MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Als een melkbus kon praten

Verhaal

Als een melkbus kon praten

ALS EEN MELKBUS KON PRATEN

Een melkbus heeft in zijn ‘leven’ heel wat meegemaakt. Als ‘dom ding’ is het voor een bus niet mogelijk om de lotgevallen weer te geven. Daarom hebben wij ons verplaatste in de rol van een melkbus en laten hem onderstaand verhaal vertellen.

Nummer 413
Op mijn lichaam zijn lijnen en bloemen getekend, het zgn. Hindeloper schilderwerk. Ik sta in de hoek van een grote kamer, waar de jongste telg van de familie mij aandachtig van alle kanten bekijkt. Ik, een melkbus met het nummer 413, die in het begin van de jaren dertig voor het eerst werd volgegoten met melk. Ik heb nu alle tijd om na te denken. Over hoe men mij gebruikt en misbruikt heeft, over goede en slechte jaren.

Ik weet nog als de dag van gisteren dat ik voor het eerst mee hobbelde in een boerenkar naar het weiland, waar een zevental koeien vredig liepen te grazen. Het melken gebeurde door de jonge boer, terwijl opa een bak vol water ging scheppen uit een put. In het weiland had men toen nog geen pomp. Het scheppen gebeurde met een emmer aan een touw, die men in de put liet zakken. Met dat water werden later ook de emmer en de zeef weer schoongemaakt en op een oud wagenrad gelegd. Nu zou dat niet meer kunnen want zo’n oud wagenrad en ouderwetse teems waren binnen de kortst mogelijke tijd gejat.

Wanneer opa met zijn twee bussen, waar ik ook bij hoorde, weer op huis aan reed, was in de verte de melkboer al op komst om mij mee te nemen naar de fabriek. De jonge boer was al op de fiets vooruitgegaan, want deze moest nog op ‘daghuur’. Het was net in de tijd van het hooien en voor een stuk land dat zij in huur hadden moesten zij, naast het betalen van pacht, ook een paar dagen arbeid leveren, uitgerekend in de oogsttijd.

Getjan
Getjan de melkboer, die mij mee moest nemen naar de fabriek, was al oud. Enkele jaren na de oprichting van de fabriek, zo omstreeks 1910, wist hij door laag in te schrijven, een melkrit te bemachtigen. Een melkrit die hij bij de jaarlijkse aanbesteding steeds wist te behouden.

Zo’n enkele keer, als hij vergeten was om mij onderweg af te zetten, ben ik bij zijn huis op de wagen blijven staan.

Aan het armetierige gedoe om zijn huis, kon je wel zien dat het bij hem geen vetpot was. Geen wonder, Getjan moest leven van de opbrengst van zijn melkrit, wat niet meer dan een paar dubbeltjes per dag opbracht, van zijn koe en twee varkens. Zijn vrouw Jenne zag dat blijkbaar ook niet zo zitten, want met haar oude ‘juteschoetert” (juteschort) behoorde ze niet tot de propere boerinnen.

Het enige wat ze goed kon was Getjan de huid volschelden. De ene keer omdat hij zo laat terug was, de andere keer omdat hij vergeten had om de varkens te voeren voordat hij ’s morgens weggereden was. Getjan kende dat verhaal, en liet dat zonder tegenspraak over zich heen gaan.

Getjan zocht zo nu en dan zijn troost bij ‘Dieks’, het boerencafeetje waarvan hij ook de melk mee moest nemen. Bij de andere boeren deed Getjan altijd het melkgeld aan de bus, maar bij Dieks bracht hij het persoonlijk naar binnen. Steevast kon hij daar rekenen op een borrel, terwijl hij er zelf nog een paar bij kocht. Bij die gelegenheden vergat hij dan wel eens om ons onderweg af te zetten.

Op de fabriek waar van zo’n 600 boeren de melk bij elkaar kwam, werden wij als bussen niet altijd liefdevol behandeld. Getjan was echter één van de weinige melkrijders die ons altijd netjes behandelde. Tegenover zijn collega’s kon hij soms erg tekeer gaan als er met ons gesmeten werd. Zo kwam het dat ik dan ook op 25-jarige leeftijd praktisch nog geen deuk in mijn lijf had. Thuis op de boerderij had ik ook een goed leventje. Wanneer Getjan mij met een zwaai op de inrit had neergezet, stond opoe al klaar om mij mee te nemen naar de ‘waskamer’ waar ik van binnen met heet water goed gereinigd werd.

Ook de buitenkant werd ik glimmend glad geschuurd. Opoe was wat je noemt een ‘pront’ mensje. Zij was ook de baakster in de buurt en ze had al heel wat kinderen het levenslicht helpen aanschouwen. Dat was nog in die tijd dat de boerderijtjes klein waren en de gezinnen groot. Getjan kon altijd heel goed met Diekemeuje, zo heette ze, opschieten en zodoende werd ik altijd met veel respect behandeld. Ja, Getjan mocht Diekemeuje erg graag. Overal waar zij met spoed naar toegeroepen werd, kon hij de andere dag op een borrel rekenen. Van de jaren dat ik bij hem op melkwagen ben meegereden heeft hij bij Mans van de Tuten bij zulke gelegenheden al veertien ‘glaasjes’ moeten drinken, wat hij overigens met plezier deed. Een van zijn vaste gezegdes was altijd:” in’n tweed’n lever gin suker”.

Oorlog
Zo heb ik een groot aantal jaren in vredige rust doorgebracht, totdat in mei 1940 de oorlog losbarstte. De jonge boer was al opgeroepen voor de militaire dienst en lag in de buurt van Amerongen. Hij is niet meer teruggekomen. Voor Diekemeuje was dat een geweldige slag. Ik kon dat merken als ze me schoonmaakte. Vroeger zong ze allerhande oude liedjes, maar nu huilde ze vaak. Erg lang heeft ze het dan ook niet meer gemaakt. Die oorlogsjaren hadden ook bijna mij het leven gekost, toen we de laatste dagen vanuit de lucht werden beschoten. Enkele collega-bussen werden met kogelgaten doorboord en ook de oude ‘Bles’ liet hierbij het leven.

In die dagen werd ik niet altijd gebruikt voor het vervoeren van melk. Soms werd ik vol vlees gestopt en reed daar mee naar het dorp. Ze keken de melkboer nooit in de bussen.

Na de oorlog zei Getjan zijn melkrit vaarwel. Zijn opvolger was een heel wat jongere melkboer, die ons ook heel wat ruwer behandelde. Thuis had hij nog al wat om handen en hij kreeg meer bussen op zijn wagen, doordat de boeren meer koeien gingen melken. Hij moest in een sneller tempo werken en was ook een der eersten die een trekker aanschafte. Op de zandwegen werden wij in die tijd behoorlijk door elkaar geschud.

Ook op de fabriek werd het niet beter. Daar werd een bussenspoelmachine aangeschaft, waar wij met stoom en kokend water doorheen werden gejaagd. Van binnen werden wij wel goed schoon maar aan de buitenkant werd ons lichaam één roestbruine massa. Nee, het leven van een melkbus was niet meer zoals vroeger.

Rommelmarkt
Deze behandeling herinnerde mij eraan dat ik ook zo jong niet meer was en ik was blij dat de vrouw des huizes besloot haar bedoeninkje aan de kant te doen. Dit bracht met zich mee dat wij de prooi werden van oud-ijzer-scharrelaars, dat ons op de rommelmarkt deed belanden.

Hier werd ik herontdekt en nu mag ik mijn laatste levensdagen doorbrengen als pronkstuk in een deftige kamer. Nu kijk ik uit op een snelweg waarover grote tankwagens met melk rijden. Een snelweg met een kruispunt, waar vroeger eens het boerderijtje van Diekemeuje stond en waar mijn levensloop een aanvang nam.

Trefwoorden:Melkrijder, Melkboer, Melkbus
Periode:1890-1960