MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Oogsten en dorsen in Diepenheim

Verhaal

Nadat de garven rogge waren gedroogd, kon de oogst worden binnengehaald en met het dorsen worden begonnen. Dit gebeurde vroeger met een koeze (een kromme, dikke stok) of een vlegel. Een vlegel is een dikke stok van ongeveer 2 meter met aan het einde een draaibaar, nog dikker stuk hout van ongeveer 50 cm.

Al om ongeveer vijf uur ’s morgens spreidde men op de deel een dubbele rij garven uit, zodanig dat er een gelijkmatige laag ontstond en dat de aren in het midden lagen. Vier mannen sloegen beurtelings en in een vast ritme met hun vlegel op de aren, zodat het zaad eruit sprong. Dit vaste ritme noemde men "schep-op-de-pap", omdat er na gedane arbeid pap gegeten werd. Was er genoeg gevlegeld, dan werd het stro opgenomen, uitgeschud, opgebonden en verwijderd. Het zaad werd via een wanne van het lichtere kaf gescheiden, het z.g. wannen, en ging daarna in zakken naar de molenaar. Van het grootste deel van het meel werd roggebrood gebakken, de rest was bestemd voor veevoer. Waren er op de boerderij ook paarden, dan werd er een perceeltje haver verbouwd, dat in gesneden toestand (haksel of heksel) werd vervoerderd. Op elke deel stond een hekselkiste.

Latere ontwikkelingen

Nadat het grasmaaien voor de hooioogst werd gemechaniseerd, begon men er aan te denken om ook de graanoogst met behulp van machines te verrichten. Dit werd mogelijk door het gebruik van een aflegger, die op een maaimachine voor gras werd geplaatst. Eén persoon stuurde de paarden en een ander zat op een apart zadel en legde met behulp van een stok de garven af. Zo ging het één maaigang en dan weer retour, terwijl binders de garven met een zeel opbonden en teruglegden. Dit was al een hele verbetering. Daarna kwamen de zelfbinders, die door paarden of tractoren getrokken werden. De schoven werden gebonden met touw en opgezet in hokken. Tenslotte kwamen er nòg grotere machines, de zogenaamde combines, die maaiden en dorsten tegelijk. Het maaien moest nu veel later plaatsvinden dan St. Japik ( 25 juli ), omdat het graan goed rijp moest zijn. Het zaad werd gestort in wagens en vervoerd naar fabrieken. Het op het land achterblijvende stro werd door een machine in balen geperst en ook afgevoerd.

Toen de vooruitgang zover gevorderd was, dat er electriciteit op de boerderij kwam, ontwikkelde men electromotoren met pully-aandrijving. Nu moesten er nog dorsmachines komen, die hiervoor geschikt waren. Eerst kwam er een zogenaamde hekkelmolen, waarin de kop van de garve werd gehouden, zodat het zaad er afremmelde. Deze molen werd later soms nog gebruikt, wanneer men stevig stro nodig had voor dakbedekking, dokken onder de pannen enz. Daarna kwamen de dorsmachines, die door tractoren werden getrokken. De machines waren nu al zover ontwikkeld, dat het zaad schoon in de zak kwam, terwijl het stro nog wel moest worden opgebonden door 2 of 3 bindsters.

Eén bijzonderheid wil ik toch nog even vermelden. In de Tweede Wereldoorlog werd er uiteraard ook gedorst. Het zaad moest toen bij de Duitse Wehrmacht worden ingeleverd. Wilde men dorsen, dan moest dit gemeld worden bij de plaatselijke bureauhouder. Deze zorgde er op zijn beurt voor dat het dorsen in het bijzijn van een controleur gebeurde, die zorgvuldig elke zak zaad opschreef. Men probeerde hier nog wel eens onderuit te komen. Er was immers voedselnood en men kon zijn landgenoten beter voorthelpen dan die gehate bezetter. Sommige buurten dorsten gezamenlijk op één plaats; men hielp elkaar met aan- en afvoer en alle andere werkzaamheden. In onze streek dorste men individueel op de boerderij met behulp van buren, familie en "kunnigheid".

Men had hierbij zo’n 11 tot 12 personen nodig. Op de miete of in de berg voor aanvoer van de garven ( 2 ), op de dorsmolen voor aangeven en inleggen ( 2 ), voor afvoer van het zaad ( 2 ) en voor het stro 2 of 3 bindsters en 3 of 4 personen voor de afvoer hiervan. Begonnen werd ‘s morgens om een uur of negen. Er werd een uur gedorst waarna koffie en brood genuttigd werden. Om elf uur werd dan een borreltje geschonken: jenever voor de mannen en een rood borreltje voor de vrouwen. Iedereen dronk uit hetzelfde bolglaasje (een glas zonder voet). In de middag ging ieder zijns weegs om te eten en als iedereen weer aanwezig was, dan werd er weer begonnen. Soms ontstond er groot tumult onder de vrouwen, wanneer er van onder de miete of berg uit de laatste garven muizen te voorschijn schoten. Er zat ook wel eens een rat of bunzing onder.

Nu, in de jaren negentig, is het areaal rogge, haver of tarwe op de oostelijke zandgronden zover geslonken, dat een paar combines het met gemak af kunnen en er geen 13 personen meer nodig zijn om te dorsen. Het op elkaar aangewezen zijn, de onderlinge saamhorigheid en de vanzelfsprekendheid hiervan, het gemoedelijke uit vroeger jaren, gaan we in onze moderne tijd meer en meer missen. Een ieder gaat zijn eigen gang. En soms vind ik dat jammer.

Auteur:H.W. Olthuis
Trefwoorden:Zaaien, Oogsten, Dorsen, Landbouw
Locatie:Diepenheim