MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Boerenwerk het jaar rond in Markelo

Verhaal

JANUARI en FEBRUARI

Als het in de maand januari echt ging winteren, had de boer “vakantie”. Hij hoefde zich dan alleen nog maar te bekommeren om het voeren van het vee. Wanneer koeien, paarden, varkens en kippen waren verzorgd, had hij ruim de tijd om bijvoorbeeld iets te doen aan het achterstallig onderhoud van het gereedschap.

Hij bond van een bos berkenrijs (dunne berkentakjes) een riezebessum, een bezem die gebruikt werd voor het vegen in en rond de boerderij. Hij maakte van twijg wat manden en, wanneer hij er handig genoeg in was, repareerde de biezen matten op de stoelen. Zo niet dan liet hij dat karweitje wachten tot Van Schooten de stoelenmatter langs kwam.

Er werd met een greep stro gekamd, zodat dit in het voorjaar gebruikt kon worden voor herstelwerkzaamheden aan het dak.

Als het weer het toeliet werd er hout gehakt, gezaagd en gekloofd of men begon alvast mest naar de akkers te brengen om het onder te strijken (ondiep ploegen).

Mevr. W. Overbeek-Altena (de Snieder)

vult omstreeks 1946 de ouderwetse stoof met houtskool

Geert van Schooten ging de boeren langs om stoelen te matten (omstreeks 1946). Geert woonde aanvankelijk met z’n vrouw Ali Jager op het woonwagenkamp aan de Potdijk.

Deze wintermaanden waren ook bij uitstek geschikt voor het afleggen van visites. Er werd ruim de tijd genomen om eens uitvoerig te kouten met buren en kennissen. Na een inleiding over natuurlijk het weer, de gezondheid, koetjes en kalfjes en het buurtnieuws, kwamen de sterkere verhalen aan de orde. Ook de vele nieuwjaarsvisites pasten in deze rustige tijd.

‘s Avonds werden bij het haardvuur door de mannen kleine karweitjes afgewerkt, terwijl de vrouwen naaiden, breiden of stopten. De dochters vermaakten zich met hun fraaie letterdoeken (merklappen). Veel vroeger werd er hele avonden gesponnen en geweven.

MAART

In maart sloeg de boer, na uitrijden van de mest, de hand aan de ploeg. Dagenlang liep hij achter de ploeg met z’n paarden ervoor, over de es.

Vervolgens werd de zomerrogge gezaaid en tegen het eind van de maand werd  begonnen met het poten van de aardappels.

APRIL

April was de drukste maand wat het zaaien en poten betreft. Haver, gerst en zomerspurrie moesten gezaaid worden en in de tweede helft van de maand moest het wortel-, knolraap- en mangelwortelzaad de grond in.

De weiden werden gesleept o.a. om de molshopen te slechten.

Onderwijl was de boerin druk doende om de moes- en de siertuin op orde te krijgen.

Ploegen met een ploeg zonder wielen

MEI

In de loop van de meimaand werden de koeien van stal gehaald en naar de wei gedreven. Door de dartele capriolen van vooral het jongvee was dat een fraai spektakel. Jongens maakten er een sport van om zo’n uitgelaten kalf zo lang mogelijk vast te houden, ook al betekende dat tientallen meters meegesleept worden door het gras.

In mei werd ook het lijnzaad gezaaid. De bonen werden gelegd en tenslotte werd de boekweit gezaaid. Deze kwam binnen 100 dagen van uit de zak weer in de zak.

Daarna werd het wat rustiger en was er tijd om dagen achtereen plaggen te gaan steken. Schollen (van heide) of plaggen (van meer grazige grond) werden gemaaid met een “plakzicht”, een “hakke” of een “smakke”.

In mei werden in het vlier ook de schadden (veenzoden) gestoken. Deze waren bedoeld als brandstof. De vliergrond werd dan ook wel brandgrond genoemd, ook al omdat daar turf werd gestoken.  

JUNI

In deze maand ging men door met het wieden van de gewassen, waarmee men al in mei was begonnen. Bij aardappels en wortelgewassen werd er gehakt of geschoffeld. Later werden de aardappels aangeploegd, er werd aarde op de uitkomende aardappels gebracht. Dit alles als een onderdeel in de eeuwige strijd tegen het onkruid.

Alle werkzaamheden op de boerderij waren in zo’n strak tijdschema opgenomen, dat men die werkzaamheden als tijdsaanduiding gebruikte. Vertelde iemand bijvoorbeeld dat z’n jongste zoon in “‘knoll’n trekk’n” geboren was, dan bedoelde hij eind november. Was het in “‘t boon’n pott’n”, dan werd bedoeld half mei.

JULI en AUGUSTUS

Omdat vroeger de broekgronden, door wateroverlast en onvruchtbaarheid, maar weinig opbrachten, werd pas in juli met hooien begonnen. Voor dag en dauw zwaaiden de boeren hun seizen door het nog vochtige gras, dat in lange “genen” kwam te liggen. Later op de ochtend als de zon zich liet zien, kwamen de hooiers naar de graslanden. Het gemaaide van de vorige dag werd met hooivorken uiteen gestrooid, zodat de zon er beter bij kon. Tegen de avond werd dat aangedroogde gras met de hark op “grasoppers” gegooid, zodat tijdens de nacht niet alles weer vochtig zou worden.

Het hooi wordt aan "rillen" geharkt.

