MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel
Zoeken
Uitgebreid zoeken

Ooggetuige van het bombardement op 22 maart 1945

Verhaal

Ooggetuige van het bombardement op 22 maart 1945

Nijverdal was in de oorlog een dorp dat meer dan eens gebombardeerd is. Het is zelfs waarschijnlijk dat Nijverdal het zwaarst getroffen dorp van Overijssels is. In 1944 kwam, de R.K. kerk aan de Grotstraat grotendeels in puin te liggen, de bruggen over de Regge (richting Hulsen en Wierden) waren meer dan eens het doelwit, de spoorlijn dwars door het dorp bij de Meyboomstraat werd gebombardeerd. De winkeliers trokken weg van de Grotestraat, de bewoners ook. Richting het Hexel, richting de boeren buitenaf. Nijverdal was lang niet veilig. Het was dus niet de eerste keer dat de bommen vielen, maar iedere Nijverdaller kent de beruchte datum 22 maart 1945.
In het centrum van het dorp stond de Gereformeerde lagere school, twee verdiepingen hoog. De Duitsers hadden het gebouw gevorderd voor de soldaten, die langzaam meer zeker terug trokken richting de “Heimat”. De oorlog liep immers op zijn eind, het zuiden van Nederland was bevrijd en stap voor stap kwamen de Geallieerden dichterbij. En de Duitsers trokken terug. Maar ook zat er in het gebouw een opslag van munitie.
Vlak bij de school zat een telefooncentrale waar de Duitsers en een aantal technische voorzingen, bestemd voor het afvuren van de VI vanaf de ‘Nijverdalse Berg’ richting Londen, waar nu het begin van de Toeristenweg is.
Reden genoeg voor de Amerikanen om in maart 1945 een bombardement uit te voeren, want de V1’s werden nog dagelijks afgevuurd.

Ria Slettenhaar- Maassen van de Brink was twaalf of 13 jaar toe zij die middag van de 22ste een boodschap moest doen voor haar inwonende tante. He kleine nichtje van amper een jaar oud had toch zo’n last van haar tandjes en Ria moest even naar Jansen Klomp, die zijn winkel verplaatst had naar de Rijssensestraat hoek Noetselerweg, om wat tabletjes te halen.
Het was die dag een prachtig voorjaarsweer, de lucht stralend blauw en de zon scheen overdadig. Ria stapte op haar oude fiets, de boodschappentas netjes aan het stuur.
Niemand had erg in het dreigend gevaar. Lawaai was er immers altijd, Ria woonde “onder het afweergeschut”bij het Vennetje in het Doktersbos. Er werd regelmatig geschoten en formaties bommenwerpers vlogen af en aan, dag en nacht door. Ria fietste moeizaam van de Veenweg naar de Rijssensestraat op haar oude fiets. Ze was precies bij de oude Openbare school ( nu Noetselerborg) aan de Rijssensestraat toe het bombardement begon. De bommenwerpers vlogen over. Dat was niks bijzonders, dat gebeurde aan de lopende band. Maar deze formatie kwam terug en toen waren de bommen er ook al, splinterbommen, die geen kraters sloegen, maar even de grond raakten en daarna op menshoogte uit elkaar sprongen. Het was een vreselijk lawaai, zelfs voor hen, die inmiddels aan lawaai gewend waren.
Ria gooide de fiets van zich af en vluchtte het eerste het beste huis bunnen. Maar de bewoners zelf vluchtten ook in de richting van de Nijverdalse berg. Ze volgde de mensen via de Noetselerweg, door de weilanden de bossen in.

Drie keer kwamen de bommenwerpers en drie keer werden de bommen losgelaten boven het dorp, De verschrikkingen waren voor de dorpsbewoners niet te overzien. De Grotestraat en de Rijssensestraat lagen in puin, huizen brandden of waren compleet van de aardbodem weggevaagd. Rokende puinhopen lagen te smeulen. En daar tussen de mensen wanhopig zoekend naar overlevenden en naar vermiste familie, vrienden of buren. Moeder Maassen van de Brink zag haar dochtertje niet terug komen. Vader was op dat moment in Duitsland als dwangarbeider, zo stond er dus ook nog alleen voor. Met lood in de schoenen ving ze de tocht aan door het verwoeste dorp. 56 doden waren al geborgen in de oude Openbare school, ze ging kijken naar al die doden of ‘onze kleine Dika’, zoals Ria werd genoemd er ook bij lag.
Een oom van Ria, die opgegroeid was waren in het huisgezin van zijn zuster, ging ook op speurtocht, langs straat en de huizen. Iedereen liep te zoeken, iedereen was wel iemand kwijt.
De Grotestraat, waar alles brandde en rookte en waar de gewonden gewoon op straat lagen, de doden en verminkten onder blauwe dekens. Vragen, roepen als een dwaas, mensen aanschieten: Heb je haar ook gezien? Nee, heb jij die en die ook gezien?. En elke minuut werd de angst groter en de hoop kleiner. Na uren zagen ze een oude damesfiets tegen een half afgebroken boom staan, een tas aan het stuur. De fiets van Ria. Er naast lag een lichaam onder een deken, de voetjes staken er onder uit. Dat is ze, daar ligt ze, dacht de man moedeloos.
Een vrouw zat bij het lichaam en maakte een beweging. :”Nee”, zei ze bijna boos. “het is mijn dochter….Het is de mijne!”.
Via de Grotestraat liep hij naar de Joncheerelaan, nog steeds zoekend, maar innerlijk overtuigd van de wetenschap dat Ria wel gevonden was. Ter hoogte van wat toen garage Nahuis was, kwam bij de vader van Ria’s vriendinnetje tegen. “Wie zoek je?” was de bange vraag. “Klein Dika, maar ze ligt daarginds!”
“Nee, Nee, dat is ze niet, ze is bij mij thuis, maar ze durft niet naar huis”.

Ria kwam thuis, weliswaar met een trauma, waar ze slechts langzaam over heen groeide. Ze heeft jaren lang niet naar een oorlogsfilm kunnen kijken. Anderen kwamen nooit meer thuis.
85 doden en vele, vele gewonden. In sommige gezinnen zelfs twee of drie doden. Hoeveel Duitse soldaten er om kamen is niet bekend. Veertien dagen later kwam de bevrijding, voor de meeste Nijverdallers had hij een zwarte rand.

 

Auteur:Ria Maassen van den Brink