MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Deel 3 - Er gebeurde van alles ...

Verhaal

Bij m`n oom en tante werd ik grootgebracht van m`n 4e tot m`n 15e jaar. M`n tante bracht me iedere dag naar school totdat ik m`n eigen weg kon vinden. Via de Noordwalstraat, Delden had immers stadsrechten sinds eeuwen. Daar stond de ouwe "sjoeltje"(synagogetje), waar mijn ooms en m`n opa en de andere joodse ingezetenen voor de oorlog naar toe gingen, maar die niet meer in gebruik was. Daarnaast liep een klein paadje dat naar beneden ging over een heel klein slootje met een stenen ondergrond.(Dit waren de overblijfselen van de oude stadsmuur).

Eigenlijk was ik best trots in een stad te wonen want Hengelo was een dorp).Dan een klein eindje links langs het slootje en dan weer rechts naar boven met aan de linkerkant een grote schuur met een wand van gaas, deed je belanden in de Zwanensteeg waaraan de zuidelijke kant van het mooie grote schoolplein lag van de lagere school, die officieel weer aan de Molenstraat lag vanwege de noordelijke ligging. Zo, dat was de weg die ik dag in, dag uit ging. `s Morgens voor negen uur. Dan om 12 uur naar huis voor het middageten. M`n ooms hadden een slagerij. Slagerij Groenhijm. Kwaliteit sinds 1880, zoals op de zakjes stond. Tussen de middag werd de zaak gesloten en hadden we onze warme maaltijd. Tante Clara kon altijd lekker koken.  Afijn, dan na het middageten om half twee weer naar school en dan om 4 uur weer naar huis. Oom Lex ging naar huis. Die woonde in de Noordwalstraat tezamen met tante Lenie in een bovenhuis. Daar kwam ik niet vaak want er was geen harmonie tussen m`n tantes, waarvan de oorzaak mij pas jaren later verteld werd. Toch zei tante Lenie altijd vriendelijk hallo, gaf me af en toe een snoepje en heb ik prettige herinneringen aan haar. Eens kwam ik terug van school terwijl ik precies voor haar huis op een lolly aan het zuigen was, die me pardoes in het verkeerde keelgat schoot, en me zo luid aan het huilen maakte dat tante Lenie en mevrouw Nijland, haar benedenbuurvrouw, naar buiten kwamen. Ze slingerde me aan m`n benen in het rond, de lolly kwam er uit en hier zit ik nog met een glimlach te typen. Dank je wel tante Lenie. Ze hielp elke zaterdag, omdat het de drukste dag van de week was, ook in het kleine slagerswinkeltje, wat dan ook vaak de gehele dag door propvol was met klanten. Oom Lex maakte wel eens grapjes en had voor iedereen een vriendelijk woord en een mop en dan nog dit te weten, Delden was de stad van de moppen.

De speciale koekjes die in Delden gebakken werden hadden en hebben waarschijnlijk nog de naam Deldense Moppen, dus hoorde ik wel eens gelach in de winkel. Je kwam binnen met een opstapje en dan klonk de bel, voor het geval dat er niemand  achter de toonbank was. M`n beide ooms hadden ook een knecht, ome Johan Bril, hun steun en toeverlaat vele jaren door. Hij hielp zowel in de winkel als in het slachthuis achter waar altijd wel iets uitgebeend diende te worden. Ook waren er de weekendknechten, Johan en Rudie ter Horst, die aan de Vossenbrink woonden en die het vlees langs de klanten brachten op zaterdagen. Daarna was het afrekenen na winkelsluitingstijd. Oom Lex las dan de namen op van de klanten en dan hoorde je uit een andere mond, betaald of niet betaald. Zelf heb ik het ook eens gedaan, met die grote bakfiets, maar toen was ik al ouder. Johan of Rudie kwam in 1962 terug van Nieuw Guinea nadat het conflict aldaar alsnog vredig beëindigd was en dat was een hele belevenis. Wij wachtten allemaal `s avonds in z`n ouderlijk huis aan de Vossenbrink en ja, zo rond elven op een maandagavond kwam de grote bus met militairen en kwam Jan uit de bus en  gezongen dat er werd. Ja, ik ben me nu bewust hoe geweldig dat moet zijn geweest. Levendig weer terug en dan die verhalen, dat ze door die grote verrekijkers keken en op vele kilometers afstand duizenden Indonesische militairen zagen zitten op een eiland, klaar om over te komen voor het gevecht, wat gelukkig dus niet gebeurd is. Eens per week kwam de keurmeester. Met een stempel op de vleesmassa`s gaf hij z`n jawoord voor de verkoop. Zelf hielp ik zo af en toe ook in de winkel, dat was vrijdagsavonds voor de feestdagen zoals kerstmis en Pasen Vanwege het grote aantal bestellingen van klanten deed ik dan de verzorging van het broodbeleg.

