MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Een roofoverval op 'De hongerige Wolf' bij Hardenberg, 1740

Verhaal

In het jaar 1740 maken vier Groninger Heren een reis per koets van Groningen naar Kleef. In Hardenberg logeren ze een nacht in de herberg van de gemeentesecretaris en postmeester Kramer, „In den vergulden Engel". De volgende dag gaat de reis in de richting van Ommen. Een baken, in de verte op een hoogte geplant, geeft de juiste richting aan. Het is een snikhete dag. Hieronder volgt een fragment van hun reisverslag:

„De gemelde baak voorbij zijnde, staken (we) over naar de herberg „De hongerige Wolf", die daar midden op deze grote heide staat. Doch eer wij daar quamen moesten wij bijna van de overgrote hitte smelten, zijnde tusschen de heuvelen in het barre sant, dat de zonnestralen weder terugkaatste, en heel stil en gansch geen wind was, zodat onze paarden voetje voor voetje moesten gaan, hetwelk ons des te langer in deze nare hitte deede blijven, maar quamen eindelijk om half elf aan den Hongerigen Wolf". In de schaduw van de bomen voor de herberg staan tafels en banken. Nadat de heren hun paarden van voer hebben voorzien, maken ze het zich daar behaaglijk en bestellen een „kloddertje" (een borreltje).

Donkere lap

De knecht van de herberg komt het bestelde buiten brengen. Hij ziet er afschrikwekkend uit met een donkere lap voor zijn ene oog en een litteken op zijn wang. Dat schrikt evenwel de jongste der Groningers niet af. Hij merkt op dat er bij „De hongerige Wolf", waar het zo stil en afgelegen is, niet veel te beleven zal zijn. „Van wolven zullen jullie ook wel niet meer zoveel last hebben", lacht hij. „Schijn bedriegt", krijgt hij ten antwoord van de knecht, „nog geen half jaar geleden is onze herberg overvallen door een roversbende". Daar willen de reizigers meer van weten, maar de man met een lap voor het oog is niet erg mededeelzaam. Als ze bij hem aandringen er iets van te vertellen, zegt hij: „Ik zie het nog voor me, ik had toen mijn beide ogen nog.

Bij zonsondergang komen ineens zo'n vijfentwintig of dertig bandieten op onze herberg af. Hun dreigend geschreeuw verbreekt de avondstilte. Mijn baas, onverschrokken als altijd, gaat hen tegemoet en belet het gepeupel de toegang tot zijn huis, maar hij wordt neergestoken met een mes. Ik snel te hulp, maar wordt door een kogel in het hoofd getroffen en verlies het bewustzijn. Wat er daarna gebeurde, weet ik alleen maar van horen zeggen." En weg is hij, verdwenen in de herberg. „Nou, die is ook niet spraakzaam", zegt een der luisterende Groningers teleurgesteld. „Wat zou er verder gebeurd zijn?" „Dat kan ik u wel vertellen." Als onze reizigers opkijken, zien ze aan een ander tafeltje een oude man zitten. „Ik ben de vader van de waardin", vervolgt hij, „als het verhaal van de overval u interesseert, wil ik u wel vertellen wat hier een half jaar geleden gebeurd is.

De waard, mijn schoonzoon, werd inderdaad neergestoken door die schurken en zijn knecht werd door een pistoolschot buiten gevecht gesteld. Versteend van schrik ziet mijn dochter, de waardin, hoe de naderende rabauwen haar man verwonden met messteken. Dan vlucht ze met haar kleine baby en de meid de trap op naar boven. Op een zolderkamertje kruipen ze in de bedstee en trekken de deurtjes achter zich dicht. Hijgend en met bonzend hart horen ze het lawaai dat opstijgt uit de gelagkamer. Het gaat daar niet zachtzinnig toe. Geschreeuw, getier, gerinkel van brekend glaswerk, pistoolschoten dringen boven door. De woeste troep is op zoek naar geld, kasten worden opengebroken en doorzocht, de weinige gasten hardhandig aangepakt en beroofd van hun bezit. Drank is er genoeg en die laten de deugnieten rijkelijk door hun dorstige kelen glijden. De vrouwen boven luisteren in angstige spanning. Klinken daar voetstappen op de trap? Zullen de door drank verhitte kerels ook boven gaan zoeken of daar iets van hun gading is? Wat staat hen te wachten?

Vreselijk schouwspel

Dan opeens is er alarm. Het sein van opbreken wordt gegeven. Sneller dan ze gekomen zijn verlaat de woeste bende „De hongerige Wolf". Ze zoeken een veilig heenkomen door de zandduinen en verdwijnen in de duisternis. Uit de gelagkamer stijgt zwak het gekreun van de gekwetsten. Het duurt lang voordat de vrouw uit de bedstee durft te komen. Ze verlaat haar schuilplaats en sluipt de trap af. De dienster blijft boven met het kind. Alles is donker beneden. Koortsachtig zoekt de waardin naar kaarsen in het achterhuis. Als die eenmaal branden, wacht haar een vreselijk schouwspel. Te midden van stukgeslagen huisraad ziet ze de kermende knecht met een bloedend hoofd languit op de plavuizen van de gelagkamer liggen. Een ander, die gewond is, hangt tegen een opengebroken kast, maar haar eigen man, waar is haar man? Ze haast zich naar de wijd openstaande deur en ontwaart buiten iemand die roerloos op het erf ligt, badend in zijn bloed door de vele messteken. Ze ijlt naar buiten en knielt bij het slachtoffer neer, ze roept zijn naam, maar komt spoedig tot de ontdekking dat haar man niet meer leeft.

Een der gasten, die een schampschot aan zijn arm heeft opgelopen, komt naar buiten. Samen met de vrouw draagt hij het lichaam van de waard naar binnen. De schout van Ommen moet zo spoedig mogelijk van dit schelmstuk op de hoogte worden gebracht, maar vooral moet er een chirurgijn komen, want de knecht is er slecht aan toe. Een van de beroofde gasten, die alleen wat blauwe plekken heeft opgelopen, neemt die taak op zich en vertrekt haastig in het donker, nadat men hem de weg heeft uitgelegd, over Arriën naar Ommen. Er is wel moed voor nodig, want de roversbende kan nog niet ver weg zijn, maar deze zijn langs de Hessenweg meer in westelijke richting langs „de Sandtbergen" verdwenen. Na eindeloos lang wachten hoort men in „De hongerige Wolf" paardegetrappel naderen. Het is de schout met enkele gewapende ruiters en een chirurgijn. Deze laatste kan bij de waard alleen vaststellen dat de man dood is. De knecht wordt bij kaarslicht onderzocht. Hij is getroffen door een pistoolschot aan het hoofd en zal een oog moeten missen.

"Met de galge gestraft"

Allen die kwetsuren hebben, worden onderzocht en goed verbonden. Bij navraag door de schout kan niemand namen noemen van de overvallers. Ook kent men ze niet van gezicht. Een achtervolging van het gespuis na zoveel uren in de nacht heeft geen zin. De volgende dag bericht de schout aan de Drost van Salland wat er gebeurd is bij de herberg „De hongerige Wolf". Diezelfde week, op zaterdag 19 maart 1740, vergaderen de Heren Staten van Overijssel. De drost van Salland is ook ter  vergadering aanwezig en informeert de heren dat er op 16 maart in de avond een afschuwelijke moord en een brutale roofoverval heeft plaatsgevonden in het Carspel Ommen in de herberg „De hongerige Wolf", eerder ook wel bekend onder de naam „De Koetswagen". De Heren Staten zijn geschokt door dit bericht. Reeds enkele malen zijn er ordonnantiën bekend gemaakt, omdat er meer en meer klachten komen, vooral op het platteland, dat allerhande soorten van „bedelaers,  vagabonden ledighgangers, mans, vrouwen, jonc en out, heerlose knechten, gewaende heijdenen, ende diergelijcke schuijm van menschen de goede ingesetenen van dese provincie seer ondraeglijck worden op allerhande manieren". „Velen van die bedelaers worden bevonden gewapentte zijn met halve pieken, verrejagers, gepende kodden, degens, pistolen, ofte heijmelijck ofte openbaer geweer"*. Ook al dreigen ze daar niet mee, ze zullen toch veroordeeld worden „ende in cas (in het geval dat) sich jemant mocht onderstaen (het wagen) zich geweldelijck in oppositie te stellen met schietgeweer, sal sonder conniventie (onverbiddelijk) met de galge gestraft worden."

Hoge beloning

Ook de strengste straffen die onder meer gesteld zijn tegen „dieverijen, huijsbraken, gewelddaderijen, gewapenderhand door geattroupeerd en tesamen gerot volk met hun gruwelijke bedreigingen, knevelarijen en onmenselijcke mishandeling van goede opgesetenen", hebben dus niet voorkomen dat deze aanval heeft plaats gehad. De drost heeft het vermoeden dat velen uit angst voor wraak geen namen durven noemen. De Staten van Overijssel geven hem toestemming om een hoge beloning uit te loven voor inlichtingen die leiden tot de arrestatie van de schuldigen aan dit misdrijf. In het notulenboek wordt daar uitvoerig melding van gemaakt: „Saturdag, den 19 maert 1740 De Here Droste van Salland, ter vergadering hebbende voorgedragen, dat (hij) geinformeerd was dat den sestienden deser, des avonds een execrabele (verfoeilijke) moord en violente diefstal zij gepleegd in het Carspel Ommen op de Hare in den herberg „De Koetswagen", is goed gevonden de Here Droste van Salland met desen te auctoriseren (toe te staan) om bij publicatie en in de couranten een premie van tweehonderd silvere ducatons te beloven aan die gene, die de daders, of ene, of meer van deselve, sal ontdecken, so dat (ze) in handen van de justitie geraken en van 't feit worden overtuigt (dat hun schuld wordt bewezen), met impuniteit (kwijtschelding) van straffe aan de medeplichtige, en van secretesse (geheimhouding) van des aanbrengers naam sulx begerende." De drost van Salland wordt verzocht om de beloning eventueel uitte betalen. In de notulen wordt vastgelegd dat hij de tweehonderd silvere ducatons terug zal krijgen van de Staten." „Heeft het uitloven van een dergelijke hoge beloning nog iets uitgewerkt?" vraagt een der Groningers. „Reken maar", krijgt hij ten antwoord, „onlangs zijn vijf van de ergste schelmen opgepakt en geboeid naar Zwolle overgebracht, waar ze hun verdiende straf niet zullen ontgaan."

Doofstomme man

Het verhaal is uit. De geschiedenis van de roofoverval op de herberg doet de heren uit Groningen besluiten zo gauw mogelijk te vertrekken. De haverzakken van de paarden, die hun „voertje" hebben gehad, worden opgeborgen, de verteringen afgerekend en binnen een half uur na aankomst hebben de heren „De hongerige Wolf" verlaten. De reis gaat nu in de richting van Ommen. De tocht verloopt moeizaam door het hete mulle zand. Talloze keren blijven de wielen van de wagen steken in diepe kuilen en karresporen. Dan moet iedereen uitstappen en helpen om de wagen weer in het goede spoor te krijgen. Het duurt een uur voor ze in Arriën zijn.

Onderweg krijgen ze de schrik van hun leven, want achter de koets ontwaren ze plotseling een boom van een kerel, die heel zonderling doet. Met de ene hand achter het oor en met de mond wijd open, blijft de vreemd uitgedoste reus op blote voeten de koets volgen. Achteraf blijkt het een doofstomme man te zijn die niets kwaads in de zin heeft. Maar onze reizigers halen niet eerder gerust adem dan wanneer ze veilig en wel in Ommen zijn aangekomen. Daar stappen ze af bij de herberg van de onderschout Derk Nagel. Ze besluiten die nacht bij hem „In de Roskam" door te brengen. Een van de heren gaat niet slapen alvorens hij de wederwaardigheden van die dag aan zijn reisverslag heeft toegevoegd. Dankzij hem kunnen wij hierover vertellen.

* piek = lans met platte ijzeren punt (later vervangen door bajonet)
Verrejager = een lange stok met ijzeren punt
gepende kodden = knotsen of stokken met scherpe pinnen of punten (denk aan koddebeier: jachtopziener met een stok, knots)
**Gegevens voor dit verhaal komen uit een reisverslag in het familiearchief van Drs. MAE. Jonxis te Paterswolde en uit het rijksarchief te Zwolle. De afbeeldingen komen van de familie Stoevelaar.
***Dit artikel is eerder gepubliceerd in het tijdschrift "Rondom den Herdenbergh" van 1991 8/2.

Auteur:C. Lina
Trefwoorden:Overval, Voor de rechter
Periode:1740
Locatie:Ommen gemeente
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand