MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel

Geen dank

Verhaal

GEEN DANK - OOK GEEN ZEGEN?

Het is mei, en tevens heerlijk, zonnig voorjaarsweer. Gelukkig, want bij de meeste boeren is in de schuren het hooivak leeg. Hoewel de ervaring leert, dat men ook nog in de eerste meidagen moet rekenen op wat schraalte en kou, zegt de overlevering - en zij heeft een taai leven - dat de laatste dag van de grasmaand het vee van stal kan, en het gras op het land behoort te wezen. Ook hier het verschijnsel, dat de mensen hun eigen tekortkomingen onze lieve Heer trachten aan te rekenen. Een oude boer, te spaarzaam om voor ruimte voor stalvoer te zorgen, zal in de eerste dagen van mei zijn vee in de wei een hoge rug zien trekken van verkleuming, het onder de houtwallen en heggen krimpend zien wegschuilen voor hagelslag en noordenwind, en zal u zeggen: “'t Is meie, mieneer! Ik hebbe mien plicht 'edoan." Waarbij hij denkt, maar niet zegt: "Onz' lieve Heere heurt nou te zurgen veur de rest!" De zuinigheid bedriegt zo de wijsheid en de vroomheid.

Maar, zoals we zeiden, het is lenteweer en er is gras. Als u nu soms een goede kennis onder onze boeren hebt, en u wenst eens een dag bij hem door te brengen of hem bij u thuis te zien, neem dan de goede raad van ons aan, om daarvoor van deze tijd gebruik te maken. Zo van half mei tot half juni zijn het rustige weken. Daarna valt de drukte in van maaien en hooien, en vóór die tijd reppen zich alle handen om, behalve voor de bewerking van de aardappelvelden, te zorgen voor het uitdiepen van sloten, het herstellen van wallen, het aanbrengen van hekken en andere afsluitingen, teneinde het naar buiten hunkerende vee straks binnen de grenzen te houden van zijn groene weiden.

Op een van deze kalme voorjaarsdagen breng ik u bij Nikolaas Verhoogen, doorgaans met toevoeging van vaders naam Berends Kloas genoemd. Ik weet zeker, dat u de opmerking zult maken: wat woont die man daar mooi! Immers, terwijl u het zijhekje doorgaat, dat door zijn schuine stand met een luide slag achter u dichtvalt, ziet u door een niet lange, maar brede laan van bloeiende vruchtbomen het ouderwetse maar flinke boerenhuis liggen. Het is omringd door zwaar geboomte; iets waarvan onze landlieden houden: het is "zo'n beste beskuttinge veur 't huus in 't noajoar." Twee forse beuken vormen vóór de boerderij een ruime boog, waardoorheen u de gevel ziet, helder verlicht door de lentezon.

Voor we nu echter op het huis toetreden, verzoeken wij u even geduld te hebben. Een ommezien slechts, en wel in dubbele zin. Wij nodigen u namelijk uit, om een ogenblik stil te staan en u om te keren, teneinde uw aandacht te vestigen op een arbeiderswoning, die met een heel klein lapje grond eromheen vlak tegenover de ingang van Verhoogens erf aan de overkant van de weg is gelegen. Zoals u bemerkt, heeft men uit dat huisje het zicht op de boerderij en kan men omgekeerd uit de hofstee het erfje en de woning overzien. En omdat er natuurlijk op ons dorp geen stuIp, geen hoekje bouwgrond, wat zeg ik? geen kar of wagen zelfs is, waarvan wij u de eigenaar niet weten aan te wijzen, kunnen wij ook in dezen man en paard noemen en meedelen, dat de eigenaar en bewoner van de boerderij tevens dit kleine eigendom wettig het zijne noemt.

En nu gaan wij verder, het geschreeuw van een troep ganzen trotserend, en met duizend lovertjes bestrooid door de overhangende takken der vruchtbomen.

De boerderij en vervolgens het woonvertrek binnentredend, ziet u duidelijk dat het geen drukke tijd is. Verhoogen heeft bezoek en zit rustig met zijn gasten te praten. Als hij ze op zijn manier aan u voorstellen wilde, zou hij met de vinger u de personen aanwijzen en zeggen: "Dit is mien ome Lubbert, en dit is mien meu[1] Femmegien, en die vier bint de kiender van heurluden." Een dorpsgenoot, die met zijn vrije tijd geen raad wist, had bemerkt dat Berends Klaas visite had en daarom zichzelf uitgenodigd. U hoort dat hij in deze kring noemen "mieneer Botting" genoemd wordt. Die titel heeft hij te danken aan zijn vroegere betrekking van klerk op het kantoor van een notaris. Sinds hij op middelbare leeftijd een erfenisje heeft gekregen, heeft hij zijn kopieerpen neergelegd en in onze gemeente domicilie gekozen, alsmede het beroep van dorpswijze.

Zoals de Friese klok achter vrouw Verhoogen u zegt, is het half vier. Men drinkt een kopje thee als intermezzo tussen het stevige middagmaal van twaalf en de boterhammen met koffie van straks vijf uur. Alle gezichten staan buitengewoon vrolijk en de gastvrouw lacht zelf zo overmatig, dat haar de tranen in de ogen lopen, en ze genoodzaakt is, het schoteltje, waarin ze gloeiende thee had gegoten[2], op de tafel te zetten. Oom Lubbert was weer bezig zijn onverbeterlijke grappen te vertellen.

"Bij ons op Noordvene," zo verhaalde hij daarnet, "is van 't winter 'n oavendskoele[3] 'holden. Dat dee de nije undermeister, 'n oarig geleerd man, die de jongeluden veule leren kan, da' zie niet weten. Nou goeng Jan Ploeger d'r ook hen, 'n knoap van 'n joar of zestien, moar niet van de slimsten. En op 'n oavend, dat ’t vinnig kold was, was de meister al mit d' aeren in de weer, en daar komp Jan binnen. "G'n oavend, meister!" - "Goeien avond, Jan!" - "Jonges, jonges, meister, wa' knipogen zie buten weer!" - "Wat zeg je, Jan, wie bedoel je?" vroagt d' undermeister, - "lk miene, meister, dat de sterens (sterren) zoo knipogen." "Ah zo! - maar, Jan weet je weI wat die sterren eigenlijk zijn?" - lk denke van lochies (lichtjes) zoas keersen of laampen!" zei Jan. Moar toe begos de meister de jonges te vertellen, dat de sterens zo groot weI bint as d' eerde, en soms nog veule groter;  en dat 'r apperent[4] ook weI minsen en beesten op leven, en d'a zie alIe gelieke mit 'n vliegende voart deur de locht draeien ... , Nou, Janboas wist dan niet, wat of hie heurde. 't Was 'm niet meugelijk, om 't te geleuven. En toe de meister vertelde van de vliegende voart, toe goeng 't 'm te veer, en toe zeidie hardop: "Meister, dat lieg ie!"

Een luid gelach barstte los bij het slot van het verhaal. Ome Lubbert had zijn oude roem gehandhaafd. " Woar in de wereld haeIt hie toch altied zien malIe vertellegies vandoan?" vroeg vrouw Verhoogen, terwijl ze met haar blauwkatoenen zakdoek zich de tranen afwiste.

Hoe bont volgen de tonelen elkaar in het leven op!

Daar gaat op hetzelfde ogenblik de deur open bij Verhoogen, en een oud, gebrekkig vrouwtje strompelt met zoveel moeite binnen, dat plotseling de Iach van aanwezigen plaats maakt voor de uitdrukking van ernst en medelijden.

"Wie is dat?" fluisterde meu Femmegien. En vrouw Verhoogen antwoordde heimelijk: "Olde Triene!" – een antwoord dat haar tante niet wijzer maakte.

De oude vrouw leunde op een stok. Zij droeg een schoudermantel, die vroeger de algemene dracht van onze boerinnen was bij koud of regenachtig weer. Oorspronkelijk van zwart grein[5] en van binnen gevoerd met wit flanel, was de mantel van ons besje van buiten groenachtig geworden en de voering geelgrijs. Onder dit bovenkleed ziet u een lang uitgesneden jak en de borst bedekt met een witte halsdoek. Een zwarte rok en een zware wollen boezelaar[6] hinderden de oude volstrekt niet bij het weI zachte, maar toch aItijd nog frisse lenteweer. Haar gezicht was omlijst door een breedgeplooide muts, waarvan de banden met een grote strik boven op het hoofd waren vastgemaakt. Over heel die ouderwetse kleding lag een waas van zindelijkheid en zorgvuldigheid, die tot instemming noopte met het algemene oordeel, dat 't “'n helder old minse” was.

Het stramme lichaam moest zij geheel omkeren om de deur weer dicht te doen. - "Dag saemen!" kuchte ze, en viel op de eerste de beste stoel bij de tafel neer.

"Hoe is 't, olde Triene, broaf vermeuid?" vroeg deelnemend Verhoogen.

"Wisse bin 'k vermeuid, Kloas! - mit sunte Steffen[7] ook al zeuventig 'ewest", antwoordde ze en ze keek bij deze mededeling min of meer zegevierend rond.

"Lust oe 'n koppien thee, Triene?" vroeg vrouw Verhoogen, en het woord bij de daad voegend, schoof ze haar een kopje toe, nadat ze op het schoteltje een kolossaal stuk kandijsuiker gelegd had. .

"Nou," zei het oudje, onverschillig het aangebodene naar zich toehalend, “'k geve aers[8] niet veule om thee. Mag 'k oe sukerskere[9] 's hebben?" - En met dit instrument brak zij de klont tot gruis.

Na enige ogenblikken legde de oude vrouw haar hand op de arm van Verhoogen, die naast haar zat, en zei zo vriendelijk als ze kon: "Heur 's, Berends Kloas, ik wol oe 's wat zeggen. Ik moet uut mien husien; 't kan niet langer, zegt knieperige Jannes. Joa – en haar gezicht betrok aanmerkelijk – joa, knieperig nuum 'k 'm. 'n Old minse jaegt hie zien husien uut, omda' zie niet altied betaelen kan. . . . ‘t Is bij Jannes krek[10] aers as bij mij. Mien wille is goed, moar ik kan niet; en hij hef 't weI in de macht, moar hij wil niet."

Verhoogen kwam daartegen op. Hij zei, dat hij met de omstandigheden van de man bekend was, en kon best begrijpen, dat hij met zo'n zwaar gezin wekelijks de huur van het huisje nodig had.

"Nou moar," begon olde Triene weer vriendelijker, "nou stoat oe husien leeg, Kloas; en as 't kan, wol 'k het geern van oe huren. Wat dunkt oe? en hoeveule moet het wezen?"

Verhoogen dacht een ogenblik na. Dat ogenblik was echter naar de zin van het oudje te lang.

"Koman, wil 't  'r niet uut?" vroeg ze. Maar toen ook daarop Verhoogen nog niet onmiddellijk antwoordde, vervolgde Triene:

"As 't nee is, zeg 't dan moar ronduut. Ik hebbe 't weI edocht. . .. Is dat nou, Kloas, omda 'k ’n rooms minse binne, zeg?" ̶  En bij die woorden maakte haar vriendelijkheid zo volledig plaats voor wrevel, en er sprak zoveel toorn uit het oude oog, dat u onwillekeurig het vrouwtje eens aanzag, en op een onaangename manier uw afkeer voelde strijden tegen uw medelijden.

Verhoogen scheen aan zulke uitvallen van haar gewend te zijn. Althans, hij schudde slechts even het hoofd, terwijl hij glimlachte. Zijn vrouw echter, die ook nu nog op veertigjarige Ieeftijd hem liefhad en naar hem opkeek, zoals zij het zeventien jaar geleden op haar trouwdag gedaan had, kleurde een beetje en begon verontwaardigd:

“Fij toch, Triene, Kloas hef nog nooit ... " Maar haar echtgenoot legde haar met een wenk het zwijgen op en zei opgeruimd:

"Koman, olde, nou niet meer grommen! Vertel nou eerst moar 's: hoeveule heb ie van oe jaekenije (diakonie)?

"Krek twee gulden in de weke, en gien cent meer!"

"Zo!  ̶  En wat verdien ie mit breiden en spinnen?"

,,'n Gulden zowat. 't Is 'r ook weI 's ’n dubbeltien over, moar deur de baank 'n gulden."

"Nou, en dan is 'r toch ook nog weI 'n goed minse, die oe wat gef van tied tot tied!”

"Kom, Kloas, da's moar onneuzele proat van oe!" – en het was bij die woorden, aIsof er een onweer samentrok op het oude, gerimpelde gelaat. "Wie denkt um olde Triene? De veurige weke goeng Jan OabeIs veurbij en hij begos 'n proatien. Nou, denk ik, rieke boer! Nou zul ie dan toch Triene weI wat geven. En wat dot hie? G'n dag!  ̶  was 't  ̶  en vort goeng hie .... De minsen moesten de wereld moar 's kennen, zoas ikke," lachte ze schamper, en daarop bleef zij een ogenblik in somber gepeins zwijgen. Ze schudde het hoofd en bewoog ontevreden de lippen. - "Lestent (laatst)," begon ze opnieuw met verheffing van stem, "Iestent wordde vrouw Oosterman begraeven, en alle aarme luden die d'r bij waeren, kregen riekelijk van 't begraffenismoal[11]. ’t Was mij te wied weg, moar ik dochte: zie zullen oe niet vergeten. En wat mien ie, da 'k 'r van had hebbe? . . .  Krek zoveule, volk! as hier op mien haand ligt!" – en ze legde bevend en toornig de lege oude hand op de tafel. - "Neen, Kloas!" besloot ze met minachtend gebaar, "as Triene 't van de minsen hebben moest, dan was 't beter veur heur, da' zie moar uut de tied was"[12].

Maar nu was de maat vol bij vrouw Verhoogen. "Hou ‘s, olde Triene! Da' kan 'k toch niet best heuren. D'r gaat gien winter veurbij of de pestoor gef oe eerappels, meer as genog. Vrouw van der Boon hef oe ’n paer moanden 'eleden 'n beste wollen rok 'egeven. Mit de nijjoarsgoaven[13] hebben z' oe ook fiks bedocht. En niet da 'k er proat van wil hebben, moar van onsluden[14] kun ie toch niet zeggen, da' we niet om oe denken!"

Hierop zweeg het oudje. Maar haar zwijgen kunt u uitleggen zoals u goeddunkt. Door blik noch woord verraadde zij, of ze van ondankbaarheid overtuigd zich stilhield, danwel of zij het verstandig achtte, de lieden maar te laten praten.

Toch brak er een zonnestraaltje door de wolken van haar ontevredenheid, toen Verhoogen opnieuw over zijn huisje begon te spreken en haar meedeelde, dat zij tegen een zeer geringe huurprijs het betrekken kon zodra zij wilde. Triene verklaarde, dat het braaf van hem was, en het hem knap stond, dat hij niet te veel vergde van een arme oude vrouw. Haar lof temperde zij weI door te zeggen, dat ene minder zachte bejegening van een oude stumper als zij was, "onbeheurlijk" zou wezen. Maar toch was zij blijkbaar in haar schik met de uitslag van de onderhandeling, toen zij de mantel dichter om de schouders trok, en zich tot vertrekken gereed maakte. Leunend op de stok stond zij op en zei: "Nou Kloas en Roelefien, 't beste!" terwijl de rest van 't gezelschap een hoofdknik kreeg en: "G'ndag, allemoale!"

"WeI he 'k van mien levent!" riep meu Femmegien, toen Triene de deur achter zich had dichtgetrokken. En zij schudde het hoofd beurtelings tegen ieder in de kring.

"Joa, 'k zegge 't oe, 't is 'n vremd minse, ’n wonderboarlijk vremd minse!" bevestigde vrouw Verhoogen.

"Krek mien olde blesse," schertste oom Lubbert: hoe meer joaren, hoe meer kuren!"

Maar onze ex-klerk zette een ernstig gezicht en sprak deftig vermanend: "Zo zijn ze nu allen, Klaas Verhoogen en Lubbert Bergman! Je mag het geloven of niet, maar zo zijn ze, de arme lui. Als je wat voor hen doet, worden ze brutaal toe. Hoe meer notitie je van hen neemt, des te meer eisen ze. In de stad houden enige heren voorlezingen voor het volk. Allemaal malligheid! Want wat denk je, dat de mensen doen! Als ’s avonds de voorlezing is afgelopen, gaan ze naar de kroeg. Denk je, Verhoogen, dat je ooit iets anders dan last zal hebben van dat ouwe mens? Niet omdat ze Rooms is. lk ben, Goddank!, liberaal genoeg. Maar let 's op hetgeen ik je zeg: Ondank zal je loon wezen!"

"Nou joa, - ondaank!" zei Verhoogen, terwijl hij onverschillig het hoofd even achterover wierp. Blijkbaar wou hij zeggen, dat dank of ondank nu juist de spil niet behoeft te wezen, waarom dergelijke zaken zich bewegen.

"lk vertel je, man, dat ik bij ondervinding spreek. Ik heb het eens gehad, dat in mijn buurt een arm gezin erg aan het sukkelen was. Toen de meesten weer wat opknapten, zei ik op 'n middag tot de meid: kom, breng jij die schotel met aardappelen en dat stuk vlees ernaar toe, en ik deed er nog een halve fles wijn bij. En denk je dat ze mij later nog eens kwamen bedanken? Niets er van, en zo zal het jou ook gaan!"

"Triene is 'n old, gebrekkelijk minse, mieneer Botting. Heur man is dood. Zie hef twee kiender 'had, en iene d'rvan is overleden en d' aere is noa Grunningerlaand verhuusd, en doar heurt zie niks meer van."

"Dat is allemaal tot je dienst, Verhoogen! Maar je hebt gehoord, hoe zij zich uitlaat over mensen, die haar hebben geholpen. Zo zal ze natuurlijk over jou en je huisgezin ook spreken, reken daarop!"

,,O," luidde het antwoord, "zie kos weI wat oariger wezen, doar wi 'k niet van zeggen. Maar 'n minse kan alles niet krek zo kriegen, as hie het hebben wil. En olde luden bint weI meer zo wat nukkig!"

"Nou, jij moet het weten. Je praat er tenminste licht genoeg over. Maar ik wil eens horen, wat je later zeggen zult, als je alle dagen met de ontevredenheid van het ouwe schepsel te doen hebt."

"WeI," klonk het lachend uit Verhoogens mond, "wel, ik zal niemendal zeggen, en heur 'n betien loaten grommen!"

Daar onze wijsgeer geen kans zag de ander te overtuigen, zweeg hij, en Verhoogen liet eveneens de zaak rusten. Wat ome Lubbert aanleiding gaf, om het debat te besluiten met de opmerking: "De stemmen staeken, onze volk!"

Op een afstand van tien minuten gaans van Verhoogens boerderij lag het huisje, dat de oude vrouw, met wie wij kennis maakten, moest verlaten. Op een maandagmorgen, kort na het sluiten van de nieuwe huur zien wij olde Triene voor het laatst uit het huisje komen.

Zo-even had de knecht van Verhoogen haar inboedel op de wagen geladen, en was er mee weggereden. Twee stevige jonge deerns[15] en een boerenknaap van een jaar of dertien, allen kinderen van Verhoogen, hadden bij het opladen geholpen en ook zij waren op Triene's verzoek weggegaan, enkele voorwerpen dragend, die men liever niet toevertrouwde aan het schokken van de wagen.

Ons oudje kwam naar buiten, en zette haar stok tegen de deurpost, om met de nodige zorgvuldigheid het huisje te sluiten. Zij trok de onderdeur aan de klink, stak daarna de sleutel in de bovendeur, sloot die en duwde er met de handpalm tegen aan, om zich te verzekeren, dat ze dicht was. Vervolgens nam ze de stok weer op, en keek nog eens door het venster naast de deur naar binnen, terwijl ze met een knorrige zelfvoldoening mompelde: "Ziezo, nou zullen zie toch niet zeggen, dat Triene de boel zo maar smerig hef loaten liggen!"  ̶  Toen keerde zij zich om en liep met de mantel over de linkerarm en de stok in de rechterhand langzaam het pad af, dat over een klein erf naar de weg voerde.

“'t Is toch wat te zeggen. Old en rimmetiekig, en dan verhuzen!" klaagde zij half luid, terwijl ze het hoofd schudde.

"Goed, da 'k moar gien eerappels hier 'epoot hebbe," zei ze daarna, met een blik op het lapje grond tussen het huis en de weg.

Het plankje, dat als vonder diende over de greppel die langs de weg liep, ging zij over, en ze zei half luimig "Pas op olde, da' je nou niet veur de leste maole misstappen!"

Na een kleine afstand trad zij de woning binnen van een buurvrouw, aan wie zij de sleutel gaf, met het verzoek, die door een van de kinderen naar de eigenaar te laten brengen.

"Nou, Trienebuur, goe reize, en 't beste!"

"Daank, joe ook zo!" En Triene vervoIgde haar weg.

"Wacht, ik zal oe!" dreigde ze met opgeheven stok buurvrouws hond, die even aansloeg. "Die gloeperd hef mij de veurige weke 't brood van de toafel 'esteulen!" zei ze onder het voortgaan, half tot zichzelf, en half tot de buurvrouw, die haar niet meer verstaan kon.

lntussen waren de vier helpers met hun tilbare have in de nieuwe woning aangeland. En lang voordat de eigenares verscheen, was alles reeds afgeladen en binnengebracht. Een vijftal stoelen, twee kleine tafels, een bed met toebehoren, een oude klok, een ouderwets bureau op drie poten, waarin de wormgaatjes niet meer te tellen waren, maar met helder glimmende koperen plaatjes en hengseltjes; voorts enig haard- en keukengereedschap, een bundel kleren, een spiegeltje en wat aardewerk, ziedaar alles wat Triene op aarde bezat. Een ogenblik was men van plan geweest, om de oude vrouw te verrassen, door alles schielijk een plaats te geven, maar tijdig kwam men daarvan terug, ten gevolge van de verstandige opmerking, door een van de meisjes gemaakt: ,,'t Mocht 's niet noa 't zin wezen!"

Zodra nu de nieuwe bewoonster was aangekomen en zich had neergezet, vroeg men haar wat er te doen stond. Met de grootste ijver volgde ons viertal haar wenken op, en vooral Jan, het zoontje van Verhoogen, hielp uit alle macht. Het ging de oude vrouw dan ook zeer naar haar zin, en bijzonder welwillend sprak zij: "Fiks zoo, maegies[16], hang nou de gerdienen moar veur de glaezen!" En tot de knecht: "De klokke moar noast het bedde mien jongen!" En tot Jan: "WeI jongien, ie binnen joa zo staark as 'n klein peerd."

Had zij dit laatste in vredesnaam maar niet gezegd! Toen het bureau een plaats had gekregen tussen de deur en het kleine zijraam, zag Triene, dat het niet precies in het midden stond. "Nog 'n klein ziertien noa de westkaante!" verzocht ze. Waarop Jan volijverig het bedoelde meubel aanpakte en het uit al zijn kracht opzij trok,  ̶  met het ongelukkige gevolg, dat de tweede poot krakend afbrak en naar het midden van het kleine vertrek rolde.

"Kwoajongen, wa' mankeert oe? Blief 'r of, zegge 'k oe! 'k zal oe leren, 'n aer zien goed te verrenuweren[17]!"  ̶  En die woorden gingen van zulke heftige gebaren vergezeld, dat Jan, uit angst om met de stok van de oude vrouw kennis te maken, het geraden achtte zich verder van Triene en dichter bij de deur te posteren. Maar toen hij zich buiten gevaar zag, werkten zijn ongeIuk en de toorn van de oude zo op zijn lachspieren, dat het hem onmogelijk was een effen gezicht te zetten. Zijn oudste zuster drong hem daarom met zacht geweld naar buiten, en bewoog hem naar huis te gaan.

De gebroken poot zette men weer op zijn oude plaats en Triene moest toegeven, dat geen mens de breuk zien kon. Maar de vriendelijke bui was voorgoed voorbij. Toen na afloop van het werk een van de meisjes opmerkte, dat zij nu zeker voor vanmiddag geen eten gereed had, noemde zij dit ,,'n onneuzel zeggen", want wanneer en waar had zij voor haar middagmaal kunnen zorgen? En toen de eerste verklaarde, dat zij het zo niet bedoeld had, maar dat zij haar had willen voorstellen, wat eten voor haar van huis te halen, verklaarde Triene, dat zij dit heel graag wilde, "ten minste as oe moeder dat veur 'n old minse over hef."

Het duurde niet lang na het vertrek van de knecht en de beide dochters van Verhoogen, of een van deze keerde terug met een middagmaal, dat het oudje zich liet smaken. Tevens kwam zij met de boodschap van moeder, dat Triene eIke morgen, als ze wilde, karnemeIk kon krijgen. "lene van ons kan 't oe weI brengen," luidde het slot van de mededeling.

"Nou, da 's goed, kiend! Moar heur 's, vroag oe moeder of 'k 's oavens niet 'n weinegien brij van heur mag hebben in plaetse van de kaarremelk. Meuglijk is 't oe moeder geliek, en ik hebbe 't veule liever. Zu 'je 't zeggen?"

"Joa, wisse za 'k 't zeggen, dag Triene!"

Onwillekeurig lachte de dochter, toen zij het verzoek aan haar moeder overbracht. "Altied hef zie wát!" zei ze, en moeder beaamde: "Joa, 't is 'n nuver[18] old vrommes!"

Maar dit nam niet weg, dat alle avonden een van Verhoogens kinderen het begeerde eten naar de kleine woning bracht. En vrouw Verhoogen placht te zeggen, als ze zag dat haar meisjes Trienes brij gereed maakten: "Maegies, doet 'r veural goed wat stroop in: bejoarde minsen holden van zutigheid."

De nieuwe buurvrouw was een getrouwe kerkgangster. De eerstvolgende zondagmorgen vond Verhoogen haar dan ook reeds om acht uur geheel en kraakzindelijk gekleed. "Zo, zo," sprak hij, "al in de kleren? WeI, de reize moet oe toch weI meuilijk wezen, Trienebuur!"

"Joa, moar da 's niks, Kloas, da 's niemendal!" – en zij maakte tweemaal een afwerende beweging met de hand. "De pestoor hef ezegd: Volholden moar!  ̶  volholden! zeg hie. En hij hef geliek. Ik binne dichter bij 't ende as bij 't begun. Zien plichten moet ’n minse zo laank meug'lijk waernemen . . .  Moar," klonk het plotseling, met verandering van stem, "moar wa 'k zeggen wil, Kloas. Zol dat niet kunnen, da 'k zundags ’n betien middageten van oe kreeg? Ie moe 'n rekenen, Kloas, om tien uur of half elf goat de kaarke uut, dan moe 'k dat ende nog weerumme lopen. As 'k dan thuuskoeme, dan bin 'k broaf vermeuid, dat ku 'je weI begriepen. En dan wet gien minse, hoe geern of 'k dan moar blieve zitten, woar 'k zitte." .... En alsof ze van Verhoogens gulheid zeker was, besloot ze met de vraag: "Wat denk ie, Kloas, zol 't kunnen? zol Roelefien 'r niks op tegen hebben?"

En Verhoogen sprak bemoedigend: " WeI nee, niemendal! wa' zol zie 'r op tegen hebben? Goa ie moar noa de kaarke, Trienemeu, en loat mij moar veur de rest zurgen!"

Zo was 't begin, en zo ging het voort. Het oudje veeleisend, knorrig, vol aanmerkingen “altied vol vieven en zessen"  ̶  en de Verhoogens toegeeflijk, verschonend. Boodschappen, die zij had te doen, deden de kinderen. Elke dag kwam op de klok af haar avondeten, en 's zondags met het slaan van twaalf haar middagmaal. Niets buitengewoons werd er in de boerderij gegeten of gedronken, waarvan zij niet haar deel ontving. Het bleef voor Triene geen geheim, als er een  jarige was, als er gasten waren gekomen, of als er "zo moar uut 'n oarigheid" wat extra's gebakken of gebrouwen werd: altijd kwam een schoteltje of een witte kom met een omgekeerd bord er op, zich verschuilend onder een boezelaar[19], stilletjes bij haar binnen en vertellen wat er aan de hand was. Prijzenswaardige volharding van die voorwerpen, te meer daar olde Triene zelden kon nalaten, om na hun inhoud met smaak verorberd te hebben, bij hun vertrek te zeggen, dat 't wat laf of wat hartig, wat zuur of wat zoet, “'n weinegien te veul an de dikke of an de dunne kaante" was geweest.

Soms maakte buurvrouw het werkelijk zo bont, dat de eigenares van de geheimzinnige boezelaar het te kwaad kreeg, en thuiskomend zei: "Fij, wat is ’t mij toch 'n naer minse!"  ̶  Dan gebeurde het weI eens, dat de kinderen de volgende dag tegenstribbelend gehoor gaven aan moeders bevel, om dit of dat voor de oude vrouw te doen, of aan haar te brengen. Maar in de regel kwam alles weer in de goede oude plooi, als Verhoogen zelf op een wenk van zijn echtgenote zich ermee bemoeide. Als bij instinct voelden zowel de zestienjarige Dina, als haar jongere zuster en broeders, dat ze tegen vader niet bestand waren. Niet in lichamelijke zin: Roelofje, zijn vrouw, zou u dat aan het verstand kunnen brengen. Zij placht tot haar buurvrouwen te zeggen:

Mit Kloas is 't 'n wonder! 'n Wonder zegge 'k oe! Buurvrouwe, 't is om zo te zeggen ongeIeuflijk, maar nog nooit ofte nimmer hef hie 'n haand uutesteuken noa de kiender; en toch, zie doen en loaten álles veur 'm. D'r komt altied weI 's wat veur in 'n huusholdinge, is 't woar of niet? Moar 't minste of geringste dat 'r mit de kiender an de haand is, dat wet hie zoo moar met 'n zacht proatien of te doen. Is 't niet oarig?"

Het mocht dan in haar ogen een wonder wezen, het was waarheid, wat vrouw Verhoogen vertelde. De kinderen mochten boos zijn, onwillig wezen om het hun opgedragene te verrichten, met opgewonden woorden hun grieven te berde brengen,  ̶  zodra de zaak  voor de hoogste huiselijke rechtbank kwam,  voelden zij zich ontwapend, klein, overwonnen. En die overwinning dankte het hoofd des gezins aan de zelfbeheersing, de deelneming, de redelijkheid, waarvan zijn woorden getuigden.

Olde Triene had, zonder dat zij het wist, een uitstekende advocaat in de eigenaar van haar huisje. Want elke storm die er opstak tegen haar norsheid en onaangename woorden, wist hij te bezweren door eraan te herinneren, dat zij 't met de ouderdom te kwaad, het niet te ruim en niet te vrolijk had, en dat ze zo "miseroabel rimmetiekig" was.

Het is in het drukste van het hooien. Weet u, beste lezer, wat dat zeggen wil?

Het wil zeggen, dat in opgeslagen hutjes, in hooischelven, onder omgekeerde schuitjes de maaiers nachtverblijf houden op het veld; zich wat rusten betreft op half, en wat werken aangaat op dubbel rantsoen stellen, en voor dag en voor dauw het vrolijk geklinkklank doen horen, waarmee ze hun zeisen vlughandig wetten. – Het wil zeggen, dat, nog voor de vroege zomerzon uit de kimmen verrijst, het zweet van de arbeider zich mengt met de dauw, die bij iedere slag van de zeis uit het gras opstuift als een stofregen, en die straks met al de kleuren van de regenboog de eerste zonnestralen zal toelachen.  ̶  Het wil zeggen, dat in de eerste ochtendschemering rappe handen bezig zijn, om slaperige paarden in het gareel te slaan, en daarna de dieren, onwillig om reeds nu zich de dromerigheid van de leden te schudden, ertoe zetten om rennend de jongens en meiden naar de hooivelden te brengen.  ̶  Het wil zeggen, dat als de stedeling, in strijd met de natuur, nauwelijks op de helft van zijn nachtrust is gekomen, de landman reeds de zware boom[20] legt op de eerste vracht hooi, de reep[21] erom heen slaat, en met heel de kracht en de zwaarte van zijn lichaam die aanhaalt en vastsnoert .... O heerlijke tonelen van gezonde menselijke arbeid, van krachtvolle mannelijke inspanning, bestraald door het zuivere licht van het eerste ochtendrood!