Dat betekende, draaien aan het wiel met je rechterhand en met de linkerkant ving je de plakjes op die dan keurig op een  bepaalde manier op het kartonnen reserveerplaatje terecht  kwamen. Soms “zondigde" ik wel eens als er niet gekeken  werd,(want wij aten immers geen varkensvlees vanwege ons  geloof) en dan at ik een plakje boterhamworst en daar  genoot ik wel van. Een keer heb ik m`n pink in het rollende  vlijmscherpe mes gekregen, wat resulteerde in een diepe  bloedende V-vormige jaap, richting zijkant nagel aan de  buitenkant. Het vreemde is dat terwijl ik erover schrijf, ik het  warm voel worden daar waar het was. Ook ging oom Bennie eens per week naar de veemarkt in Doetinchem. Dat  was altijd dinsdag`s morgens zo rond half vijf. Als het schoolvakantie was ging ik wel eens mee. Wel moest ik dan  laarzen aan hebben vanwege al de poep. We gingen soms mee met de grote veewagen van Frans Boomkamp uit  Borne, soms ook met andere slagers. Aangekomen aldaar gingen we eerst in een van de grote cafés langs het  marktgebeuren voor een lekkere bak warme koffie, want het kon voor een klein jochie als mij best fris zijn. Daarna  ging het kris kras over de markt en zag je het handje geklap. Dan was er ook de grote overdekt veehal. Zelf  begreep ik er niet zoveel van . `k Zag m`n oom zichzelf omdraaien, dan weer weglopen. `k denk dat het een  bepaalde tactiek is. Het gebeurde allemaal zo snel. Het betasten van de koe, het bekijken. Dan kwam de grote  portefeuille te voorschijn in het café of staande op een plek en de koop en verkoop was gedaan. De koe werd  meestal eerst naar de stal gebracht die in de Walstraat was, precies tegenover het huis alwaar ik m`n eerste  vriendje Jan van Coeverden zou leren kennen. Dan werd de koe de volgende dag geslacht. Het slachten ging  snel. `k Bleef altijd kijken, want ik wilde het tot in finesses zien, nieuwsgierig als ik was. Totdat ik er op een goeie  dag genoeg van had. Naderhand bekeken, was er een ding, wat echt indruk op me maakte en wat ik leuk vond. Na  het slachten kreeg ik de grasbal, die van het eten van de koe overgebleven was, waar ik dan mee speelde en wat  in feite een wonder voor me was).

Oom Ben en oom Bril kwamen eens bij de stal om een koe  op te halen. Toen  ze binnen waren heb ik stilletjes de deur gesloten en de sleutel, die er nog in zat, omgedraaid met als resultaat dat ze de gehele deur uit hun scharnieren moesten lichten. Diezelfde middag moest ik natuurlijk voor straf op m`n  slaapkamer blijven. Toch eet ik nu nog steeds vlees en geniet er wel van. Een andere middag moest ik ook naar  boven omdat ik me ergens heerlijk in de modder in het rond had gerold met als resultaat een modderpikzwarte  Herman. `s Zondagsmorgens ging ik wel eens met m`n oom, met een kussen achterop z`n Solexje, de boer op  alwaar hij koeien kocht. `s Middags gingen we uit. Eerst nog met de bus. Dan gingen we naar tante Roza ter Beek  die in de Reizstraat in Hengelo woonde. Een gezellige "dikke" tante die altijd heel vriendelijk was. Rond 1956 had  ze een Israelier bij haar wonen voor een tijd die een tijdje rust nodig had van de 2e Arabisch-Israelische oorlog.  Een vriendelijke jonge man, "Ami Chai" was z`n naam. Voor het eerst werd ik me bewust, dat mensen ook andere  huidskleuren konden hebben. Hij was wat men "olijfkleurig" noemt. Daar keek ik wel een beetje vreemd van op en  dacht: hoe kan dat nou? `k Vroeg me wel eens af, wat dat woord "oorlog" betekende. Het klonk allemaal zo  dreigend. Ook gingen we wel eens op bezoek in Enschede bij tante Hedwig en haar man oom Poppert. Zij  woonden in een van de flatgebouwen aan de rand van de Sahara op Twekkelerveld. Eens kwam oom Poppert  binnen verkleed als dame, zo goed gedaan, dat ik het altijd herinner. Het was er altijd gezellig. In dat zelfde jaar,  want ik kan me herinneren dat het rond m`n zevende verjaardag was, stonden we op een zondagmorgen op en  wij, oom Bennie, tante Clara en ik, liepen naar  de pomp aan het Marktplein. Nieuwsgierig als ik was, vroeg ik:  “Waar gaan we naar toe?", want daar was ook de bushalte van de OAD, de grijze bussen,die ons stadje aandeden.

Toen kwam er een donkerblauw-met-crèmekleurige bus, van van Kempen`s Tours uit Enschede, die zowat vol met  mensen zat en daar zat tante Roza. Het werd een hele mooie dag. We gingen naar de bollenvelden. De  Keukenhof, Hillegom en Lisse en daarna de grootste verrassing voor mij. We  gingen naar Noordwijk. Het was een beetje grijsachtig die dag en een lekkere  bries, maar daar was ---DE GROTE ZEE ---.Wat een openbaring vooral als je  nog maar zeven bent en ja ,in feite was ik sprakeloos. Daar sta je dan. Het is  net of er een nieuwe wereld voor je opengaat. Later had ik een tijd dat ik altijd  naar zee wou of aan zee wilde wonen. Nu ik dit zit te typen woon ik vlak bij de  oceaan en ooit heb ik in m`n latere jaren op een visserschip gewerkt, om toch  maar op zee te zijn. Daarna was het weer tijd om naar huis te gaan. We  maakten kennis met een aardige vrouw in de bus die  nog naar Munster, in Duitsland, terug moest, Omdat ik  al zoveel had gehoord over de bezettingstijd en het  woord "moffen" heb horen vallen, wat ook wel  begrijpelijk is na wat er gebeurd is, blijft deze vrouw  m`n gehele leven bij me, met de wijsheid, dat er overal goede en niet goede mensen zijn en  er dus ook goede Duitsers zijn. Zo zat ik eens op een zondagmiddag met m`n vriend Jan  van Coeverden en z`n ouders in een Volkswagen, ook wel "kevertje" genoemd. Het was  rustig op de weg totdat er een auto met een Duits nummerbord ons inhaalde. Nu, dat werd  een race, want die "mof",mocht niet winnen. Nu, na de tijd, zie ik er de gekkigheid van in.  Ook woonde er een zekere Frans Nijboer in Delden die ook wel een tijdje de bestellingen  rondbracht, een vriendelijke jongeman die op jonge leeftijd naar Australië is  geëmigreerd. Er gebeurde altijd wel iets onderweg, van of naar school. Ergens in m`n jonge tijd, vanaf 5 -6 jaar, leerde ik Jhr. Jan van Coeverden kennen, ja een heuse Jonkheer die  dezelfde leeftijd had als mij. Alleen een paar maanden ouder. Hij woonde tegenover de stal van m`n ooms en  zodoende werden wij vrienden. Een keer kwamen wij van school af en zat ik bij hem achter op de fiets en we  banjerden tezamen de sloot in. Dat was lachen, omdat het goed afliep.

Een andere keer kwam ik van school af, op een woensdag, de enigste dag in de week dat we `s middags vrij hadden terwijl een klein kefhondje achter me  aanliep. Uit   angst bleef ik staan en hoe harder ik begon te huilen, hoe harder het keffertje begon te bijten in m`n  knie totdat, na een tijd, iemand me verloste en de tanden in m`n knie zichtbaar waren. Tot jaren daarna was ik heel voorzichtig met honden. Er zijn ook heel wat woensdagmiddagen geweest dat we met een heel stel jongens  voetballen gingen bij de Viersprong, kruispunt van de Bornsestraat, die weer langs de Deldense ijsbaan ging, wat  ook zo`n mooi plekje was, vooral hartje winter wanneer het lekker wit was en je schaatsen kon en een lekkere  warme kop chocolademelk soms wonderen deed om je koude vingers weer op te warmen. Alhoewel ik geen  goede schaatser was, kwam ik best vooruit en ja, wie wou er nou niet als Henk van der Grift zijn, met je fantasie  als je lekker langzaam "pootje over" ,wat uiteindelijk een hele prestatie voor jezelf was, door de bocht ging. Daar  was een mooie open plek onder de bomen. Daar lag ook de weg naar kasteel Twickel. Dan had je dieper in het  bos het Hoge Bruggetje en aan de tegengestelde richting ging de weg naar Azelo, langs de Dikke Steen waarbij ik  op een van de akkers in een herfstvakantie ooit geholpen heb met aardappel garderen. Wat was dat heerlijk als,  na een tijd gewerkt te hebben, de boerin eraan kwam met lekkere warme koffie en broodjes. Dan waren er andere  woensdagmiddagen dat ik met Dickie Rouweler speelde. Dickie, die nu bijzonder mooi werk maakt als artiest  onder de naam Marcel Rouweler in Groningen, kwam van een gezin met  vier kinderen. De vader had een sanitair bedrijf aan de markt waar die  mooie pomp nog steeds staat, tegenover het grote gebouw dat het  politiebureau was. Dickie had een oudere broer Jan Willem Rouweler, dan  was er Hansje Rouweler en Peter Rouweler in volgorde van leeftijd. We  mochten ook televisie kijken, af en toe, en dat was een belevenis. Je had  Pipo de Clown en Mammeloe met de Dikke Deur, dan was er het  programma De Verrekijker, dat je een kijk gaf overal in de wereld.

Met  Dickie, die lieve en verzorgende ouders had,  speelde ik soms achterthuis  tussen de pijpen van het sanitairbedrijf en soms speelden we op het  grasveld naast de kerk of liepen we rond over het lage kerkmuurtje da geheel rondom de kerk liep. Dickie zat op  de Room katholieke school, net als m`n andere vriend Bennie Bruins, met wie ik menig balletje getrapt heb op het  kleine driehoekspleintje voor hun eigen groentezaak. Bennie heb ik jaren later ooit nog eens ontmoet in Hengelo  terwijl hij op de bank vlak bij het station werkte. Hij had broer Harrie, zuster Ria en z`n vader en moeder. In het  andere kleine straatje, dat vanaf groeteboer Bruins richting Langestraat liep woonde Hannes de Jager met z`n  vrouw, een imposante man met al grijzig haar, grote bakkebaarden, een snor en een hele grote dikke buik en hij  deed me een beetje aan m`n vader denken. Dat komt omdat hij ook met lompen en oud ijzer handelde. Ze waren  misschien wel zigeuners. Het waren heel vriendelijke mensen. Op een nacht ergens in die tijd gingen de sirenes,  die op het dak van het politiebureau waren gevestigd, dus aan het begin van onze straat, midden in de nacht aan.  Het huis van Hannes ging helaas in vlammen op. `k Ben er wel even uit geweest en heb wel geboeid naar het  schouwspel van de vlammen gekeken. Met het echtpaar was gelukkig alles goed. Dan waren er de drie gezusters  ter Steege die in het mooie hoekhuis met de zwart-witte Twickel-blinden woonden. De familie Smeenk op de ene  hoek met de Spar-winkel en een hoek verder richting kerk de familie Levers met de Centra-winkel. Dat waren nog  de gezellig ouderwetse winkels. Alhoewel wij joods waren liet tante Clara mij toch de meeste dingen mee doen, wat  ook andere jonge kinderen deden zoals het plezier van het optuigen van een palmpasen, met al die gekleurde  suikereitjes, wat ook een feest voor het oog was. In het Delden van mijn jonge jeugd waren twee grote kerktorens.  Vanaf m`n opkamertje aan de Marktstraat 9 kon ik de dikke toren van de Nederlands Hervormde Kerk, met z`n  Romeinse cijfers, zien en ook ieder uur horen, iets waar ik heel vertrouwd mee werd door de jaren heen. 

En dan  had je de Rooms Katholieke Kerk met de slankere toren aan de Goorsestraat die beiden vanaf de buitenranden  van het stadje bij benadering in herkenning aan het oog werden geopenbaard. De Nederlands Hervormde kerk  kon je zien als je vanuit Almelo kwam en de Rooms Katholieke kerk als je vanuit Goor kwam. Ook in de sport was  er van alles twee: respectievelijk Rooms Katholiek en alles wat anders was. Voetbalverenigingen Rood Zwart: shirt  met verticale rood-zwarte strepen plus zwarte broek en SV Delden had een blauw shirt met een gele V die  onafgebroken verder ging in het rond rondom over de schouders. Korfbalverenigingen Rood Zwart en Zwart Wit  en gymnastiekverenigingen Rood Zwart en Actief. Van Actief was ik een aantal jaren lid. Bij een van de jaarlijkse  uitvoeringen, in toen nog cafe Jeurling, moesten wij via een springplank over de wijde bok duiken met een  zweefrol. Toen ik dat niet durfde, tilde de gymnastiekleraar de heer Borgers, mij hoog boven de bok uit, voor de  aanwezige toeschouwers die een luid applaus gaven en ik vroeg me af, wat er nou eigenlijk aan het gebeuren  was. Het was de in die tijd dat ik eigenlijk voor het eerst verliefd was op een meisje die mij eigenlijk niet zag zitten.

Terug naar INDEX

Herman Hanauer is geboren in Enschede en heeft z’n jeugd wisselend doorgebracht in Enschede, Lingen (Duitsland) en Delden. In de zestiger en zeventigerjaren maakt hij deel uit van diverse bands waaronder de John Jacks, freesound group The Rabbits, Teach in en Balance. Na vele omzwervingen, door heel Europa, vestigt hij zich, in 1998, in Australië.

Auteur:Herman Hanauer
Trefwoorden:Enschede, Delden, Slagerij Groenhijm, Deldense moppen, Keukenhof, Volkswagen kever, Twickel, S.V. Delden
Personen:Jan Van Coeverden, Dickie Rouweler, Bennie Bruins
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand