MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.

De afbraak van Bloem in Overijssel

Verhaal

De dichter J.C. Bloem staat 45 jaar na zijn dood volop in de belangstelling: de uitreiking van de naar hem genoemde poëzieprijs, een bundel met artikelen, geïllustreerd met werk van beeldend kunstenaars die zich door hem lieten inspireren, een hoofdstuk in het boek Overijssel Plaatsen van herinnering, tentoonstellingen.

'Hier ligt de dichter Mr. J.C Bloem begraven’, meldt een bord op de kerk uit 1336. Een van de bekendste Nederlandse dichters uit de twintigste eeuw, geboren in 1887, overleed in 1966 in Kalenberg en werd in het nabijgelegen Paasloo begraven. Op zijn graf staan de veel geciteerde woorden: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’. Slotwoorden van het gedicht ‘Herinnering’.

 

 

Naast de steen in vak D, op de eerste rij, staat een gelijksoortig exemplaar van wit marmer. Deze begint te verzakken en helt licht over naar de steen van Jacques Bloem. Het is de herdenkplek van zijn ex-vrouw, Clara Eggink. Voordat zij besloot in Kalenberg te gaan wonen, informeerde Eggink eerst of de bevolking hier niet erg gereformeerd was, want dan zouden zij en Bloem er zich niet thuis voelen. Later concludeerde zij over de Kalenbergers in haar Bloem-biografie: ‘Het is hier een uitzonderlijk volk (…) Ze bezitten een groot gevoel voor vrijheid.’

 

 

Huis met woonboot

In 1958 kocht Eggink het huis met omliggende grond aan de Kalenbergergracht en legde in een inham haar woonboot. Met J.C. Bloem trouwde Eggink in 1926. Ze kregen samen een zoon en scheidden zes jaar later. In 1942 hertrouwden ze en gingen daarna opnieuw uit elkaar om zestien jaar later weer samen te komen in Kalenberg. De woning aan de Kalenbergergracht oogt veelal verlaten. Een Duits echtpaar gebruikte het jaren als vakantieverblijf. Kalenberg Noord nummer 6 is nauwelijks verbouwd. De inham waar de boot van Clara lag, is leeg. De voormalige koeienstal waar de boeken van Bloem stonden, eveneens. ‘Een miniaturen wolkenkrabberstad van boeken’, schrijft Eggink in haar Bloem-biografie. Er is een kleine slaapkamer in het tussenkamertje waar Bloem vaak lag met een bed en een authentiek keukentje. De buurfamilie Muis herinnert zich de komst van Bloem, eind 1958, later nog goed. ‘Hij liep moeilijk over het zandpad. Uit de boot van Clara kwamen stapels boeken waar Clara eerst het stof van afblies voor ze het huis ingingen.’ In Kalenberg, een dorp in natuurgebied De Weerribben, hoefde het stel niet bang te zijn voor pottenkijkers. Bloem en Eggink waren voor de Kalenbergers geen attractie. ‘Ieder had z’n eigen’, zei buurvrouw Jantje Muis. Ook de dichter zelf had geen belangstelling voor de mensen om hem heen. De laatste zes jaar van zijn leven was Bloem ziekelijk en leidde hij een teruggetrokken bestaan.

 

 

In Hardenberg, Almelo, Ommen en Zwolle

Bloem woonde al eerder in Overijssel. Zijn vader was vanaf 1914 tot 1922 eerste burger van de Sallandse gemeente Stad-Hardenberg, die toen ruim 2000 inwoners telde. De familie Bloem vestigde zich deze jaren in 1915 in Almelo aan de Ootmarsumsestraat 86.

Jacques velde een kernachtig en dodelijk oordeel over Almelo: ‘der gaten gatst’. Onlangs werd het villaatje als gemeentelijk monument volledig gerestaureerd. Het is nu onbewoond en in handen van een stichting.

Later, tijdens en na de oorlog, logeerde de dichter regelmatig bij een vriendin in Ommen en bij de familie Bouman in Zwolle. Vanuit de Overijsselse hoofdstad schreef hij Clara een brief, een expliciete liefdes- verklaring, die zij ontving op 22 april 1957. Twee jaar voor hun vertrek naar Kalenberg. ‘Nu zit ik hier ontzettend gedeprimeerd en nerveus en ik heb maar een verlangen weer bij je te zijn en nooit meer van je weg te gaan, zij het dan ook in het zelfde verblijf (…) Wat ik dertig jaar geleden had moeten voelen, gevoel ik nu. Te laat misschien? Maar is het voor zooiets ooit te laat? Ik ben daarom blij dat ik besloten heb om (…) daarna niet meer naar Zwolle of Ommen terug te keren. Dat heeft ook een andere reden. Ik heb echt de overtuiging dat bij mij de afbraak begonnen is.’

 

 

Oppassen en schoonmaken

De Kalenbergers weten niet veel over het echtpaar. Buurvrouw Muis: ‘Ach wat moet je erover vertellen. Ik heb hem een keer zien vallen languit in het gras.’ Vijf jaar lang werkte Jans Smit-Poepjes als schoonmaakster bij het echtpaar. Vooral de grote hoeveelheid boeken die ze moest afstoffen in de voormalige koestal bleven haar voor de geest staan. ‘Het was een werkzaam huis, met die tuin en boot erbij.’ Met enige afschuw denkt ze terug aan de nachten die zij noodgedwongen alleen met de dichter moest doorbrengen in De Kale Berg, omdat Clara naar Amsterdam was voor vriendenbezoek, kapper of tandarts. ‘Meestal was ik zenuwachtig als ik er naar toe moest. Bloem zei soms: “Is Jansje er wel, want ik hoor haar helemaal niet.” Maar ik was een stille werker. In de winter, tegen de avond, als het koud en donker was, moest ik gaten spitten in de kragge. Om het afval weg te werken.

Verschrikkelijk zwaar rotwerk. Dan had ik de hele dag hard gewerkt. En die afwas, niet om door te komen… Bij mevrouw Eggink deed je het nooit goed. Toch vond ze het vreselijk dat ik wegging, na vijf jaar. Ze omhelsde me.’

Ook buurvrouw Muis heeft een middag op Bloem gepast. Zij memoreert dat de dichter nauwelijks meer kon praten. Dit was het gevolg van een beroerte die Bloem overviel in de auto in Meppel, op het moment dat Clara even boodschappen deed. Zijn vriend Jan d’ Hont, de toenmalige directeur van het Zwolse ziekenhuis De Weezenlanden, behandelde hem maar het ging bergafwaarts met de dichter. Schrijfster Aya Zikken heeft haar ervaringen in Kalenberg gedetailleerd beschreven. ‘Een Paas ochtend in Kalenberg… Er was zonnig en winderig weer voorspeld en Clara en ik liepen de dag ervoor nog naar Oldemarkt om een gestreept windscherm te kopen. Op die Paasdag zaten we beschut achter dat scherm in de tuin met uitzicht op de Kalenberger gracht… Op die gracht keek Jacques jaren later iedere dag uit. Meestal stond zijn bed voor het raam zodat hij de toppen van de zeilen van de plezierboten kon zien langsgaan.’

 

 

Niet onbesproken

De dichter was beslist geen mens van onbesproken gedrag, zo blijkt uit het onderzoek van juriste en neerlandica Gretha Donker. Bloem maakte in 1920 grote kans op de functie van griffier van het kantongerecht in Veghel, totdat de minister van Justitie een belastend telegram kreeg waarin duidelijk stond dat mr. J.C. Bloem zich schuldig had gemaakt aan een zedenmisdrijf.

De rechtszaak betrof ‘betastingen’ van een jongeman in Blaricum. Hij werd hiervoor veroordeeld tot drie weken cel. Zijn vader was op dat moment burgemeester van Hardenberg.

Een ander onderbelicht aspect van de dichter is zijn lidmaatschap van de NSB in 1933. In een brief aan een vriend stelde hij: ‘Zelfs een baantje waarvoor gewerkt moet worden krijg ik niet. Dat gaat naar de Joden. Maar daar mag je als intellectueel in dit pestland niets van zeggen.’

Het is niet duidelijk wanneer hij zijn NSB lidmaatschap opzegde. Bloem werd ook lid van de Kultuurkamer. Tijdens de oorlog gaf de dichter lezingen door het land waarmee hij geld kon verdienen zonder ‘fout’ te zijn. Onder meer in Hattem, Deventer en in Zwolle bij advocaat Harro Bouman waar de joodse dichter Victor van Vriesland zat ondergedoken. Na de oorlog logeerde Bloem regelmatig bij de familie Bouman in Zwolle.

 

 

Werk, afscheid

Samen met Johan Polak heeft Bloem in 1965, vlak voor zijn dood, opnieuw zijn Verzamelde Gedichten uitgegeven. Een productief dichter is hij nooit geweest. Buiten de gebundelde verzen heeft hij er na 1910 maar weinig geschreven. In 1965 ontving de dichter, een jaar voor zijn dood, de Grote Prijs der Nederlandse Letteren, maar hij was toen al niet meer in staat deze zelf in ontvangst te nemen.

Toen hij op 10 augustus 1966 overleed kwamen honderden vrienden en bekenden naar de Kop van Overijssel om afscheid te nemen van Bloem. Clara overleed 25 jaar later, op 3 maart 1991.

 

Dit artikel van de hand van Marion Groenewoud, is eerder verschenen in MijnStadMijnDorp Historisch Tijdschrift Overijssel nr. 4 augustus-september 2011

Trefwoorden:Dichter, Nsb, Kultuurkamer, Zedenmisdrijf
Personen:J.C. Bloem, Clara Eggink, Harro Bouman, Victor van Vriesland, Johan Polak, Marion Groenewoud
Periode:1887-1966
Locatie:Kalenberg
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed