MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Trappend door de tijd in Deventer - Burgers: van smederij tot rijwielfabriek

Verhaal

In 1868 begon Hendrikus Burgers, de Deventer smid, in een gehuurde oude boerenwoning een smederij. Een jaar later maakte hij daar zijn eerste rijwiel. Burgers, in 1843 geboren in het naburige Voorst, was op dit idee gekomen nadat een reiziger hem een paar jaar eerder een afbeelding had laten zien van een houten vélocipède. Bij een fabriek in Duitsland bestelde hij een soortgelijk exemplaar, dat hij samen met zijn vriend C.M.B. van den Beld namaakte. Hij leerde zichzelf fietsen op deze, in de ogen van veel stadgenoten wonderbaarlijke, ‘machine’.

Pas als het donker begon te worden durfde Burgers het vehikel te bestijgen, want dan kon niemand hem zien. Al gauw gingen er verhalen dat het spookte op De Worp! Binnen korte tijd kreeg hij het fietsen onder de knie en ging hij tochten maken in de omgeving. Toen veel Deventer jongelui ook zo’n ‘machine’ wilden hebben, besloot Burger op grotere schaal houten vélocipèdes te gaan maken. In 1869 richtte hij in Deventer de ‘Eerste Nederlandsche Fabriek van Vélocipèden’ op, de latere Eerste Nederlandse Rijwielfabriek (ENR).

Bijna een eeuw zou het bedrijf bestaan. Vanaf eind negentiende eeuw werd de fiets ook gebruikt als vervoermiddel voor de gewone burger. Voordien was het toch vooral een speeltje van de meer sportief ingestelde en welgestelde bovenlaag van de bevolking. Veel fabrikanten speelden in op de groeiende populariteit van de fiets. Burgers besloot een geheel nieuwe en moderne fabriek te bouwen aan de Rozengaarderweg, die op 1 januari 1897 in gebruik werd genomen.

Vakman

De nieuwe fabriek had een productievermogen van 5.000 à 6.000 fietsen per jaar. Kort tevoren was het bedrijf omgezet in de ‘NV Eerste Nederlandsche Rijwiel- en Machinefabriek voorheen H. Burgers’. De fabriek was voorzien van de modernste machines en volgens het tijdschrift Eigen Haard in een reportage uit 1898 was het een waar genoegen om er te werken.

‘Wij doorliepen de kantoorlokalen, en kwamen door een breede gang in de eerste afdeeling der fabriek. Eene ruimte van 17 bij 19 meter, de oppervlakte, die vroeger door een geheel fabriek ingenomen werd, diende hier alleen tot onderbrenging van de verschillende automatische en andere draaibanken. Doordien alle lokaliteiten, de bandenmakerij en wielen-stelinrichting uitgezonderd, gelijkvloers liggen, was het mogelijk in alle afdeelingen bovenlicht te maken. Dit op zichzelf geeft reeds een vroolijk aanzien aan ’t geheel. Hierbij de lustig snorrende machines, het ruischend kleppen der drijfriemen, de naar alle zijden wegspringende staalkrullen, de waarschuwende bel van de automatische banken, het vroolijke liedje van den een, het opgewekte fluitdeuntje van den ander, gaf iets in-gezelligs aan ’t geheel. Men kreeg het gevoel, dat het een lust moest zijn om in zoo’n fabriek te werken, en toen ik mij omdraaide, en den ouden heer Burgers daar te midden van al die bedrijvigheid zag staan, trotsch op zijn werk, voegde ik er bij mij zelf bij: en een lust om onder zoo’n patroon te werken.’

Zakenman

Burgers liep in deze periode voorop bij de introductie van nieuwe modellen, zoals de cardanfiets, die niet door een ketting, maar door een cardanas werd aangedreven, en de Wagtendonk vouwfiets. Hij was niet alleen een goede vakman, maar ook een handige zakenman. De meeste modellen en onderdelen maakte hij na op basis van buitenlandse voorbeelden, zoals hij dat ook had gedaan met zijn eerste vélocipède.

Omdat een goede patentwet ontbrak, kon dat zonder al te veel problemen. In een interview in het hiervoor genoemde artikel in Eigen Haard gaf Burgers dan ook ronduit toe dat hij veel dingen eerst uit het buitenland liet komen en ze vervolgens namaakte. Zo had hij in 1896 de ‘excentric gear’, een soort voorloper van de versnellingen, ingevoerd.

Om de afzet te organiseren, richtte Burgers in het hele land filialen op, waar alle modellen te zien en te koop waren. Bovendien traden veel rijwielhandelaren op als agent van de fabriek. In 1897 had Burgers verspreid over het land in totaal 142 filialen en agentschappen. In 1909 waren er al vijftien filialen en zo’n 400 agentschappen.

Andere producten

Reeds vroeg werden ook fietsen geëxporteerd. Al in de catalogus van 1897 werd een agentschap in het Zuid-Afrikaanse Johannesburg genoemd. Verreweg de grootste afzetmarkt was Nederlands-Indië, zoals dat ook het geval was met alle andere Nederlandse rijwielfabrikanten. In de catalogus van 1900 worden acht buitenlandse vertegenwoordigers genoemd, waarvan zes in Nederlands-Indië en daarnaast twee in Duitsland.

In de beginperiode vanaf 1869 lagen de productie-aantallen laag. De eerste jaren maakte Burgers zo’n 400 houten Vélocipèdes. Na de opening van de nieuwe fabriek aan de Rozengaarderweg in 1898 produceerde de fabriek tussen de 2.000 en 3.000 fietsen per jaar. Burgers koos er bij de oprichting van de rijwielfabriek voor om zich niet alleen op fietsen te richten. Vandaar dat ook de naam ‘Eerste Nederlandse Rijwiel- en Machinefabriek’ zijn intrede deed. Wat de precieze verhouding was tussen de aantallen fietsen en andere producten is niet bekend. Gezien de omvang van de fabriek in Deventer en een vestiging in Roermond, moet de productie van andere apparaten, afgezet tegen de aantallen rijwielen, omvangrijk zijn geweest. Naast rijwielen groeiden vooral de motoren, bromfietsen, naaimachines en vleessnijmachines uit tot bekende Burgers-producten. De naaimachines heeft Burgers waarschijnlijk geïmporteerd vanuit Engeland of Duitsland. De vleessnijmachines daarentegen maakte het bedrijf wel zelf. Hiervoor werden verschillende patenten verworven en er zijn ook internationale prijzen mee gewonnen.

Toen Hendrikus Burgers op 1 januari 1903 op zestigjarige leeftijd overleed, kwam er een einde aan een succesvolle periode. Bij de uitvaart op 5 januari liep het voltallig personeel, op dat moment ongeveer 250 werknemers, mee in de stoet. Als opvolgers werden door de raad van commissarissen twee directeuren benoemd: Adriaan Beers als administratief-handelsdirecteur en Burgers’ zoon als technisch directeur. Het dubbele directeurschap duurde slechts enkele jaren.

Ups en downs: 1909- 1945

In 1909 werd Gerard W.J. Kilsdonk benoemd tot directeur. Gedurende de eerste jaren na zijn benoeming kwam het bedrijf met een aantal vernieuwingen. Nog in 1909 werd het verlengde voorspatbord ingevoerd, in 1910 volgde de vaste rem op staande achtervork, in 1914 de afneembare zadelpen. In de catalogus van dat laatste jaar wordt gesproken over een nieuwe moffelinrichting, waar de frames en onderdelen werden geëmailleerd. Deze had een capaciteit van 40.000 stuks per jaar.

Vanaf de jaren twintig verloor Burgers zijn positie als leverancier van luxe fietsen voor de rijkere bovenklasse aan concurrent Fongers. Zo kochten ook de leden van het Koninklijk Huis vanaf toen fietsen van Fongers, hoewel Burgers het predicaat ‘hofleverancier’ voerde en bleef voeren. De duurste en meest luxe uitvoeringen kwamen in de catalogi vanaf 1921 niet meer terug. Burgers ging zich vanaf toen meer richten op de middenklasse, maar juist in dat markt segment wist Gazelle dankzij een uitgekiende bewerking van de markt een veel sterkere positie te  verwerven. Het bedrijf uit Dieren overvleugelde Burgers en groeide in de jaren twintig en dertig uit tot de grootste fietsenfabriek van Nederland.

De aanvankelijke groei van Burgers had voor een belangrijk deel te maken met de algemene groei van het fietsgebruik in Nederland. De fiets werd in de eerste decennia van de twintigste eeuw - vooral na de Eerste Wereldoorlog - een voor steeds bredere lagen van de bevolking betaalbaar vervoermiddel. Vanwege de forse groei van de productie opende Burgers in 1921 in Roermond een tweede fabriek. In 1928 werd in Deventer tegenover de bestaande fabriek een tweede gebouwd, die door middel van een buis over de weg met de oude fabriek werd verbonden. Via deze buis werden de fietsen op een lopende band voor verdere afhandeling naar de andere fabriek vervoerd.

In een advertentie uit 1931 heet het dat: ‘Burgers ENR 100.000 rijwielen produceren kan’, maar dat zijn aantallen die de fabriek nooit kan hebben gehaald. Zelfs Gazelle haalde die aantallen niet in de jaren dertig. Op grond van de framenummers van Burgers, er werden series tot 100.0000 gebruikt, is af te leiden dat de productie vergelijkbaar was met die van Fongers. In de jaren 1915-1930 ging het om circa 8000 fietsen per jaar, in de jaren dertig om ongeveer 12.500 en in het begin van de jaren vijftig om ongeveer 16.500.

Tijdens de crisis van de jaren dertig kwamen ook de prijzen van fietsen steeds meer onder druk te staan. Burgers kreeg veel last van concurrentie van andere fabrikanten die goedkoper leverden en van grossiers die zelf fietsen assembleerden. Het Deventer bedrijf ging de concurrentie aan door goedkopere fietsen onder een andere naam, de zogeheten B-merken, op de markt te brengen. Ze kregen namen als All Steel, Hammonia, Netco, De Vlaamsche Leeuw, Omnia (onder andere ook voor dynamo’s), Padvinder, De Veldpost, De Nederlandsche Vlag en New Elswick.

Veel ruimte voor vernieuwing was er ondertussen niet, afgezien van een samen met Philips ontwikkelde elektrische fiets, die echter geen succes werd. Burgers profileerde zich in de advertenties vooral als de oudste fietsenfabriek van ons land en – nog steeds! – met de status van Hofleverancier. De nadruk in de advertenties lag op kwaliteit en betaalbaarheid. De oorlogsjaren vormden ook voor Burgers een moeilijke fase, waarin geen ruimte was voor vernieuwing. Grondstoffen waren schaars en de fabriek kon maar gedeeltelijk produceren.

De eerste jaren na de oorlog

Directeur Kilsdonk was lid geweest van de NSB. Hij werd meteen na de oorlog gearresteerd en in 1946 berecht. Volgens het Deventer Dagblad van 20 november 1946 werden hem drie feiten ten laste gelegd. Om te beginnen was hij in 1942 of 1943 begunstigend lid geworden van de Germaanse SS. In 1943 had hij zich aangesloten bij de Nederlands-Duitse cultuurgemeenschap. Tijdens de massale landelijke april-meistaking van dat jaar had hij een arbeider die uit de fabriek liep ontslagen. Het loon van andere arbeiders over de tijd dat zij staakten, had Kilsdonk ingehouden. De NSB-smet deed Burgers bepaald geen goed. Meteen na de arrestatie van Kilsdonk stuurde het bedrijf een brief naar alle dealers. Daarin werd melding gemaakt van de arrestatie van de directeur en de hoop uitgesproken dat zij, ‘mocht er in ’t verleden eenige wrijving zijn ontstaan’, met hun bezwaren zouden aankloppen bij de fabriek. ‘Wij zijn er van overtuigd, dat dergelijke moeilijkheden van nu af aan gemakkelijker zullen worden voorkomen’, klonk het optimistisch. Maar andere moeilijkheden dienden zich aan.

Rode cijfers

In 1949 werd ir. Albert de Geus benoemd als directeur. Hij was afkomstig uit de scheepsbouw en wilde het bedrijf moderniseren om met Burgers nieuwe wegen te kunnen inslaan. Hij kreeg echter weinig of geen medewerking van de nogal conservatieve Raad van Commissarissen.

Burgers liep bij de nieuwe ontwikkelingen, zoals die van de sportmodellen, achter op de concurrentie. In 1952 probeerde het bedrijf zelfs een nieuw type auto te introduceren en ook een revolutionaire ‘fluisterfiets’, een heel stille bromfiets. Deze bleek echter zoveel technische problemen op te leveren, dat hij snel uit de markt werd gehaald.

In 1949 vierde het bedrijf het tachtigjarig jubileum en bij die gelegenheid werd ook een fabrieksmuseum geopend. Een collectie van 25 fietsen liet zien wat Burgers in de loop van zijn bestaan had gemaakt. De blik op het verleden bleek gemakkelijker te zijn dan die op de toekomst. De fabriek bleef structureel in de rode cijfers. Alleen al in 1958 werd een feitelijk verlies geleden van 1.300.000 gulden, dat echter werd verhuld door een onjuist systeem van afschrijvingen en renteberekeningen. Het verlies was voor een belangrijk deel te wijten aan de sterk afgenomen export, die niet kon worden opgevangen door groei van het binnenlandse marktaandeel.

Vanaf eind jaren vijftig werd ook de kwaliteit van de fietsen beduidend minder. Oud-werknemer Jan Stokkink zei hierover later in een documentaire: ‘Stukwerk werd ingevoerd, dit was heel slecht voor de kwaliteit.’ De arbeiders kregen volgens hem niet voldoende tijd om fatsoenlijk werk te kunnen leveren. De laatste aandeelhoudersvergaderingen, waarin werd besloten over de beëindiging van het bedrijf en het ontslag van de directeur, hadden een emotioneel karakter. De commissarissen spraken allerlei verwijten uit aan het adres van directeur De Geus. Ze haalden daarbij ook de mislukte avonturen met de auto- en bromfietsen aan. De Geus bleef zich tot het laatst toe verzetten tegen het dreigende ontslag en hield vol dat het bedrijf nog te redden was.

Sluiting

Op 20 maart 1961 viel echter de beslissing dat de fabriek gesloten moest worden. Een grote meerderheid van de aandeelhouders stemde in met het voorstel van de Raad van Commissarissen. De voorraden, de naam en de patenten werden verkocht aan rijwielfabriek M. Pon in Amersfoort. Tijdens deze cruciale aandeelhoudersvergadering werd ook ingestemd met een statutenwijziging, waardoor de NV bleef voortbestaan als ‘NV tot exploitatie van roerende en onroerende goederen “Rozengaarde” te Deventer’. Drie fabrikanten uit de omgeving – H.J. Lugt uit Gorssel, W. Brinkman uit Deventer en A.A.A. Hunink uit Twello – werden commissaris. De laatste, Anton Hunink, was afkomstig uit de vleeswarenindustrie en zijn benoeming hield vrijwel zeker verband met de productie van vleessnijmachines door Burgers ENR. Het enige doel van de nieuwe NV was om de goederen van Burgers te gelde te maken ten gunste van de aandeelhouders. Rozengaarde NV werd in 1972 omgezet in een BV, op 27 mei 1991 ontbonden en op 16 juni 1992 geliquideerd, 123 jaar na de oprichting van de ‘Eerste Nederlandsche Fabriek van Vélocipèden’ in 1869.

Vanaf 1961 had het bedrijf echter al niets meer te maken gehad met de rijwielproductie. De leegstaande fabriek in Deventer was in de jaren zeventig in vlammen opgegaan. Op het terrein werd in de jaren tachtig een nieuwe woonwijk gebouwd. Ondertussen was Pon uit Amersfoort na de overname fietsen blijven maken onder de naam Burgers, tot het merk in de jaren tachtig in handen kwam van de firma Westendorp uit Aalten. Vanaf 1992 werd de merknaam gebruikt door de firma WSB in Drachten, die anno 2012 nog steeds fietsen produceert onder de naam Burgers.

*Dit artikel werd eerder gepubliceerd in MijnStadMijnDorp Tijdschrift nr. 3 juli-augustus 2012

Auteur:Theo de Kogel
Trefwoorden:Bedrijvigheid Overijssel, Rijwiel, Fiets, Vélocipède, Eerste Nederlandse Rijwielfabriek, Enr, Fongers, Gazelle, Rozengaarde
Personen:Hendrikus Burgers, C.M.B. Van Den Beld, Gerard W.J. Kilsdonk, Albert De Geus, Jan Stokkink
Periode:1843-2016
Locatie:Deventer