MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

De provisorie in Diepenheim

Verhaal

Iedere Diepenheimer kent wel de Provisoriestraat, maar ik denk dat velen niet weten waar deze naam vandaan komt.

Van oorsprong was de provisorie een instelling die de opleiding van geestelijken bekostigde. Daar de borgmannen vroeger zich niet alleen met bestuurlijke zaken in Diepenheim bemoeiden, maar ook veel te zeggen hadden in de kerk, werd de provisorie, die waarschijnlijk altijd al de meeste inkomsten van de Borgmannen kon verwachten, het “administratie-kantoor” van het College van Borgmannen en Burgemeesters.

Omstreeks 1800 was de provisorie een belangrijk instituut waarvan de administratie door de provisor werd bijgehouden. Deze moest tevens zorgen dat het geld van schuldenaren werd geïnd. Boven de provisor was nog een overprovisor aangesteld. De instelling had nog al wat grond en ook wat huizen in Diepenheim en omgeving in bezit. De pacht die deze opbrachten - sommige in natura, zoals enige schepels rogge, enz. - werd niet alleen gebruikt voor het opknappen en onderhoud van deze bezittingen, maar ook werd hiervan mensen die om een of andere reden, b.v. ziekte of ouderdom, niet in hun eigen onderhoud konden voorzien, een ondersteuning gegeven. Deze bestond vaak uit een eenmalige of wekelijkse uitkering in baar geld, maar soms werd brood of kleding gegeven. Ook werd het schoolgeld voor enige kinderen betaald, evenals het opknappen van de school. Soms werd zelfs op kosten van de provisorie verhuisd.

In noodgevallen kon ook de kerk op de vrijgevigheid van de borgmannen en dus van de provisorie rekenen. Zo werden eens de kosten voor het benoemen van een nieuwe predikant door deze instelling betaald en toen de diaconie eens grote geldnood had waardoor deze geen kans meer zag zijn schulden te voldoen, had de provisorie wel een potje waaruit deze schulden voldaan werden. Niet alleen inwoners van Diepenheim, maar ook anderen kwamen voor hulp in aanmerking. Zo werd b.v. op 12 september 1806 aan een collectant uit Haaksbergen, wiens huis was afgebrand, 6 stuiver betaald. Ook doortrekkers, zoals “passaziers” (wij zouden nu “reizigers” dan wel woonwagenbewoners zeggen) en soldatenvrouwen met kinderen konden aanspraak maken op enig geld. Ook kon je een lening tegen een bepaalde rente afsluiten bij de provisorie als je als bezitter van grond of vee even krap bij kas zat. Zij was dus niet alleen een sociale instelling, maar deed ook “bankzaken”.

De provisor, die voor kleine uitgaven geen toestemming hoefde te vragen en die, evenals de overprovisor voor zijn werk betaald werd, moest elke drie jaar verantwoording van zijn doen en laten aan het college van Borgmannen en Burgemeesters afleggen. Daarom werden alle inkomsten en uitgaven, de pachten en de bezittingen op de penning nauwkeurig genoteerd. Als er namen bekend waren, veelal dus alleen van de Diepenheimers, werden deze genoemd. Uit deze boekhouding weten wij dat de voorvaderen van enige “stads”genoten, zoals Bittink, Bloemendal, Wolbers, een paar eeuwen geleden al Diepenheimers waren.

Toen wij bezet waren door de Fransen onder Napoleon en daarna, werd de invloed van de Borgmannen op “stads”bestuur en op het functioneren van de kerk steeds minder. Maar in Diepenheim bestaat nog altijd het college van Borgmannen en Burgemeester met een provisor. Dit college doet natuurlijk niet meer aan "armenzorg”, daarvoor zijn nu wettelijke regelingen, maar geeft nog wel eens een geldelijke ondersteuning ten behoeve van een Diepenheims belang, of dat nu kerkelijk of gemeentelijk is. Ook is de vroegere invloed nog voelbaar in het huidige reilen en zeilen van de Diepenheimse kerk.

*Eerder gepubliceerd in het info-bulletin nr. 1 van september 2005 van de historische vereniging  OLD DEEP’N te Diepenheim.

Auteur:Gerdien Boonk
Trefwoorden:Borgmannen, Armenzorg, Provisorie, In dienst van de stad
Locatie:Diepenheim