MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Zaaien en oogsten in Diepenheim

Verhaal

"Wie mut ok gauw een keer dosken", zegt mijn vader, wie heb 't stro op". Het zijn simpele woorden, maar aan dit dorsen ging heel wat voorbereidend werk vooraf. In de tijd van mijn vader en grootvader werd er rogge, haver, gerst en tarwe gezaaid. Kleinere stukjes werden gebruikt voor boekweit, hennep en vlas.

Om bij de rogge te blijven: dit was voor 90% winterrogge. Men had ook zomerrogge,  maar deze was niet zo oogstzeker. Winterrogge werd gezaaid van begin oktober tot half december. Dit zaaide men uit een zaaischeppel, gevlochten van stro in de vorm van een platte mand, die door middel van een touw of riem om de schouder gehangen werd.

De inhoud van mand was ongeveer 30 pond, hetgeen een scheppel werd genoemd. Hier zaaide men ongeveer 10 are mee, 10x100 meter is een scheppe!. 10 scheppel is 1 ha. Deze manier van zaaien noemde men breedwerpig zaaien. De zaaiviool werd gebruikt voor het zaaien van fijne zaden (boekweit, vlas, hennep en wortelen). De zaaiviool was een langwerpig kistje waar een stok doorheen werd bewogen, met gaatjes aan de onderkant. Dit instrument was in zekere zin de voorloper van onze hedendaagse zaaimachines, want ook hiermee zaait men door middel van beweging. Als ik de moderne zaaimachines zie, getrokken of gedragen door een tractor, dan moet ik aan mijn grootvader denken met zijn zaai zaaischeppel, lopende door het losse land.

We hebben ook nog de zaaimachines gehad, ca. 2 meter breed met een zaaiafstand van 20 cm, die getrokken werd door paarden. Nu zaait men pneumatisch, d.w.z. door middel van luchtdruk. Zo'n 50 jaar lang werd voor 90% het ras ‘Petkuser’ in de roggeverbouw gebruikt. Dit ras vond zijn oorsprong in Pettkus (Denemarken). De laatste jaren vanaf 1990, wordt er veel rogge gezaaid in de maïsstoppel, dit ter voorkoming van uitspoelen van achter gebleven voedings- en meststoffen.

Wie zaait zal oogsten. Dit gezegde heeft meerdere betekenissen, maar we zullen hier het oogsten van graan behandelen. De oogst hangt voor een groot deel af van de weersinvloeden, vooral bij granen. Zijn er in de maanden mei-juni veel onweer en slagregens, dan slaat alles plat op de grond, komt weer met zo’n halve knie omhoog en moet dan soms nog bloeien en vrucht zetten. De opbrengst aan zaad, maar ook aan goed stro is dan beduidend minder.

Omdat de ‘Petkuser’ niet al te stevig en te lang was, is deze de laatste jaren vervangen door kortere, stevige gewassen en soms door een kruising van rogge en tarwe. Bovengenoemde weersinvloeden zijn minder bij tarwe, haver en gerst, omdat die van zich zelf al korter zijn. Ook de maïs, die de laatste 25 jaar de granen op zandgronden voor een groot deel vervangen heeft, kan schade oplopen door hagel, al is dit gewas behoorlijk oogstzeker.

Sint Japik is 25 juli en was voor de boer de streefdatum om met rogge maaien te beginnen. Was het een droge warme zomer, dan kon hiermee soms wel een week eerder worden begonnen. Gerst werd nog eerder gemaaid en haver helemaal na de rogge, soms wel half augustus. Omdat er na de rogge-oogst stoppelknollen op dat land gezaaid werden en dit omstreeks 10 augustus moest gebeuren, hing het ene van het andere af. De rogge moest rijp zijn, maar niet meer dan dat, want dan viel het zaad tijdens het maaien - binden - hokken - ophalen - afladen en opstapelen, veel te vroeg uit.

Liep het omstreeks half juli, als de hooioogst grotendeels voorbij was, dan begon mijn vader onrustig te worden. "Wie zult wal'n keer an de rogge mut'n beginnen" zei hij dan. Hij haalde de pikhaak en de zicht van de zolder en begon dat laatste ding te scherpen. Een zicht is een soort zeis, die met één hand bediend wordt, terwijl met de andere hand met behulp van de pikhaak, gezorgd wordt, dat tijdens het maaien het graan niet teveel door elkaar valt. Voor het scherpen gebruikte hij een zogenaamde haarhamer en een soort aambeeldje van 5x5 cm. (een zogenaamd haarspit). Door de zicht met de snede op dat aambeeldje te houden en hier losjes met die haarhamer op te tikken, wordt de snede dun en scherp. Dit gebeurde tijdens de oogst zo om de 3 tot 4 dagen. Tussendoor gebruikte de maaier een zogenaamd zeisenstrik om de zicht te scherpen, een soort latje van 50 cm, waaraan een wetsteen was gelijmd.

Met het maaien met de zicht werd begonnen aan die kant van het perceel, waar de aren van je afhingen. Er werd ca. 5-6 keer ingeslagen ter breedte van zo'n 3-4 meter en dan werd de garf uitgerold en teruggelegd met behulp van de pikhaak. Was de eerste maaier een paar honderd meter weg, dan begon de andere maaier aan de volgende reeks. Om ongeveer negen uur, half tien kwamen de bind(st)ers, in veel gevallen vrouwen en meisjes. Deze waren gekleed in witte schorten met lange mouwen, ter bescherming van armen en benen. De witte kleur was een bescherming tegen de zon. Was die heel fel, dan werd er een (strooien) hoed gedragen. Er werd gebonden met een kop en een kontzeel. Een goede bindster kon 2 maaiers bijhouden. Om ongeveer tien uur werd er koffie gedronken met een paar snee stoete.

Rond het middaguur ging iedereen naar huis om warm te eten. Na de middagpauze hetzelfde ritueel, waarbij om ongeveer vier uur gestopt werd voor vespertied (stoete met koffie). Na het maaien en binden werd er gegast, d.w.z. de garven werden overeind gezet om ongeveer 2-3 dagen te drogen. Vier of zes garven met een zeel er om heen noemde men een gast. Twaalf of veertien garven zonder zeel noemde men een hok.

*Zie ook het vervolgverhaal ‘Oogsten en Dorsen in Diepenheim'

Auteur:H.W. Olthuis
Trefwoorden:Zaaien, Oogsten, Dorsen, Landbouw
Periode:1900-1960
Locatie:Diepenheim