MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Op de akker in Twente

Verhaal

Op de akker in Twente

Op de akker in Twente

W.H. Dingeldein

De auteur schreef onderstaand artikel reeds in de jaren vijftig. Hij gaf hiermee een prachtig overzicht van de landbouw in Twente en de eeuwig durende strijd tegen allerlei onkruid. Er worden zo tussen de bedrijven door vrij veel Twentse benamingen van planten en ook landbouwkundige- en op de omgeving betrekking hebbende termen genoemd. Veel daarvan zijn voor de gemiddelde inwoner van Twente waarschijnlijk niet meer paraat, dus kunnen we het stuk ook een beetje als cursus plattelands-Twents (Denekamps) opvatten. Oordeelt u zelf.

’t Is eind juni. Ik wandel de weg op en ben onmiddellijk in ’n es. Nen Greunen weg met wagenspeurs doorsnijdt hem. Alles is hard gegroeid bij het beste weer: er is gunst (góóst), zegt de boer. De rogg’ of rouw (wat is het moeilijk, de uitspraak weer te geven met 26 letters van ons a-b-c-!) is volwassen. Het bloeien is gedaan, de rogge heeft stowwen (gestoven) en vrucht gezet. “Veertien dage grööien, veertien dage riepen, veertien dage striepen”, is boeren wijsheid. Al de rogge is mooi van stam, is niet leggerig en de vooruitzichten voor de oogst zijn gunstig. In juli wordt ze riep en omstreeks St. Jacob (um Sunt Joapk: 25 juli) wordt de zeggent (de zicht) erin geslagen; dan wodt ze óónder ’t gat houwen. Met den strikhaken wordt ze bij ’t maaien van iedere schoof in bedwang gehouden en met zeggent en strikhaken wordt de losse gaarv gevleid.

De bindster, vaak nog met bindmouwen aan om haar armen te beschermen tegen de stekende ondereinden der halmen en tegen de angels (kafnaalden), grijpt een bosje halmen van de kop en slaat die met vlugge slag om ’n kopean en bindt met een bosje andere halmen een band om ’n eersaen. Gestadig aan worden de gaarwen ópzett. Tien vormen nen hoap, twaalf höäp nen viem. Kinderen komen roggeneurs gaddern (aren lezen). Dan wordt de rogge inhaald.

Zijn de garven ópstokken met de schotvoark, heeft de man ze op de wagen netjes vaat’t, is ’n wessboam erover gelegd en strak met wagenzeel en ketrol anhaald. Is tenslotte alle rogge binnen, an nen hoap zet’t, óp ’n balken of in de nieuwerwetse graanschuur geborgen, dan heeft de boer ziene bouwhanen, dan ligt het land in de stoppel, of stoppelbloat.

Bij nieuwe verpachting moet het stoppelbloat anpakt wodden. Het land ligt nu troosteloos kaal, erop wachtend dat het strekken wodt met de striekploog en met haerfstknollen, soms ook met spörrie bezaaid of na Sunt-Geel (st. Michael; 29 september) wordt bouwd voor de nieuwe roggebouw. Maar nu is dat zover nog niet. Blauwgroen, even geelachtig kleurend, staat het gewas nog te velde. De aagtenjufferkes zijn uitgebloeid en alleen ’t verwelkte loof en de bloemschermen zijn nog te zien

Dat is vogelmelk, die aanvankelijk, evenals de sneeklökkes, de naam jufferkes zal hebben gehad. Maar door invloed van de familie- en boerderijnamen Aagten of Aegtenboer, een matronymicum, zal de naam van dit bolgewasje in aagtenjeufferkes zijn overgegaan. Tussen de halmen prijkt de blauwe tremse (korenbloem) die men ook wel roggebloem noemt. Later bloeit, tussen de hoge donzige pluimen van de windhalm, de wit- met-gele kemille (echte kamille) waarvan de bloemen worden geplukt en gedroogd bewaard om er kemilletee van te zetten die goed is tegen roas in ’n móónd of in de taan’, tegen ‘nen dikken hals (keel). Een papje van kamillebloemen wordt ook graag op bloodzweers (steenpuisten) gelegd, voor ’t riepwodden en ’t zachten.

Naast de kamille staat, vaak in grote hoeveelheid, de gaanzemiel, een laag en lastig onkruid (slofhakken) die naar men meent met vromd zaaizaad, dat de hierlaansche rouw verving, al lang geleden is ingevoerd. Een andere indringster is de schijfkamille die nog geen Twentse naam heeft. Tegen de halmen rengt (ranken) de wikken omhoog, paarse en lichtblauwe, waarvan de zaden een bittere smaak hebben en het brood bederven. Dat deden, toen men de kunst van graanreiniging nog niet goed verstond en die met de wann’ of met de kafmöll moest gebeuren, ook de stoarkskeurn, de sklerotiën van het moederkoren, waarmee de aren dikwijls besmet zijn. Hier en daar staat nog wat hott (ratelaar) in de rogge maar de boer is die parasiet langzamerhand baas wodden. De lagere kruiden als lamssla, hardbloem en dergelijke, die aan de randen van het roggeland groeien, hebben geen naam bij de boer. Kinderen hebben hier en daar in de rogge gelopen om bloemen te plukken ondanks de waarschuwing: Loopt mi nich in de rouw, dan kóómp ’t roggenkeerlken en grip oe.

De tuffel (aardappelen) hebt nó ’t laand dicht. Ze zijn in april pot’t, met ’n potter, met de schup of óp de voor legd. Wie ze met kienen (kiemen) heeft gepoot heeft ze spoedig zien opgaan. Maar ook de andere zijn gauw kiend (gekiemd) en boven de grond gekomen. Dan werden ze eggd tegen ’t ruwste roet (onkruid); vervolgens schöffeld of ging ’n kultivator er door en tenslotte werden ze anbouwd met de tuffelploog. Meer kon er niet aan worden gedaan. Ze hebt nó de blossems in ’n bek; de eerste bloemen zijn verschenen, die zelden meer tot vruchtzetting komen. Dat deden wel de ouderwetse soorten, zoals de neggenwekschen, die rijkelijk beren of tuffelberen droegen.

Wat verbouwt de boer tegenwoordig (1952!; red.)? Sinds jaren reeds Eigenheimers en Rode ster, dan Noorderlingen, Bintjes, IJsselster en andere goede soorten. Langzamerhand zijn de oude eruit gegaan, ze waren veraard en wilden niet meer. Voor ’t vee: Voran, furore of vuurroaden en dergelijke voortuffel of vaerkentuffel, die een ruim beschot geven, völ anbrengt. De oude variëteiten worden niet meer verbouwd. Het waren behalve de reeds genoemde neggenwekschen (die negen weken na de planting geoogst zouden kunnen worden!), Kölseche ballen, magnebonen, roadkienkes, blauwkuulkes, vroo blóónden, blóónden, haerfstblóónden (blóónd is paarsachtig van kleur) en Zeeuwse gellen. Later kwamen de eigenheimer tuffel, de bravo’s en andere. Een héél oude soort waren de Hóóltmönnkes, nog ouder de Mettienstuffel, een plaatselijke variëteit genoemd naar Martinus Beuningh die ze omsreeks 1800 uit de buurt van Ossenbrugge meebracht, geknoopt in de punten van zijn reiszak. Na jaren is hij daarvan weer in ’t aard kommen.

Of de tuffel vereisen een voortdurend vechten tegen het roet (onkruid), tegen ’t óóngemak in ’t laand. Wij (Denekampers) zeggen tuffel, maar in Oldenzaal en Ootmarsum willen ze ons daarom uitlachen, omdat ze overtuigd zijn dat het töffel moet wezen. Maar over de grens in de gemeente Nordhorn zijn het eerpel of eerappel; daar is men dus Hollandser dan in Oost-Twente.

Een nauwe verwant, de nachtscha, nachtschal of kortweg beren, groeit op de aardappelakker, een onkruid dat grote veut (wortelvoten) maakt en moeilijk uit te trekken is. Aan de randen bloeien nu de eerste bloempjes van de landplaag Visschediek of Visschedieksroet (knopkruid).

Onafgebroken duurt de strijd tegen de kwekk (kwekgras). Meelden (melden) vertonen zich naast wilde wedden (perzikskruid), genoemd naar de bladeren die op wilgebladeren gelijken. Vöggelvoor (vogelpoot, Panicum Crus Galli) groeit er en heeft ook grote tossens (wortelvoeten). Enkele plantjes van Bóllenmelk staan aan de akkerrand. Dat is kroontjeskruid (Euphorbia helioscopia) waarvan men het witte melksap moet strijken op de woorten (wratten), dan gaan ze weg. Ook bloodkroed of stinkkroet (akkermunt) staat zowel tussen ’t graan als tussen de aardappels.

Een zeer mooie plant die vroeger in massa op ’t tuffellaand groeide, is nagenoeg verdwenen: de goudgele Dewwenterbloom of gele ganzebloem, Chrysanthemum segetum.

In de nazomer worden de aardappelen geel; wordt het loof zoor (bruin en dor). Dan breekt de oogsttijd aan. De tuffelstrunk worden op oude manier stokken (gestoken) met de greep en in nen böggelkoarf (een halfbolvormige korf, gevlochten van wedden (=tenen),voorzien van een heng) gadderd. Vroeger konden de schoolkinderen extra tuffelvekaansie (landbouwverlof) krijgen voor ’t tuffelgaddern waarvoor men handen tekort kwam, maar tegenwoordig mag dat niet meer. Moesten ze achter de ploog aan bij ’t tuffelbouwen, dan hadden ze geen tijd om op te zien, en óh, wanneer de aardappels er met ’n duuwel of ’n tuffelduuwel er oetmaakt wodt, wordt er veel van de gadderers gevergd. Na de oogst worden onkruid en loof met de greep opbeund en op hoopjes gezet waarin wel de brand wordt gestoken, of die dienen voor de afdekking van de tuffel- en bietenkoelen.

Is het aardappelland kaal, dan krijgt hier zowel als op het stoppelland, het onkruid zijn kans. Als schrale kiemplantjes heeft het op zijn tijd gewacht. Nu ontwikkelt zich de bitterboam (waterpeper, Polygonum hydropiper), die genoemd is naar zijn peperachtige smaak. Smatkharm heet zij over de grens; een naam die zich ontwikkeld moet hebben uit smartkarn, smartkorn: smart = bitter. Welig ontwikkelen zich ook de wilde wedden en de wilde weit (Polygonum Convolvulus) rengt door alles heen. Wilde wedden heten ook bitterboam of bitterelk. De hoge méélden en de lage loez’méélde haasten zich ook om te groeien, te bloeien en zaad te vormen; dat doen ook de beren (nachtschade en Visschediek). De vöggelvoot wil niet achter blijven. Maar dan komt eindelijk de ploeg en keert alles onder de grond, mét millioenen onkruidzaden, die achterblijven tot het volgende jaar.

 

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Boorn en Boerschop, augustus 2009 blz. 24-25 en de Driemaandelijkse bladen, 1952, pag. 91-94

 

 

Trefwoorden:Oogst, Rogge, Aardappelen
Personen:Dingeldein
Locatie:Twente