MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Anton Voorhorst: 'Bij zo’n beschieting kreeg je altijd een angstgevoel, maar dat duurde nooit lang'

Verhaal

Anton Voorhorst: 'We kregen we bericht dat we naar Djokja gingen. Dat was een hele zware tocht. De hele reis moesten we staan in de legerwagen. We zouden eerst ongewapend op pad. Onze commandant heeft geweigerd om dat te doen. Toen mochten we wel allemaal een geweer met patronen meenemen. Maar we hebben de hele weg geen beschieting of iets gehad, wat wel te verwachten was.

In Djokja kwamen we in een kazerne terecht: de Bentinck. We hoefden nog niet veel te doen. Ik herinner mij nog dat er elke nacht knallen waren van onze tegenstander, zodat we slecht konden slapen, om ons moreel te breken. Na een poosje kregen we bericht dat we naar een buitenpost moesten. Die buitenpost, Pakem, lag richting de Merapi, een vuurspuwende berg. De weg erheen was behoorlijk heftig: hele stukken lagen onder het puin en bomen lagen over de weg. De bruggen waren vernield, zodat de auto’s elkaar door de kali moesten trekken. Die weg was het echt gevaarlijk, maar er gebeurde niet wat. In Kali Urang, een vakantieoord, lagen ook jongens van onze eenheid. Dat was nog verderop. We zaten dus niet als groep bij elkaar, maar met tien tot vijftien man op elke post. In Kali Urang was ook al direct de tweede of derde dag een gesneuvelde van onze eenheid.

Wij kwamen bij een groep oorlogsvrijwilligers, die er al langer waren. Die moesten wij versterken. Zij zouden binnenkort naar huis toe gaan. Wij beschouwden ze wel een beetje als ruw volk, in woorden en daden. Wij waren helemaal niets gewend. Zij waren niet zo netjes opgevoed meer. Ze vertelden ons over de gevechten en over de jongens die waren gesneuveld.

De Tweede Politionele Actie was al voorbij. Wij moesten zuiveringsacties uitvoeren. De TNI, het leger van Soekarno - de ploppers zeiden wij - hadden zich allemaal teruggetrokken in de kampongs en de bergen. Daarna begon de guerrillastrijd. ’s Nachts moest je op wacht. Overdag moesten we patrouille lopen, heel veel patrouille lopen. De eerste patrouille kan ik mij nog goed herinneren. Die was direct al heel zwaar. Het duurde heel lang. En maar sjouwen van kampong naar kampong over die modderige sawadijkjes. Dan stond je weer voor een kali en moest je door het water heen. We hadden een commandant die heel angstig was. Rusten onderweg was er praktisch niet bij. Ik ben nooit zo moe geweest als toen. ’s Nachts moesten we ook wel hinderlagen leggen op een kruispunt. Dan lag je met een groep ik het donker maar te wachten. Je kon onderweg natuurlijk ook zelf in een hinderlaag lopen, dus je moest goed op je hoede zijn.

Door de patrouilles kreeg ik last van mijn spataderen. Toen hoefde ik niet zoveel patrouille meer te lopen, maar ik moest wel heel veel wachtkloppen. Ik zat altijd de halve nacht op wacht, soms alleen, soms met twee man. Dat was wel zwaar. Je hebt daar veel insecten en ratten, waarvan je soms wel schrikt. Op zo’n buitenpost kreeg je soms aanvallen van buitenaf. De eerste aanval weet ik nog. We waren aan het rusten. De één schreef een brief, de ander lag in zijn tampatje. En in één keer een knal! Het was vermoedelijk een afgeschoten mortiergranaat. Er volgde een echte beschieting van buitenaf. De oorlogsvrijwilligers waren al wat gewend. Die gingen er direct met een hele groep op af. Wij moesten mee. Dat was de beste manier, want dan sloegen ze op de vlucht. Bij zo’n beschieting kreeg je altijd een angstgevoel, maar dat duurde nooit lang. Na een bepaalde tijd raakte je die angst weer kwijt. Het was een echte schrikreactie.'

 

Auteur:Ewout van der Horst
Trefwoorden:Frontlinie, Indiëgangers
Personen:Anton Voorhorst
Periode:1949
Locatie:NL

Locatie op kaart

0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand