MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

'Een bijzondere dag'

Verhaal

Dit verhaal speelt zich af in Vroomshoop, een dorp in Overijssel. Een dorp met allerlei tradities en gewoontes. Waar men elkaar helpt en voor elkaar zorgt als dat nodig is. Noaberhulp is heel gewoon. Dat is fijn maar het schept ook verplichtingen.

Het is een mooie zomerse zondagmorgen in augustus 1964. Ons gezin telt dan vijf kinderen. De jongste is drie jaar, ik ben de oudste dochter van achttien. (Over twee jaar zal er nog een kleintje bij komen.) Mamma is in de keuken om koffie in te schenken. Wij wachten vol spanning af want wat is er nog meer voor lekkers vandaag? Alleen op zondag is er iets bijzonders bij de koffie. Plotseling zien we dat een deftige mevrouw en meneer heel langzaam langs ons huis lopen.

 

Mamma loopt naar het raam, ze heeft het koffieblad nog in haar handen en zegt dan: "Dat kan toch niet…, dat is toch niet waar??" Wij, de kinderen, kijken ook nieuwsgierig naar buiten en vragen ons af wie die mensen zijn en waar ze wel naar toe zullen gaan. Mamma kijkt nog eens goed en roept dan: "Oh God, oh God, daar loopt mijn zuster Jennigje met haar man." Ze zet het blad met koffiekopjes neer, rent naar de deur en mompelt ondertussen: "Hoe is het mogelijk, hoe bestaat het?" Ze rukt de voordeur open en roept: "Hier moet je zijn, hier wonen wij."

 

Vol verbazing zien wij dit aan en vinden het wel een leuke afwisseling. Want op zondag mag je niet veel van onze moeder, wat lezen, wandelen en helemaal niet breien of haken of een ander klusje doen. "Zondagswerk is niet sterk," zegt ze altijd. Oom en tante worden als een nieuw wereldwonder binnengehaald. Na de koffie worden heel veel herinneringen opgehaald en verhalen verteld. Het is daardoor een heel gezellige en bijzondere dag.

 

Mijn moeder heeft haar zuster in twaalf jaar niet gezien. Tante Jennigje verhuisde naar de grote stad Den Haag en de dagelijkse beslommeringen en ook gebrek aan geld zorgden ervoor dat ze elkaar uit het oog verloren. Als oom en tante ’s avonds naar huis gaan, heb ik een uitnodiging gekregen om op hun verjaardag te komen. Ze zijn een week na elkaar jarig en vieren dat op één dag in oktober. Een weekend naar Den Haag, dat is voor mij echt spannend! Maar mijn vader vindt het allemaal maar niks en als hij uiteindelijk toestemming heeft gegeven voor dat weekend bromt hij: "Alleen voor deze keer omdat ze allebei jarig zijn. Geen gedoe. Gedraag je en vooral geen contact met jongens." En tegen oom en tante zegt hij: "Pas goed op mijn dochter!"

 

Eindelijk is het dan de bewuste vrijdag en gespannen stap ik in de trein naar Den Haag. Het is een hele belevenis, want ik ben nog nooit verder dan Almelo geweest. Op de verjaardag van tante en oom ontmoet ik veel mensen. Er worden grapjes gemaakt over het Twentse dorp met zijn vele tradities. Later op de avond komt een jongeman binnen die zich voorstelt als Ludie. Hij komt naast me zitten en we kletsen wat over zijn en mijn hobby’s. Dan vraagt hij of ik morgen met hem uit wil. Of ik van voetbal hou en zo ja, dan wil hij met me naar de wedstrijd ADO-Go Ahead. Tante vindt het goed. Ik ga een spannende dag tegemoet.

 

Dat dagje uit krijgt een vervolg en zo heb ik dus verkering gekregen met een stadse jongen, want we beloven elkaar elke week te schrijven. Mijn vader is er niet blij mee en moppert: "Zie je wel, al dat gesjouw naar een andere stad is maar niks. Het levert altijd problemen op. Wat moet je nou met die knul van zover weg? Dat wordt toch niks." Het is op het dorp al gauw bekend: Cisca heeft verkering met een stadse vent.

 

Jongens uit het dorp houden me aan en vragen of het waar is dat ik verkering heb met ‘nen stadsen’, uit Den Haag nog wel! Waarom zo ver weg? Één van hen is toch goed genoeg voor mij? Hij is hier niet welkom. We zullen hem wel een lesje leren als hij komt. "Jij met je kapsones! Als je maar weet dat je bij ons dorp hoort! Want mij wil je ook niet," zegt Jaap, "maar ik krijg je heus wel en dan heb je die stadse meneer niet meer nodig. Wij zorgen er wel voor dat hij je snel laat vallen."

 

Ik vertel dit verhaal thuis en mijn vader zegt: "Ach, die jongens met hun grote bek, zal allemaal wel meevallen." Maar ik heb de zenuwen en denk: "Stel dat ze dat doen, dan kunnen ze hem wel het ziekenhuis in slaan. Sommigen jongens zijn zo onbehouwen en sterk. Ik denk dat ik de verkering maar uitmaak, dat gedonder, daar heb ik helemaal geen zin in." Dus ik schrijf Ludie het hele verhaal en zeg dat ik niet wil dat hij naar Vroomshoop komt omdat hij een pak op zijn falie kan krijgen. Hij schrijft laconiek terug dat hij niks met die andere lui te maken heeft en alleen voor mij komt. Als ze zo nodig willen knokken, komt hij wel met een stel vrienden van zijn voetbalclub WIK naar het dorp. Zijn ze nou helemaal van de pot gerukt!!! Wat denken ze wel!! Jij bent hun eigendom niet. Hij schrijft verder: "Ik weet dit al want je tante Jennigje heeft mij al gewaarschuwd voor die rauwdouwers daar op het dorp."

 

 

Dan komt Ludie in december voor het eerst bij ons thuis. Mijn vader heeft de buren uitgenodigd, want ze zullen die Hagenees wel eens even laten merken dat er met de dorpelingen niet te spotten valt. Er wordt opzettelijk alleen in het dialect gepraat en Ludie verstaat er niks van maar slaat zich er dapper doorheen. Van Ludie een pak op zijn falie geven, is gelukkig geen sprake meer, want de aanstichter van dit plan is door de politie opgepakt wegens dronkenschap en vechten met de politie. Hij zit voor een aantal maanden in de gevangenis.

 

Zo verstrijken de weken en als het voorjaar wordt, genieten we al wandelend van het dorp en zijn omgeving. Regelmatig ga ik ook een weekend naar Den Haag. Moet dus ook weer terug. De treinverbindingen in de regio zijn echter niet zo goed. Een goeie kennis wil mij wel van de trein halen. Hij staat te wachten bij het station en ik stap bij hem in de auto. "Bedankt hoor, dat je me wilt halen. Scheelt me bijna een uur reistijd." "Hoe was je weekend?" vraagt hij. Ik zeg dat het heel gezellig is geweest. Dan moppert hij: "Wat moet je nou met zo’n stadse kerel, wat weet je van hem? Als je niet bij hem bent, wat vreet hij dan uit? Hij kan je wel van alles wijsmaken. Zo’n stadse kerel past toch helemaal niet bij jou. Waarom wil je mij niet? Ik vind je lief en wil al zo lang verkering met jou. Laat die vent toch barsten!!" Zo wordt er op me in gepraat. Want een jongen uit een andere stad of dorp, dat gaat zo maar niet. Ik bepaal zelf wel wat en wie ik wil. Wat is dit in sommige dingen toch een waardeloos dorp.

 

Als Ludie weer eens in het dorp is, gaan we op visite bij mijn beste vriendin. Ze zit wijdbeens in minirok tegenover Ludie en die weet niet waar hij kijken moet. Wat gênant! Dat noemt zich vriendin!! Zo probeert men van alles om maar tussen ons te kunnen stoken! Wat een halfgare mensen wonen er toch in dit dorp. Als we even later naar huis gaan (ik heb schoon genoeg van al dat geprovoceer), zeg ik dat ik stevig baal en er behoorlijk de pest in heb. Ludie zegt: "Ik kan hier toch ook niks aan doen! Ze willen nu eenmaal graag dat wij uit elkaar gaan. Maar van mij krijgen ze in dit dorp hun zin niet. Ik hou van jou en wil met jou verder! De rest zoekt het maar uit!!!""Ja, jij kletst lekker," zeg ik, "maar ik zit ermee."

 

Mijn vader is ook al niet blij met deze gang van zaken, want hij ziet mij niet graag vertrekken naar Den Haag en al helemaal niet voor ik 21 ben. Kan nog leuk worden allemaal. We schrijven elkaar elke week en eens in de twee weken zien we elkaar een weekend. Als Ludie weer komt, vraagt hij of ik met hem wil trouwen. Het overvalt mij, want we kennen elkaar nog niet zo lang. Natuurlijk zeg ik "ja". We verloven ons op 19 april 1965 en geven een klein feestje. Nu weet men in het dorp wel dat ze er niets meer aan kunnen veranderen.

 

We trouwen op 29 oktober 1965 in het gemeentehuis van Den Ham en in de Nederlands Hervormde kerk in Vroomshoop. We gaan wonen in Den Haag. Daarna verhuizen we naar Rijswijk. Daar wonen we 24 jaar en krijgen twee kinderen. Die vinden allebei hun bestemming in Rotterdam en wij verhuizen naar Arnhem. Wij wonen er 18 jaar met veel plezier.

 

De kinderen hebben hun eigen gezin en als mijn man overlijdt in 2008 wil ik wel terug naar het oosten. Wie had dat ooit gedacht! Terug naar mijn roots, wat ik nooit meer wilde. Het alleen zijn beu stel ik me open voor een nieuwe relatie en meld me aan bij een datingsite. Ik zoek iemand tussen de 65 en 70 jaar en hij moet in Overijssel wonen. Mijn familie wil me graag wat dichterbij. Dan staat er iemand op de site die zich Tubanter noemt. Zijn profiel staat me wel aan en ik mail hem en vraag waarom hij zich zo noemt. ‘Het waren de vroegere bewoners van Twente’ mailt hij terug.

 

We mailen veel en na een week vraagt hij of ik met hem een kopje koffie wil gaan drinken bij café Dudock in Arnhem. Het klikt en we spreken af elkaar snel weer te zien. We zijn verliefd!! Dat is heel bijzonder. We wandelen, fietsen en gaan samen op vakantie. Tijdens de vakantie praten we al over samenwonen. Waar doen we dat? In Hengelo waar hij woont, in Arnhem, of helemaal ergens anders? We besluiten te gaan samenwonen in Hengelo.

 

Dan is de cirkel rond. Een geboren en getogen Tukkerse die uiteindelijk na vele omzwervingen weer terug is in Tukkerland. Ik voel me weer thuis!

 

Door: Cisca van Neijhof-Bulder

Trefwoorden:Vroomshoop, Cisca van Neijhof-Bulder, 1950
Periode:1950
Locatie:Vroomshoop, Twenterand gemeente, Twente
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand