MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

'Een lange nacht…zonder dag.’ Een schuilplaats voor Harry Hes

Verhaal

Een Cito toets avant la lettre. Zo werd onderzocht of onze kennis en vaardigheden, maar vooral kennis, die werd er toen nog ingestampt, toereikend was om deze heilige hallen met enige kans op succes te kunnen betreden.

Die kennis had ik opgedaan op de zevenklassige School I, thans de Parkschool, onder de bezielende leiding van meneer De Jong als hoofd der school. Een groepje van de betere leerlingen van de zesde klas, waaronder ik, was in die winter tijdens de buitenschoolse uurtjes door meester Pon, juf Viehoff en meneer De Jong zelf -voor Frans- klaargestoomd om de zevende klas te kunnen overslaan. Vooral kennis dus. Zo konden wij antwoorden op de vraag, langs welke plaatsen men komt als men per trein zou reizen van Groningen naar Middelburg.

Maar langs welke plaatsen komt men als men in een veewagon moet reizen van Zwolle via Westerbork naar Auschwitz of Sobibor? Ik zou het bij God toen niet geweten hebben en zij, die op 3 oktober 1942 deze tocht begonnen in deze zelfde zaal, wisten het ook niet, denk ik. Ik wist zelfs niet, welk drama zich bijna vijf jaar eerder in dit gebouw had afgespeeld. Wat ik in 1942 buiten gezien had, bracht ik anno 1947 niet in verband met deze plek.

Gymzaal met een verleden

Zes jaar lang heb ik in deze zaal gezwoegd en gezweet onder leiding van de legendarische Sjef van der Muur. Ik ben in de touwen geklommen, heb aan het wandrek gehangen, ben de ladders op- en afgegaan, heb en ben achterna gezeten zonder de vloer te raken als we de boel mochten verbouwen tot een apenkooi, we hebben volleybal en handbal gespeeld en nooit heb ik me gerealiseerd, wat er zich op deze vloer ook had afgespeeld.

Examen

Vijf promoties in deze zaal later, zes jaar na het toelatingsexamen, in begin juni 1953, deed ik hier eindexamen. Althans het schriftelijk. Het mondeling was in school. Mijn laatste vak was biologie: De Haas, onsterfelijke motor van de sfeer en de schoolcultuur van toen, initiator en leider van buitenschoolse activiteiten en voortreffelijk docent.

Het was mijn laatste vak, slechts oppervlakkig bestudeerd door tijdgebrek en de belachelijke gedachte, dat al die goedgestructureerde lessen nog wel in mijn hoofd zouden zitten. Ik was moe, aan het eind van mijn latijn en had moeite de boog van de examenspanning strak te houden. Stijf van de stress betrad ik het biologielokaal, alwaar ik, in mijn herinnering, op niet één vraag van De Haas en/of de gecommitteerde een zinnig antwoord wist te geven. Ik geneerde me dood, juist tegenover De Haas.

Meneer De Haas

Had ik niet bij hem altijd het gevoel gehad, zonder daarover ooit te hebben kunnen spreken, dat ik met hem iets deelde dat hij met anderen niet had? Dat wij beiden iets wisten, dat anderen niet wisten? Dat ik hem niet alleen respect maar ook dank was verschuldigd? Hoe kon ik hem en mijzelf dit aandoen en hem zo teleurstellen?

Ik had een zes. De enige op mijn lijst van zevens, achten en een enkele negen. Hoogstwaarschijnlijk door De Haas bij de gecommitteerde bevochten op grond van mijn schoolprestaties. Dat kan niet anders. In mijn gevoel was dit examen niet meer dan een dikke onvoldoende waarde geweest. Gered door De Haas. Door menéér De Haas dit keer.

Al eens eerder gered

Ik was al eens eerder door een De Haas gered. Door mevrouw De Haas, om precies te zijn. Dat was op 3 oktober 1942. Op de avond van 2 oktober 1942, ik was al naar bed, werd ik wakker gemaakt en in het donker naar het huis van de familie Schrale, een ouder echtpaar, op de hoek van de Sophiastraat en de Oranje Nassaulaan gebracht. Dat was maar een paar stappen van Oranje Nassaulaan 1, het huis waar ik op dat moment nog woonde met mijn grootouders Hes en mijn grootvader Bouscher.

Onderduiken

Het was het huis, dat mijn vader op het nippertje per 1 januari 1942 had kunnen huren, nadat ons huis Melkmarkt 45 op 22 december 1941 per 31-12 was gevorderd. In de loop van juli en augustus waren achtereenvolgens mijn vader, mijn broertje en mijn moeder ondergedoken. Mijn grootouders, die een onderkomen hadden gevonden op Rode Torenplein 8, waren ten tweede male uit hun woning gezet en in ons huis getrokken. 

Dat ik daar toen nog was heeft mogelijk te maken met het feit, dat ik natuurlijk eind augustus naar school moest. Zo praktisch was mijn vader ook wel. Maar, zo schrijft mijn oom Herbert Bouscher in zijn boek over onze belevenissen, ik  -en ik citeer-‘was to be moved at the first hint of trouble.’  

Het moment van ‘the first hint’ kwam op 2 oktober 1942. Mijn grootvader Bouscher kreeg die dag het bericht van de politie, dat hij zich ‘s avonds gereed moest houden voor deportatie. En ik werd, ‘by prearrangement’ zoals mijn oom schrijft, naar de familie Schrale gebracht. Daar sliep ik verder, mij niet bewust van wat er speelde. Wie het geregeld heeft zal ik nooit weten, zoals ik zoveel details nooit zal kennen.

Zonder afscheid

Ik herinner me dat ik de volgende ochtend in een vreemde omgeving ben opgestaan en heb ontbeten. Ik weet niet meer of ik nog naar huis ben geweest, ik herinner me geen enkel afscheid van mijn grootouders Hes, die ik toen voor het laatst heb gezien, noch van opa Bouscher, die simpelweg niet was opgehaald. En die op de avond van 17 november, een uur voordat dat wel het geval was, door zijn zoon in veiligheid werd gebracht. Voor oma en opa Hes kwam het fatale moment op 8 april 1943. Op 7 mei 1943 werden zij te Sobibor vermoord.

Maar op die derde oktober, die zaterdagochtend, verscheen bij de familie Schrale een mevrouw met wie ik mee moest gaan. Ik weet zelfs nu niet, of ik toen haar naam heb geweten of die pas later heb gehoord. Ik zat op de bagagedragerbij mevrouw de Haas, mijn hoofd diep in de kraag van mijn jas, mijn wang zo dicht mogelijk tegen haar rug.  Dit om herkenning zoveel mogelijk te vermijden. Er moet een tas of een koffertje zijn geweest, maar dat is uit mijn herinneringsbeeld verdwenen. Zo fietsten wij langs het gevaar, zo scheerden we langs de afgrond, die langs de Veerallee, in de gymnastiekzaal, bij de Veeladingbrug en op het station voor ons was geopend. Degenen die daar liepen met hun bepakking zouden er kort daarna in worden geduwd. Ik besefte niet wat ik zag.

Beter niets vragen

Terwijl ik dit vertel moet ik denken aan eent liedje van Paul van Vliet:  ‘Veilig achterop, bij vader op de fiets, vader is een held en ik weet nog van niets.’ Mevrouw de Haas was mijn held en ik wist inderdaad van niets. Ik wist niet eens waar ik heen ging. Ik voelde wel, later in de trein, dat ik ook maar beter niets kon vragen. Eén keer ontglipte de vraag me, het werd me te machtig, maar mevrouw De Haas ontweek hem handig. Dat moest ook wel met een Marechaussee in uniform tegenover ons op de bank.

Naar het noorden

De treinen naar het noorden kiezen na Meppel het spoor richting Leeuwarden of richting Groningen. Wij gingen richting Leeuwarden. Alle anderen zijn ongetwijfeld richting Assen/Groningen geleid. Zij gingen de verkeerde kant op, ik de goede. In Heerenveen stapten we uit en we namen de stoomtram naar Sneek. In Sneek liepen we van het tramstation naar een huis aan de kade opzij van de Waterpoort. Dat was klaarblijkelijk het eerste contactadres. Daar zijn we gebleven tot het donker was, waarna we zijn gelopen naar Grootzand 57, het winkel/woonhuis van de familie Van der Goot.

Een ouder broertje

Ik heb geen idee of er die middag vooraf contact is geweest met het beoogde onderduikadres, maar ik betwijfel het. Het moment van aanbellen en het opengaan van de deur herinner ik me goed en mijn gevoel zegt me, dat de verrassing bij de familie compleet was, ook al moet er een soort afspraak zijn geweest. Ik was bij een jong gezin, beide echtelieden 32 jaar oud, een meisje van vier en een jongetje van 11 maanden. Ik als ouder broertje, een ‘perfect match’. Maar dat wist ik toen nog niet, toen ik daar die avond hoogst bevreemd zat rond te kijken.

Goede afloop niet vanzelfsprekend

En wat ik ook niet wist, niet kon weten, maar pas veel later van mijn pleegmoeder heb gehoord, is, dat zij na een doorwaakte nacht in puur Godsvertrouwen hebben besloten hun toezegging gestand te doen en mij veiligheid te bieden. Mevrouw De Haas was toen al weer, naar later bleek veilig, terug in Zwolle, bij háár jonge gezin. Terug van een missie, waarvan de goede afloop niet als vanzelfsprekend gewaarborgd was.

Op dit moment en op deze plaats betuig ik respect aan de redders, aan al mijn redders, van wie ik er slechts een aantal heb genoemd. En ik denk met evenveel respect aan hen, voor wie redding niet mogelijk was en die, al dan niet in goed vertrouwen, zich hier hebben gemeld om er de nacht door te brengen. Een lange nacht…zonder dag.’ 

Auteur:Harry Hes
Trefwoorden:Tweede Wereldoorlog, Overijssel WOII
Personen:Harry Hes
Periode:1940-1945
Locatie:Salland