aan kunnen dat de bevolking het door haar toegezegde bedrag ook zou schenken. Het benodigde bedrag van particulieren kon inmiddels door toedoen van de heer Franssen, slinken tot f 50.000,- daar de gemeente Zwolle niet f 90.000, - maar f 100.000, voor haar rekening nam. Eind 1918 bleek na de rondzending van een nieuwe circulaire dat nu van particuliere zijde slechts f 30.121, werd toegezegd. De heer H.S. Gratama, na het overlijden van de heer J. van Setten (december 1916) benoemd tot voorzitter van de commissie, ontving een schrijven van notaris Bos uit Den Haag. Deze notaris deelde hem mee dat één van zijn cliënten hem de opdracht gegeven had om te informeren naar het tekort op de begroting van de commissie. Nadat de heer Gratama dit tekort meegedeeld had, kreeg de commissie dit ontbrekende bedrag toegezegd van de cliënt van notaris Bos uit Den Haag, zonder overigens de naam van deze gulle gever te weten te komen. De provincie Gelderland had beslag gelegd op de giften van de verschillende Gelderse gemeenten aan de commissie, zogenaamd om deze in een provinciaal fonds te storten, maar in werkelijkheid om daaruit de f 100.000,- van de provincie Gelderland te betalen. Het schrijven hierover in het Veluws Nieuwsblad had blijkbaar zelfs Den Haag bereikt; vandaar wellicht deze anonieme gift. De  verschillende gemeenten deelden aan de commissie mee dat het nooit de bedoeling was geweest om de bijdragen aan de provincie af te staan.

Hoewel de financiële middelen voor handen waren, ging de minister van Waterstaat er niet toe over om de beloofde bouw te starten. Volgens hem was de economie nog zo ontwricht door de Eerste Wereldoorlog, dat de bouw van de brug het drievoudige zou gaan kosten van wat op de begroting aangegeven was. De belangstellenden wachtten in spanning af wanneer de minister de eerste gelden voor de overbrugging op zijn begroting zou zetten. Ondertussen werden door vele personen pogingen ondernomen om de minister hierin tot spoed te bewegen. Op 9 maart 1923 had een voorval plaats, waardoor de minister zo in verlegenheid gebracht werd, dat hij zelf ook meer haast achter de plannen ging zetten.

Op de bovengenoemde datum gebeurde er een ongeluk aan het Katerveer. De veerpont raakte aan één zijde lek en begon scheef te hangen. Een paard en wagen verdwenen in de IJssel, maar door vakkundig optreden van de pontbaas deden er zich geen persoonlijke ongelukken voor en kon de veerpont de overzijde van de IJssel halen. Daar het erg druk was die avond, zagen velen vanaf de oever het schouwspel op de IJssel. De volgende dag werden de dag- en weekbladen van Zwolle en omgeving overspoeld met ingezonden artikelen, welke de situatie aan het Katerveer hekelden. Voor de commissie was dit een goede aanleiding om haar plannen nog eens bij de minister naar voren te brengen. Ook de heer Franssen, lid van de Eerste Kamer en zodoende betrokken bij de controle van de begroting van Rijkswaterstaat, maakte van de gelegenheid gebruik en hield een ongewoon felle toespraak. De minister moet hiervan onder de indruk zijn gekomen, want enige tijd later schreef hij een brief aan de commissie waarin hij toezegde zo spoedig mogelijk geld op de begroting te zetten voor de overbrugging van de IJssel.

Ruim twee jaar later, in 1926, werd er f 25.000,- op de begroting geplaatst, zodat de bouw kon worden gestart. Op 15 januari 1930 werd de brug onder grote belangstelling door de minister geopend. Speciale genodigden waren de leden van de commissie ter overbrugging van de IJssel nabij het Katerveer.

Van deze commissie, die bijna 25 jaar lang gestreden had voor de overbrugging, waren nog slechts 7 personen in leven. De commissie werd in 1933 opgeheven, nadat zij de gemeente Zwolle van de uit rente gekweekte gelden (van de giften van particulieren) een carillon in de 'Peperbus' aangeboden had.

*Dit artikel is eerder gepubliceerd in het tijdschrift IJsselakademie nr. 2 juni 1989

Auteur:Alex van Winkoop
Trefwoorden:IJsselbrug, IJssel, Brugcommissie, Stad rukt op, Water Overijssel
Personen:G.M. Gromme, Krook, Fryinck, H. Fransen, H.S. Gratama
Periode:1905-1930
Locatie:Zwolle