 Afhankelijk van het weer werd deze werkwijze een aantal dagen herhaald, totdat het hooi droog genoeg was om naar huis te halen. Dit ophalen gebeurde meestal in de namiddag. De boer stak het hooi op en de boerin of de meid vlijde het droge en gladde hooi op de wagen; een behoorlijk moeilijk karwei. Niet zelden belandde een slordig geladen “voer” hooi op de terugweg langs de kant van de weg. De restjes die bij het opladen waren blijven liggen werden door de kinderen “nageharkt”. Was het “voer” hooi eenmaal geladen dan werd er bovenop een lange stam (een “wezeboom”) gelegd die met een “voorzeel” en een “achterzeel” werd vastgesjord. Thuisgekomen werd het hooi nog dezelfde avond op zolder (‘n balk’n) opgeslagen.

Rond de 25e juli was het tijd voor de roggeoogst, de drukste tijd van het jaar. Van zonsopkomst tot zonsondergang was iedereen in de weer. Was de rogge eenmaal binnen dan werd de volgende dag al het stoppelland geploegd en werden er knollen gezaaid. Het knolzaad werd uitgestrooid uit een blikken bak of houten nap, soms uit een nog wel kleiner voorwerp.

Na de rogge-oogst waren achtereenvolgens de gerst, de tarwe en de haver aan de beurt.

SEPTEMBER

Al voor de rogge was het vlas geoogst, het zogenaamde vlas plukken. Dit plukken werd gevolgd door enkele, zeer arbeidsintensieve, bewerkingen alvorens het eindproduct, het linnen, gereed was.

In deze maand werd ook de boekweit gemaaid. Ze wordt ‘s avond binnen gehaald, omdat het overdag in de zon teveel zou “guren” (zaad verliezen). Het boekweitstro was zo bros dat het gebonden moest worden met roggestro.

Erwten en bonen werden ook in deze maand geoogst. Terwijl tevens de aardappeloogst een aanvang nam, vaak tot ver in oktober. Het was een vervelend, eentonig en langdurig werk dat vele weken in beslag nam. Met een greep werden de stronken uitgeworpen, waarna de aardappels werden opgeraapt en gesorteerd in drie manden: kleine, grote en poters. 

Voor de kinderen was het verbranden van het aardappelloof een geliefde bezigheid.

OKTOBER

Voor in deze maand of eind september moest de rogge worden gezaaid. Om hiervoor voldoende zaad te hebben, betekende het dat men voor die tijd rogge gedorst moest hebben.

De dorsers gebruikten vroeger, voordat de dorsmachines in gebruik waren, een vlegel (koeze), een wan, een schepelmaat, een spintvat en een snijzomp. Het dorsen was moeilijk en zwaar werk. Vroeg in de morgen, in de zaaitijd wel om drie uur, werd begonnen met de rogge op de deel uit te spreiden. De garven werden in twee rijen, met de koppen naar elkaar toe, uitgespreid. Waarna het geklep met de “vlegels” begon. Nadat de garven nog eens waren omgekeerd en opnieuw geklopt, werd het stro opgeschud met een gaffel en tot schoven gebonden. Het fijne stro en de aren harkte men bij elkaar, waarna het zaad met een “riezebessum” bij elkaar werd geveegd en met een “wanne” (later met een kafmolen) werd gezuiverd van onkruid en bocht. De “wanne” was een lage platronde mand, welke van voren open was. Ze werd heen en weer geschud waardoor alleen het zwaardere graan in de mand achterbleef. Met een schepelmaat of een spintvat werd de hoeveelheid zaad gemeten.

In de snijzomp, een langwerpige houten bak, met aan het vooreinde een hefboom met een mes, werd een gedeelte van het stro tot haksel gesneden.

In de vroege morgen werd de rogge gedorst met de vlegel.

Na het rogge zaaien werd nog de wintertarwe en de gerst in de grond gewerkt.

Voor 20 oktober moesten in de boomgaard alle appels en peren geplukt zijn. Een aangenaam avondvertier was ook het snijden en inmaken van zuurkool. De “boeskool” werd zelf verbouwd of gekocht op de Lochemsemarkt, tegelijk met de siepels (uien).

NOVEMBER

Na het aardappelrooien, volgde het oogsten van de mangelwortels en koolrapen. Verder ploegde de boer het aardappelland, waarbij de kinderen met een emmer door de voor liepen om de achtergebleven aardappels op te rapen.

De koeien werden op stal gezet, wat inhield dat er dagelijks knollen moesten worden getrokken. Dit was normaliter het laatste akkerwerk van het jaar.

DECEMBER

De eerste weken was het nog dagelijks knollen trekken. Er werd mest uitgereden op de weidegrond en op de akkers om die onder te strijken (ondiep ploegen). Verder werd er meest binnenshuis gewerkt, zoals dorsen van rogge en boekweit.

Omdat men dus buiten op het land niet veel te doen had, was er nu wat tijd voor ontspanning. De jacht was vroeger een geliefde sport. Officieel werd deze sport vooral uitgeoefend door de heren van adel. Zij hadden jachtopzieners in dienst die erop toezagen dat de stropers hen niet voor waren bij het vangen van het wild. Dit lukte niet altijd want vele stropers zagen kans om hun vleesrantsoen flink op peil te houden. Over het algemeen zag men in dit stropen geen kwaad, hoewel het eigenlijk niet was toegestaan.

Later werden de heren van adel vergezeld door gefortuneerde zakenlieden, terwijl nog weer later ook wel boeren officieel met vergunning op jacht gingen.

Trefwoorden:Riezebessum, Stoelenmatter, Plakzicht, Hakke, Schadden, Hooien, Wezeboom
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand