MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Klandestiene jenever op het Hesseler

Verhaal

Twee eeuwen geleden, om precies te zijn op 6 juni 1783, werd voor het Gericht te Borne door middel van "vraagartikelen" een aantal lieden gehoord omtrent het nuttigen van jenever op het Hesseler. Vraagartikelen van toen zijn te vergelijken met het hedendaagse verhoor in een rechtszaak. Een (aan)klager begaf zich naar de rechter van het Richterambt waar de getuigen, respectievelijk de dader(s), die moest(en) worden opgeroepen voor het afleggen van verklaringen, woonden. De rechter hoorde de klacht aan en stelde naar aanleiding daarvan een lijst op met vragen, die aan de getuigen moesten worden gesteld. Hij liet op de lijst ruimte over om de gegeven antwoorden te noteren. Aan elke getuige werden dezelfde vragen gesteld (als dit niet het geval was werd zulks apart vermeld) en de antwoorden werden vastgelegd, ook als een antwoord gelijkluidend was aan dat van zijn voorganger(s).

Wat was nu de aanleiding van de rechtszaak in Borne? Claas Troost, “de pachter van de brandewijn en de gebrande wateren" in het gericht Oldenzaal, stapte naar de rechter van Borne omdat hij had vernomen, dat inwoners van die plaats op het Hesseler jenever zouden hebben gedronken. Hij wilde hier graag meer van weten omdat de belasting op de jenever, in het gericht Oldenzaal gedronken, hem toekwam. Getuigen die de rechter via-via moest zien te achterhalen, werden opgeroepen te verschijnen. Dat waren: Benjamin Meijer, Aloff Düschaate, Gerrit Nieuwenhuis, Gerritjan Grootenhoff, Gerrit Morsman, de bouwknecht wonende op de Bornse windmolen, Jan. Bussemaker, Sibrand Bussemaker en Hendrik ten Cate.

Het zou een te lang en langdurig verhaal worden wanneer hier alle vragen en ieders antwoorden in extenso worden weergegeven. De volgende samenvatting geeft echter een voldoende duidelijk beeld.

De eerste vraag die nagenoeg elke zaak betrof de personalia (naam, voornaam, leeftijd enz.) en de eventuele verwantschap (met de klager) van de getuigen. In het onderhavige geval werd de getuigen vervolgens de vraag gesteld of zij op Hemelvaartsdag naar het Hesseler zijn gegaan om o.a. ten huize van Gerrit Bekkers of van de zogenoemd wordende Jannes Strotten of ten huize van Jan Bertelink, anders genaamd Haasen-Jan, jenever te drinken (een dezer drie adressen stond niet als herberg te boek). Zij moesten voorts vertellen hoeveel zij of persoonlijk, of gezamenlijk hadden gedronken, wie het geestrijke vocht inschonk en of dit geschonken is in een bierglas‚een roemer, een oort‚ een halve oort‚ in mengels of karsmaate.

Een aantal getuigen bleek bij Haasen-Jan te zijn geweest; anderen wisten niet hoe de bewoners van het bezochte pand heetten. Niemand wist meer hoeveel er was gedronken, maar enkele getuigen stond nog duidelijk voor de geest dat Haasen-Jan zelf had ingeschonken en wel in bierglazen en in roemers. Een reeks van vragen moest duidelijkheid brengen in onderwerpen als: moest er worden betaald, hoeveel, een ieder voor zich of gezamenlijk, aan wie, en wisten ze eigenlijk wat de jenever daar kostte? Uit de antwoorden kwam naar voren dat zij door "iemand uit het gezin" werden getrakteerd, maar diens naam was bij de meeste gasten niet bekend. Misschien "Haasen-Jan"? Ook onbekend was de prijs van de drank, hoewel een der getuigen zich herinnerde 8 stuivers op tafel te hebben gelegd, naar zijn mening ongeveer de waarde van het genotene. Maar hij moest het geld weer in zijn zak stoppen!

Dan wilde de rechter wel eens weten of de jenever, op het Hesseler geschonken, beter van kwaliteit is dan die, welke de herbergiers binnen Borne hun gasten plegen voor te zetten; ook of ze soms goedkoper is dan 11 stuivers per kan? Helaas, de getuigen verklaarden "het niet te weten" of "zich er niet van bewust te zijn", maar... "bij geruchten wel eens wat gehoord te hebben".

Genieters

Tot zover het relaas van het drietal getuigen. Twee volgende genieters maakten de zaak er niet duidelijker op door mee te delen dat zij niet op Hemelvaartsdag, maar op de voorafgaande zondag op het Hesseler zijn geweest. De een in ’t huis van Gerrit Bekkers, de ander wist het niet meer. De overige antwoorden van dit tweemanschap waren ongeveer gelijkluidend aan die van hun drie voorgangers, met dit verschil dat het ook wel de bouwknecht op de Bornse molen geweest zou kunnen zijn die de jenever had uitgeschonken. Tegen betaling? Neen, geld wilde hij er niet voor hebben! De getuigen No. 6, 7 en 8 kregen dezelfde vragen voorgelegd als de anderen, maar zij mochten die niet in het bijzijn van hun reeds gehoorde collega's beantwoorden. Waarschijnlijk daarom niet, omdat zij een zekere financiële binding hadden met de drie bewoners van het Hesseler (Bussemakers worden rond 1780 genoemd als erfgenamen van huizen en grond op 't Hesseler).

Ze deelden mede de Hesseler-bewoners te kennen, doch zij wisten niet zeker of Jan Bartelink in ‘t Gericht van Oldenzaal dan wel in Delden woont. Voorts dat ze geregeld bij genoemde mensen thuis komen en daar nooit andere jenever hebben zien drinken. De laatste getuige schoot te binnen dat hij wel eens bij Gerrit Bekkers was geweest en getrakteerd werd, Op de vragen, of de drie Hesseler-bewoners jenever verkopen, voor hoeveel per kan, of dit heimelijk dan wel in het openbaar geschiedt en of deze jenever goedkoper is dan in Borne, bleven de drie het antwoord schuldig. Ze wisten van niks, ze hadden er nooit van gehoord...

Het spreekt vanzelf dat het Gericht aan de hand van deze antwoorden geen oordeel kon vellen betreffende eventueel clandestien jenevergebruik; gedachten aan gesmokkelde of zelfgestookte jenever zullen wel zijn opgekomen.

Strategische plaats

De 6e  juni 1783 had Claas Troost, als pachter van de brandewijnen gebrande wateren "geklaagd" dat in zijn gepacht gebied, het gericht Oldenzaal, hem toekomende belasting werd ontdoken. Hij heeft namelijk het recht deze accijns te ontvangen, voor een of meer jaren, voor veel geld van het landsbestuur gekocht en hij wil dat geld graag met winst weer terug zien. Het Hesseler nu, was – om deze accijns te ontduiken - een strategische plaats. Het lag helemaal op het eind van de marke Hasselo ongeveer 12km (= 21/2 uur gaans) van het bestuurscentrum Oldenzaal; dicht bij het dorp Borne (gericht Borne) en het dorp Hengelo in Woolde in het gericht Delden.

In september 1783 wordt er weer een gericht gehouden te Borne op verzoek van Laurens Lazonder en Hendrikus Wolterink pachters van resp. de Stad en het gericht Enschede. Zij willen dat ondervraagd worden: Jannes Meijer‚ Hendrikus Jan Berghuis en Gerardus Mulder (Hospes in de "Zwaan" te Borne) pachters van het gericht Delden en Borne en tevens een zekere Jannes Wieldijk. Waarom de pachters van Enschede, Delden en Borne belang hebben bij de gerechtelijke ondervraging zal wel blijken. Na afvragen van de leeftijd en verwantschap wordt gevraagd of zij de pachters van gebrande wateren in de gerichten zijn en twee met name genoemde personen kennen n.l. Frederik Bekker en Engbert Garfink‚ die in of onder Altstede in Münsterland wonen en tevens of genoemde personen bij getuigen bekend staan als grote smokkelaars van jenever? Op de gestelde vragen antwoorden de getuigen op de eerste met hun leeftijd‚ op de tweede bevestigend en op de derde dat ze de eerstgenoemde wel kennen c.q. van gehoord hebben, doch de tweede genoemde niet en dat ze hem nog nooit hebben kunnen attraperen  met het smokkelen.

Karrevrachten jenever

Via de gestelde vragen en antwoorden wordt duidelijk dat hele karrevrachten jenever vanuit het Münsterland‚ dus door 't pachtdistrict van  "Enschede en Delden en Borne of omtrent" worden binnen gebracht in het district van Oldenzaal. De getuigen zijn het niet eens over de plaats waar de jenever zich zou bevinden: de een zegt in 't gericht Delden, de ander op 't Hesseler (= Hasselo). Verder blijkt uit de getuigenissen dat Frederik Bekker en Engbert Garfink voordat J. Meijer pachter was, aan de toenmalige pachters van Hengelo jenever leverden. Bij de als laatste gestelde vraag blijkt dat deze Frederik Bakker afkomstig is uit het Hesseler.

Voor de volledigheid volgt hier nog een getuigenverklaring waaruit blijkt waarom hij zich op dat moment had "teruggetrokken" in. Duitsland. De getuigen worden gevraagd of ze niet weten dat Frederik Bekker "voor een jaar of wat zig van hier geabsenteert heeft en na Münsterland is gegaan" omdat hij een zekere Jannes W. "in ‘t aangezicht gesneden zou hebben" en "wegens het branden (= ongeoorloofd voortijdig aansteken) van een paaschvuur" door de Drost vervolgd zou zijn geworden. De vierde getuige, Jannes W.‚ wordt nu de vraag betreffende de verwonding gesteld, die bevestigend wordt beantwoord en tevens dat dit reeds 2 jaar geleden is gebeurd.

Tot zover het drankgebruik van de ingezetenen van Borne op het "Eldorado" het Hesseler rond 1780. Wat de beslissing was van het gericht is een vraag, die misschien nooit beantwoord zal kunnen worden. We zullen blijven zoeken!

*Dit artikel is eerder geplaatst in Boorn en Boerschop, nr. 1( 1997) en Oald Hengel, nr. 4 en 5(?) (1984).

Auteur:G.A.B. Nijhuis
Trefwoorden:Hesseler, Jenever, Gericht Borne, Voor de rechter
Personen:Benjamin Meijer, Aloff Düschaate, Gerritjan Grootenhoff, Gerrit Morsman Jan. Bussemaker, Sibrand Bussemaker, Hendrik ten Cate, Gerrit Bekkers, Jannes Strotten, Jan Bertelink, Claas Troost
Periode:1783
Locatie:Borne
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand