MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.

De laatste Markelose huiswever

Verhaal

Veel kleine boertjes zochten vroeger noodgedwongen een bijverdienste in het zogenaamde huisweven. In hun veelal beroerde onderkomens met gebrek aan licht, lucht en ruimte boog men zich over lompe houten gevaarten, de oude huisweefgetouwen, om in eindeloos lange dagen met hard werken, het minimale boeren-inkomen wat aan te vullen. Met de opkomst van de industriële textielproduktie verdwenen deze weefgetouwen vrijwel ongemerkt van het platteland.

Jan Willem Kempers (1865-1952) was één van de laatste boeren die het nog opnam tegen de steeds sneller draaiende industriële weefgetouwen. Tot ver in de jaren dertig van de vorige eeuw bleven de laden van het ruwe handgetouw van Kempers rustig klepperen en werd de weefspoel van oude makelij nog met de hand door de sprong gesmeten, trapten de voeten nog op de pedalen, om de kamverwisseling te verkrijgen en tuurden Kempers’ oude ogen nog in de linnen garen schering om te zien of er misschien een draad gebroken was.

Kempers bleef tot kort voor de Tweede Wereldoorlog op zijn eeuwenoud getouw weven, terwijl z’n vrouw het spinnewiel bediende en van de vacht der eigen schapen de draden voor den inslag spon en vervolgens spoelde op kleine rietjes tot “cops”.

J.W. Kempers (*1865) achter zijn weefgetouw in 1935.

Kempers was net 20 jaar toen hij het weven leerde bij Schottink in de Pothoek. Destijds waren er nog heel wat zogenaamde “eigen” wevers in Markelo, zoals “BekkenBouwhoes”, “’n Draoyer” en “Sloot” in Stokkum. Weven is een allesbehalve eenvoudig ambacht: het tegelijkertijd werken met handen en voeten vergt de nodige oefening. Toen hij dat eenmaal onder de knie had kocht hij het oude weefgetouw van BekkenBouwhoes. Het getouw was toen 3 à 400 jaar oud maar nog vrij van wormgaatjes.

Het linnen weven bracht vroeger 16 cent op per zeven vierels (1.20 meter). Man en vrouw konden in ruim 2 dagen een rok kant en klaar hebben, maar dan moest er ook flink doorgewerkt worden. Naast de gangbare boerderij-werkzaamheden weefde men (vooral des winters) van ’s ochtends tien tot ’s avonds tien. De vrouw zorgde voor het spinnen van het garen van de schapenvachten en spoelde het garen voor de zogenaamde inslag.

Als de zogenaamde gestreepte rok wat weven betreft gereed was, moest men ermee naar de “doekverver”. Voor Kempers was het aangewezen adres daarvoor Tusveld in Rijssen. Kempers ging met 30 kilo aan garens en rokken lopend “binnendoor” naar Rijssen, een wandeling van ongeveer 25 km. heen en terug. Tusveld rekende voor het verven weliswaar 50 cent per el, maar men kon zeker op basis van kwaliteit goed concurreren tegen de gemiddelde gestreepte rok in de winkels.

In de tijd dat Kempers nog dagelijks aan het getouw zat kwamen van heinde en verre bezoekers naar het boerderijtje van Kempers om de laatste der handwever aan het werk te zien. Kort voor de Tweede Wereldoorlog, toen het moeilijk werd om aan de benodigde grondstoffen te komen, zette Kempers het weefgetouw aan de kant en ging van z’n welverdiende rust genieten. Het weefgetouw kreeg een plaats in een Enschede’s museum.

Trefwoorden:Wever, Thuiswever, Weefgetouwen
Personen:J.W. Kempers
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed