MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Ongehuwde moeders in de achttiende eeuw

Verhaal

Ongehuwde moeders in de achttiende eeuw

Niet alleen omdat kerkenraad en predikant de plicht hadden ervoor te waken dat de gemeenteleden het smalle pad der deugd hielden, maar ook omdat ongehuwde moeders en hun kinderen doorgaans door de diaconie ondersteund moesten worden vormden die een bron van blijvende zorg.

Ik heb uit de bronnen niet de indruk gekregen dat de kerkelijke autoriteiten in de achttiende eeuw het verwekken van een kind in onecht de moeders zwaarder aanrekenden dan de vaders. Wel komt het mij voor dat zij weinig oog hadden voor eventueel verzachtende omstandigheden. Zo staat van verschillende meisjes vast dat zij naar onze opvattingen nog erg jong waren toen zij ongehuwd moeder werden. In enkele gevallen valt bovendien te vermoeden dat de gemeenschap niet vrijwillig was geweest.

 

 

Vragen naar de vermoedelijke vader

Bij de geboorte van een buitenechtelijk kind had de vroedvrouw de plicht om tijdens de bevalling aan de vrouw in barensnood de naam van de vermoedelijke vader te vragen. Wanneer deze ongehuwd was, zullen predikant en ouderlingen zonder twijfel geprobeerd hebben hem te bewegen alsnog te trouwen met de moeder van het door hem verwekte kind. Maar als de genoemde persoon het vaderschap ontkende en deze ontkenning zelfs door een eed aan de drost herhaalde, dan viel er doorgaans weinig aan te doen. Wanneer er sprake was van een trouwbelofte dan kon de ongehuwde moeder een proces bij de drost aanspannen om alsnog een huwelijk te eisen dan wel alimentatie te verkrijgen. De eerste eis was vooral bedoeld om in eer en goede naam hersteld te worden.

Welke bemoeienis de Dalfser predikanten en ouderlingen op dit gebied gehad hebben is niet te zeggen, daar pastorale zaken niet in de acta vermeld werden. De processen die ongehuwde moeders aanspanden vielen onder de bevoegdheid van de drost, net als de berechting van hen die samenhokten. Ongetwijfeld hebben predikant en kerkenraad meermaals de drost aangespoord om tegen ongehuwd samenwonenden op te treden, al blijkt ook dat niet uit de acta zelf. Daarin werd wel opgetekend hoe de kerkenraad de uitbesteding en de bedeling van ongehuwde moeders regelde en zijn bemoeienis met de dood van buitenechtelijke kinderen.

Doopregister

Degene die het doopregister bijhield - de koster of de predikant – stelde nauwgezet te boek wie als buitenechtelijk kind op moeder aarde kwam. 

 

 

Dit register bevat dan ook een bonte mengeling van kleine en grote menselijk tragedies. Het gaat om vermeldingen als: „geboren 14 mei 1750, Claasje onegte dochter van N.N.; de moeder Hendrikje Gerrits in Dalfsen. De vader is Jan van Lange, die wel begeert heeft haar te trouwen, maar hij van de Zwolsche armkamer onderhouden wordende, is zulx verhindert geworden". Helaas blijkt niet welke instanties het huwelijk belet hebben.

Jan Coops

En wat te zeggen van vermeldingen als die over Jan Coobs, wiens faam die van de bonte hond zoal niet overtrof dan toch geëvenaard zal hebben. Op 23 augustus 1746 baarde Agnes Roelofs een tweeling, Marchje en Annichje geheten. Jan en Agnes hadden voordien ergens in de marke Rozengaarde samengewoond. Nog tijdens haar zwangerschap was Jans begeerte overgeslagen naar Roelofje Geerts, voor wie hij Agnes al snel verruilde, „sonder dat sijn proklamatiën gedaan sijn". Op 15 januari 1747 werd nochtans hun dochtertje Dirkje gedoopt. Welke stappen predikant en kerkenraad tegen hem ondernemen is niet bekend.

Jan de Vries en Egbertje Janssen

Over hun bemoeienis met het stel Jan de Vries en Egbertje Janssen zijn wij beter ingelicht. Ook dit zogenaamde echtpaar hield verblijf ergens in het Leusener Veld. Hun eerste kind werd op 10 juli 1746 geboren. Bij de vermelding van Berends geboorte staat de veelzeggende opmerking: „dog dit is een onegt kind buijten huwelijk gewonnen, vermits de vader een bandiet zijnde niet trouwen mag". Bij de komst van hun derde kind – opnieuw een Berend - op 15 maart 1750 wordt het bandietschap van vader Jan nader omschreven: „vermits hij gebannen zijnde niet hier verkeren mag".

 

 

Het doen en laten van de balling Jan de Vries was in elk geval een zaak van de drost en deze liet hem ongemoeid. Het kwam vaker voor dat mensen die uit het ene gewest verbannen waren zich als keuters in een uitgestrekte marke in een andere provincie vestigden. De naam De Vries doet vermoeden dat onze Jan uit Friesland afkomstig was.

Toen het paar overigens behoefte had aan enige ondersteuning werd het door de diaconie niet in de steek gelaten, want op 1 februari 1751 kreeg Jan de Vries wat kleding voor zijn kinderen. Ook kwam de kerkenraad voor het gezin op toen men op 21 februari 1763 vernam dat de richter van de marke Rozengaarde aan Egbertje Janssen de pacht had opgezegd. De raad deed een poging dit ongedaan te maken, doch het land bleek al aan een ander te zijn toegezegd. Maar toen Egbertje, waarschijnlijk inmiddels van „zogenaamde vrouw van Jan de Vries" - zoals zij in de acta wordt aangeduid - tot „zogenaamde weduwe" geworden, op 1 oktober 1766 bij de kerkeraar aanklopte voor een vaste bedeling, kreeg zij te horen dat haar twee kinderen uitbesteed konden worden en dat zijzelf zo snel mogelijk werk moest zien te vinden.

 

 

Fina Jochems

Hoe het een ongehuwde moeder die uitbesteed moest worden kon vergaan, leert ons de wandel van Fina Jochems. Fina was vermoedelijk de jongste van de drie gezusters die in 1742 aanvankelijk thuis werden bedeeld en vervolgens door de diaconie werden uitbesteed. Zo was zij op 1 november 1744 in de kost bij Jan Egberts en diens vrouw in Hoonhorst.

Het echtpaar vroeg op die dag de kerkenraad om het afgesproken bedrag voor kost en inwoning uit te betalen, maar toen bleek dat Fina nog een zilveren beugel bezat moest die eerst worden verkocht. Bovendien kreeg Egberts van de kerkenraad te horen dat Fina zo gauw zijn vrouw haar het vak van naaister had bijgebracht zelf haar kost moest gaan verdienen.

Op 7 augustus 1747 moest de kerkenraad tot zijn leedwezen vernemen dat Fina Jochems door „hoererij” zwanger was geworden en dat de predikant bij niemand onderdak voor haar had kunnen vinden „niet tegenstaande de barenswee haar overquam".

Wat te doen? Omdat het de raad “niet toequam haar aan 't ligchaam te straffen, 't onchristelijk zoude zijn haar in dien staat ongeholpen te laaten", zo besloot men Fina dan maar van week tot week uit te besteden. Het moet met die barensweeën overigens wel zijn meegevallen, want zoon Cornelis werd pas op 1 oktober geboren. En welke naam wist de vroedvrouw aan Fina te ontfutselen? „Deeze moeder heeft betuigt en betuigt nog, dat niemand anders vader van dit kind is als Cornelis van Brugge, koetsier op de huijze den Berg", aldus de aantekening in het doopregister. Fina trouwde in 1751 met Anthonie Bakker, een schoonmaker. Deze was overigens zelf vader van een onecht kind van Hendrikje Teunis. Ja, in Dalfsen was altijd wel iemand over wie iets te melden viel!

 

 

Twee ongehuwde moeder: Geertje Janssen en Janna Janssen Geelen

Twee ongehuwde moeders bezorgden kerkenraad en predikant zoveel hoofdbrekens dat zij zich genoodzaakt zagen bij Ridderschap en Steden en bij de drost om steun aan te kloppen en wel Geertje Janssen en Janna Janssen Geelen. De eerste keer dat Geertje Janssen in de acta voorkomt betreft de mededeling op 20 augustus 1703 dat zij een tweede buitenechtelijk kind gekregen had. Toen al werd door de kerkenraad overwogen om een rekest aan de drost te sturen, maar dat dit ook gebeurd is blijkt niet. Toen dominee Brouwer op 2 maart 1708 echter aan de kerkenraad moest melden dat Geertje haar derde buitenechtelijk kind ter wereld had gebracht, was de maat vol en nu werd inderdaad een rekest aan Ridderschap en Steden gezonden. Het was een droevige geschiedenis die de predikant aan het papier toevertrouwde.

In 1694 was Jan Lappen vanuit Vilsteren „met een lamme soon en dogter' in Dalfsen komen wonen. Die dochter was Geertje. Niet lang daarna had Geertje haar eerste kind gekregen. Naar haar zeggen was zij door een onbekende verkracht. De man was, terwijl haar ouders op het land aan het werk waren, bij haar in huis gekomen met de smoes van water te willen drinken. Het kind dat zij in 1703 ter wereld had gebracht was naar haar zeggen van de knecht van de boer bij wie zij was uitbesteed.

 

 

Toen bleek dat zij zwanger was, was deze met de noorderzon vertrokken. Onlangs dan had Geertje nog eens een buitenechtelijk kind gekregen van de kostbaas bij wie ze in huis was. Dit kind was echter kort na de geboorte overleden. De kosten van Geertjes bedeling hadden al met al zo'n 200 gulden belopen. Of het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten is ingewilligd is mij niet bekend. De resoluties van de eerste landdag van 1708 maken er in elk geval geen melding van.

Janna Janssen Geelen zeker niet monddood

Het voorgevallene met Janna Janssen Geelen bewijst dat vrouwen in de achttiende eeuw ondanks hun onmondigheid beslist niet monddood hoefden te zijn. Het was gebruikelijk dat een ongehuwde moeder haar kind zelf ten doop droeg na eerst belijdenis van schuld en berouw te hebben gedaan. In verband met dit punt deed zich in oktober en november 1752 in Dalfsen een opvallende zaak voor. Op 22 oktober was Noldus geboren als buitenechtelijke zoon van Janna Geelen. In het doopregister werd geen naam van de vader genoteerd. Of Janna weigerde schuldbelijdenis af te leggen of dat er andere punten van onenigheid waren, wordt uit de acta niet duidelijk. In elk geval wilde de kerkenraad dat de doop uitgesteld zou worden. Dat nam Janna niet en zij schreef daarop een rekest aan de drost met het verzoek de predikant van Dalfsen te gelasten haar kind te dopen. Dit verzoekschrift is helaas niet bewaard gebleven, zodat wij niet weten welke voorstelling van zaken zij aan de drost gegeven heeft. Hoe het zij, deze voldeed aan haar wens. En zo werd zoonlief met de naam Noldus op 8 november, uitgerekend op de dankdag voor het gewas, gedoopt.

 

 

Dominee en Kerkenraad diep beledigd

Dominee Wilhelmus Dekker (1742-1760) en de kerkenraad waren diep beledigd. Onmiddellijk schreven zij de drost een brief op poten waarin zij niet alleen lucht gaven aan hun verontwaardiging over diens handelwijze, maar ook in bloemrijke bewoordingen hun vrees vastlegden voor de ongebreidelde seksuele begeerten waarmee een bepaald deel van de mensheid behept zou zijn. Het schrijven begint met de ontkenning van de voorstelling die Janna van het geschil gegeven had. Er was geen sprake geweest van een weigering om haar kind te dopen, maar wel van de eis aan Janna om de gebruikelijke regels in acht te nemen. Nu de drost deze zelf terzijde geschoven had, wisten de kerkenraad en predikant niet waaraan zij in voorkomende gevallen toe waren. Als „ieder hoerekind op dezelfde voet als een echt kind" behandeld zou worden, dan zou dat niet alleen tot „ergenis en droefheit" binnen de gemeente leiden maar ook tot ondermijning van het gezag van de kerkenraad en tot „merkelijke schade van onzen gedrukten armenstaat". De familie van Janna had bepaald geen goede naam: „terwijl haar moeder, met haar geslagte volgens de genigten van tijd tot tijd bij deeze kerkeraad en gemeinte ingekomen, gehouden moeten worden voor lieden van 't slegste soort, hommes infama nota, die door bedelarijen, hoererijen en nog swaerder misdaden befaamt en sommige (soo men segt) zelve ten galge gedoemt zijn geworden". Janna zelf had niet alleen de kerkenraad „met een onbeschaamt hoerenvoorhoofd" getrotseerd, maar zij liet openlijk weten dat zij de bestaande gedragsregel bij de doop van buitenechtelijke kinderen belachelijk vond!

Wanneer deze regel niet meer gehandhaafd zou worden, dan zou het hek van de dam zijn: „dewijl deeze heilzame costumen althoos nog beschouwt zijn als een teugel om eeniger mate eene algemene ongebodenheit en openbare hoererij te bedwingen, door welker afschaffing zij die op hoerloon uit zijn een weider deure zig zullen geopent agten". Bovendien zou de diaconie moeten opdraaien voor het onderhoud van het groeiende leger buitenechtelijke kinderen. De brief eindigde met het verzoek aan de drost om van zijn kant te verklaren dat de oude regel toegepast mocht blijven. 

 

 

Reactie van de drost 

Het antwoord van de drost was wat predikant en kerkenraad verwachten konden, namelijk niets zeggend. In voorkomende gevallen zouden zij zich tot hem kunnen wenden. Afgezien van de boosaardige opmerkingen aan de familie van Janna en de lage waardering van het zedelijke peil van de heffe des volks, was de kwaadheid van predikant en kerkenraad niet onbegrijpelijk. Het was in die dagen niet gebruikelijk dat een drost autoriteiten als dominees en kerkenraden zomaar passeerde en naar de reden waarom Adolf Julius Borchard van Huffel tot Verborch dat nu wel deed kan men alleen gissen.

Deze drost stond bekend als een impulsief mens, en misschien was zijn toegeven aan Janna Geelen het gevolg van een spontane opwelling. Maar het is ook niet ondenkbaar dat hij de Dalfser predikant een hak heeft willen zetten. Immers, in het conflict over de Zwolse dominee Anthonius van der Os stond dominee Dekker als tegenstander en drost Van Huffel als voorstander van deze leraar bekend.

 

Bovenstaand verhaal is van F. Pereboom en is eerder gepubliceerd in Rondom Dalfsen nr. 7, juni 1990

Trefwoorden:Ongehuwd, Kerkenraad, Diaconie
Personen:JANNA JANSSEN GEELEN, geertje janssen, Adolf Julius Borchard van Huffel tot Verborch
Periode:1700-1800
Locatie:Dalfsen