MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Een Twentse winter van 70 jaar geleden

Verhaal

Hoewel het tot een paar dagen geleden nog niet op winter leek, is de temperatuur nu, omstreeks 3 uur in de middag van 24 januari, nog niet boven nul en heeft het vannacht een graad of acht gevroren. Binnen is het lekker warm. Daar merk je niets van de kou. Je zorgt dat de thermostaat op de gewenste temperatuur wordt gezet en verder heb je nergens omkijken naar. Maar hoe ging dat zo'n 70 jaar geleden?

De huizen waren toen nog niet zo goed geïsoleerd als nu. De meeste hadden steensmuren en sommige zelfs halfsteensmuren. Had men al spouwmuren dan bestond de isolatie uit de lucht in de spouw. Van dubbele beglazing had men ook nog niet gehoord. De meeste huizen hadden zelfs nog geen beschoten kap, d.w.z. op zolder keek men tegen de dakpannen aan. Niet alleen die dakpannen sloten niet al te best aan, hadden dus kieren, maar ook de deuren en ramen waren vaak niet kiervrij. Men probeerde voor de winter wel het huis wat tochtvrijer te maken. Zo zie ik nog mijn grootvader in de herfst de ramen langslopen met repen oude kranten en een briefopener. Met behulp van die briefopener werden de repen tussen raam en vensterbank en raam en sponning gestopt. Hij zal wel niet de enige geweest zijn die op een dergelijke manier probeerde de kou buiten te houden.

Rondom de kachel

Gasverwarming bestond nog niet. Men stookte met kolen en vooral met hout. Alleen grote gebouwen, zoals het gemeentehuis, en een enkele particulier hadden centrale verwarming. Deze werd gestookt met cokes. De meeste mensen hadden in de keuken, waar men overdag vertoefde, een kolenfornuis, dat echter meestal met hout gestookt werd. In de woonkamer, waar men ’s avonds en op zondag huisde, stond een haard of een kachel. Door de haard of kachel vlak voor het naar bed gaan met kolen te vullen, bleef deze de hele nacht op een laag pitje doorbranden. Ook overdag bleef deze op de laagste stand. Men woonde dan immers in de keuken. Pas tegen de avond werd het vuur opgepord en de asla leeggemaakt. Zo kon men na het eten in een kamer met een behaaglijke temperatuur zitten. Men moest dan niet te ver van de kachel af gaan zitten, daar het in de uithoeken van de kamer meestal behoorlijk koud bleef. Het hele gezin zat dan ook rondom de kachel, hetgeen de gezelligheid wel ten goede kwam.

Fornuis

Het fornuis in de keuken moest iedere morgen weer aangemaakt worden. Dat was geen prettig werkje. Als het ’s nachts enige graden gevroren had, was het ’s morgens steenkoud in de keuken. Eerst moest de aanwezige as uit de vuurpot verwijderd worden. Dat deed letterlijk nogal wat stof opwaaien. Dan aanmaakhoutjes erin met een in elkaar gefrommelde krant er onder, een lucifer erbij en branden deed het fornuis. Ook werd wel een stuk aanmaakturf met een scheut petroleum erop gebruikt om het vuur aan te krijgen. Als de brand er goed in zat, duurde het toch nog wel een tijdje voordat het lekker warm in het vertrek werd. Kwam je thuis met koude of natte voeten, dan werden die in de oven van het fornuis gestoken Ook liet je je klompen, die toen heel veel gedragen werden, warm worden in die oven.

Behalve in keuken en woonkamer werd er in het huis niet gestookt. De slaapkamers waren dus ook koud. Het kwam wel eens voor dat ’s morgens de uitgeademde lucht op het laken bevroren was. Als kind kleedden wij ons ’s avonds dan ook bij de brandende kachel in de kamer uit en ’s morgens weer aan, werden onze schone kleren bij de kachel gehangen en vond de zaterdagse grote wasbeurt voor het brandende fornuis plaats.

Kruik

In de winter werd in het algemeen onder dikke veren dekbedden geslapen en ging er een kruik mee naar bed. Zo’n kruik was meestal van koper en werd gesloten met een schroefdop en in een kruikenzak, bij mij thuis van molton, gestopt, zodat je je voeten in bed niet tegen de met kokend water gevulde kruik zou branden. Om die kruiken te vullen moest wel gezorgd worden voor een grote ketel kokend water. Ook voor de afwas en veel andere dingen waarvoor je warm of kokend water nodig had, moest een ketel water op fornuis of kachel gezet worden. Bij veel huishoudelijke karweitjes moest dus altijd vooruit gedacht worden. Bij mij thuis stond ’s winters altijd een ketel met een grote “zak” in opa’s kantoor te stomen. Omdat die kachel in de herfst werd aangestoken en bleef branden tot het in het voorjaar lekker warm weer was, had mijn moeder een groot deel van het jaar altijd warm water voor het grijpen.

Kolen en hakhout

Om het niet koud te hebben, moest dus meer gedaan worden dan een thermostaatknop omdraaien of intoetsen. Je moest ook zorgen dat je brandstof in voorraad had. Kolen konden besteld of gehaald worden, maar hout moest gehakt, gezaagd en gekloofd worden. Als de brandstoffen in een schuurtje enige meters van het huis opgeslagen lagen, het hard vroor en de kolenkit ’s avonds bij het naar bed gaan leeg bleek te zijn, moest degene die een kit kolen moest halen wel even op zijn tanden bijten om zijn werk te gaan doen.

De landgoederen hielden elke winter een dag “houtverkoop”. Je kon je dan inschrijven op een perceel hakhout. Kreeg je zo’n perceel toebedeeld, dan moesten de bomen omgezaagd of omgehakt worden. Aan het eind van de winter zag je dan ook veel wagens met houtstammetjes rijden. Deze voorraad was voor de volgende winter, want het hout moest eerst drogen om goed te kunnen branden. In de loop van het jaar werden de stammetjes op een zaagbok, die bijna iedereen wel had, in stukken die in fornuis of kachel pasten gezaagd. Ik heb vanaf een jaar of 8 heel wat uurtjes staan zagen met mijn opa. Meestal gebeurde dat in de schuur, maar als het in het voor- of najaar mooi weer was en niet te koud, werd de bok ook wel achter de schuur gezet, zodat we al zagend van het zonnetje konden genieten. De gezaagde blokken werden daarna netjes opgestapeld in een hok. Als dan aan het begin van de winter de oude voorraad opraakte, was de “nieuwe” oogst droog.

Aardappelen

Niet alleen moest er nogal wat werk verzet worden om het thuis in de winter behaaglijk te hebben, ook moest men voorzorgsmaatregelen nemen om genoeg eten in huis te hebben voor mens en dier. De op stal staande koeien werden, zolang het nog niet te hard vroor, gevoerd met knollen en hooi en later met voederbieten en hooi. Het hoofdvoer voor varkens was gekookte aardappelen. De aardappelen en bieten werden in de herfst ingekuild. Zo’n kuil bestond uit een gegraven laagte in het bouwland. In die laagte werd stro gelegd, daarop werden de aardappelen of bieten gestort en daarover ging dan weer een laag stro. Tegen dat het begon te vriezen ging een laag aarde over het stro en daarover weer een laag blad. Als de bladeren vielen zag je overal onder de eiken- en beukenbomen mannen bladharken. Dat blad was voor de kuilen. Eiken- en beukenblad verteren niet snel, zodat een laag van deze bladeren de hele winter een goede bedekking bleef. Als er een laag sneeuw viel, was dat ook een goede deklaag.

Ook de “burgers” verbouwden grotendeels het eten zelf, hoewel bij Wiemerink en Roelofsen al wel wat groente te koop was. Was de tuin niet groot genoeg voor ook de verbouw van aardappelen, dan kocht men de nodige voorraad bij een boer. Was de kelder hiervoor niet groot genoeg of had men geen kelder, dan was de schuur de opslagplaats. Aangezien zo’n schuur niet vorstvrij was, moest er, als de vorst inzette, wel gezorgd worden voor een goede afdekking. Bevroren aardappels smaken immers niet.

Wecken

In het koude seizoen stonden kelders en kelderkasten vol gevulde weckflessen, Keulse potten met zelfgemaakte zuurkool of ingezouten snijbonen. Met andere woorden, boer en burger waren de hele zomer in de weer voor de winter. Wat hebben wij het nu gemakkelijk! Wij gaan naar de winkel waar we het hele jaar alle mogelijke verse groenten kunnen kopen.

Strooien

Wij moeten ervoor zorgen dat, voor het begint te vriezen, antivries in het koelwater en in de ruitensproeier van de auto zit. Hoe dat ging bij de weinig auto’s die er in de dertiger jaren al waren, weet ik niet. Misschien waren die luchtgekoeld. Maar het vervoermiddel van die tijd, paard en wagen dus, kon bij gladheid ook niet onvoorbereid op pad. Het paard kreeg dan z.g.n. “punten”, een soort nagels, in de hoefijzers geschroefd om niet uit te glijden. De voerman moest dus wel zorgen dat zijn paard de goede ijzers onder had.

Op de hoofdwegen werd al wel gestrooid. Niet met zout, maar met “geel” zand.

 

 

Dat gebeurde vanuit een kar getrokken door een paard. In de kar stonden een paar mannen die met de schop zand op straat strooiden. Wanneer Diepenheim een echte zandstrooier kreeg weet ik niet. Wel weet ik dat deze achter een kar bevestigd was en de mannen op de kar nu niet meer zelf hoefden te strooien, maar het zand in de strooier schepten. Had het gesneeuwd, dan kwam eerst de sneeuwploeg. Dat was een V-vormig houten gevaarte met een plank erover en paarden er voor. Op de plank zat de koetsier met soms nog een paar mannen om de ploeg zo zwaar mogelijk te maken. Deze werd ook wel eens op een andere wijze verzwaard.

De aanwonenden moesten zorgen voor een begaanbaar pad op het trottoir voor hun huis. Ook moesten zij ervoor zorgen dat, wanneer het begon te dooien, de straatgoten schoon waren, zodat het water weg kon stromen. Kwam er stuifsneeuw zonder dat het al eerder gesneeuwd had en er dus nog geen laagje op de daken lag, dan stoof er sneeuw door de niet goed aansluitende dakpannen naar binnen. Was het sneeuwen voorbij dan moest de op zolder liggende laag gauw verwijderd worden. Zou het immers beginnen te dooien, dan zou deze sneeuw ook gaan dooien en lekkage veroorzaken.

IJspret

Maar de winter was ook wel een fijne tijd, vooral voor de kinderen. Er was bijna geen verkeer zodat de sneeuw ook op straat bleef liggen. Je had dan echt plezier van je slee. Ik denk dat het in de winter van 1944/45 is geweest, toen wij vanwege de soldaten die in de school gelegerd waren vrij hadden, dat wij met een hele groep met sleeën naar de kanaalbrug naar Stokkum liepen. De afritten van die brug waren onze “bergen” om af te glijden. We maakten wel eens iglo’s. Deze waren dan een speelplaats bij slecht weer. Ze waren heel stevig omdat we er water over gooiden, zodat de sneeuw bevroor en ijs werd. Deze bouwsels smolten daarom bij dooi niet gauw weg.

Ook werd er natuurlijk geschaatst. Dat werd meestal achter een stoel op de beken geleerd. Had je die stoel niet meer nodig, ging je naar de bleekgravens waar het ijs ook gauw sterk genoeg was om te schaatsen. Maar onze echte "ijsbanen” waren de vijver en de gracht van Huize Diepenheim. Bovendien had je daar tussen de bomen geen last van koude wind. Hier kwamen ook volwassenen schaatsen. Vooral de gracht was erg in trek. Als het zo hard gevroren had dat het ijs onder de brug naar het voorplein van het kasteel sterk genoeg was, kwamen de goede rijders om in volle vaart rondjes te schaatsen. De meer onervarenen bleven dan op de binnengracht of op de vijver. Er was altijd wel iemand die een bezem meebracht. Om beurten was je dan baanveger.

Als het echt lang vroor, begonnen ook wij kinderen genoeg te krijgen van ijs en sneeuw en verlangden we naar het voorjaar met weer andere geneugten. Het was echt voorjaar als de gemeentearbeiders de winterse, strooien bescherming van de stadspompen verwijderden.

*Eerder gepubliceerd in het info-bulletin  nr. 1 van maart 2007, pagina 19 t/m 24 van de historische vereniging  OLD DEEP’N te Diepenheim.

Auteur:Gerdien Boonk
Trefwoorden:Winter, Fornuis, Kachel, Ijspret, Strooien
Locatie:Diepenheim