Toch kan ik u geen denkbeeld geven van de drukte, die op dit ogenblik bij onze boeren heerste. Het was drie à vier weken lang een weer geweest, een hooiweer zó heerlijk, dat zonder de minste stoornis dag aan dag de arbeid was voortgegaan, en binnen ik weet niet hoe korte tijd het gras van de stengel viel, en tevens als heerlijk rijp hooi in de schuren zijn geur verspreidde.

Maar nu had de lucht een dreigend aanzien gekregen. Sinds gisteren kwam de zon niet te voorschijn. Het was drukkend warm, en men verwonderde zich, dat de regen nog niet neerviel, want telkens kon men hem bijna grijpen. Maar van zijn talmen werd profijt getrokken. Oude mensen, die sinds lang hark en hooivork niet meer hanteerden, namen die weer ter hand, om wat rijp was en nog niet binnen, zo mogelijk vóór de regen in te halen. Thuis bleef niemand, behalve degene die bij de karnton of in het melkhok[22] niet kon gemist worden.

Het is ochtend en half zeven ongeveer. Verhoogen rijdt voor de tweede maal zijn erf af, en zal juist het hek doorgaan, om bij het huisje van Triene op de weg te komen, als de oude vrouw zich in de deur vertoont en roept: "Kloasbuur, 'n ommezien!"

"Ho, jongens!" zegt de boer tot zijn paarden, terwijl hij de teugeIs aantrekt.

Met de vriendelijkste plooi, die haar oude gezicht kan aannemen, spreekt Triene nu:

" Wa 'k zeggen wil, Kloas! Ik hebbe ’n voertien (vrachtje) turf 'ekoft van Jan van de Wetering. En nou wol 'k oe vrendelijk vroagen, om ze vandaege te loaten haelen, as 't kan. Zie liggen op de Veenediek, en . ... "

"Mien lieve minse," luidt het antwoord, "al wol 'k dat nou nóg zo geern, dat is niet meugelijk! Da' ku' je ook zelfs weI begriepen, Triene! Mien volk wacht mij op 't laand; de peerden hebben gien ogenblik rust .... Morgen kan 't misschien weI, want 't zal weI goan regenen, en dan moe'n we toch opholden."

"Zo, en denk ie dan, dat mien turf dreuge zal blieyen, as 't regent?"  ̶  Het gezicht stond bij die woorden weer bijna even betrokken als de lucht. Maar alsof zij zich plotseling herinnert, dat zij door zo te spreken haar zaak bederft, voegt zij er weer op zacht-dringende toon aan toe:

"Kom, Kloas, kom! help nou 't olde minse nog moar 's!"

"Onmeuglijk, Triene!" antwoordt Verhoogen beslist, en met de duidelijke bedoeling, om het gesprek af te breken.

Op dat woord keert het oudje zich om zonder een woord te spreken, stapt met drift over de drempel van haar huis en slaat met forse slag de deur dicht.

Onwillekeurig kijkt Verhoogen haar na en zegt bij zichzelf: ,,'t Is toch wat te zeggen mit oe!" – Maar de tijd gaat voorbij, en hij jaagt zijn bruine de weg op, teneinde het verloren ogenblik in te halen.  ̶ 

De volgende morgen was Dina Verhoogen bezig met het bakken van een flinke stapel pannenkoeken, terwijl haar moeder op een kleine afstand van de haard bij een tafel stond te strijken.

Nadat zij zich met het voorschoot het zweet van het voorhoofd had gewist, zei de dochter: "Wil ie weI geleuven, moeder dat mij gien eten lust, as 'k mit bakken 'edoan hebbe?"[23]

“Nou maegien, 't wondert mij niet. Deur de waarmte vergoat oe denkelijk de hunger!" zei moeder.

Dina echter trok zich de zaak niet erg aan. Want een ogenblik daarna neuriede zij een vrolijk wijsje, en tikte ze met het grote mes de maat op de rand van de koekenpan.

"Hoe zol 't nou wel met Triene wezen?" begon moeder; “zol zie vandaege wat beter 'emutst wezen?"

“'k Wete 't niet, moar 'n uurtien 'eleden hebbe 'k heur bij de putte 'ezien, en 't gezichte stond nog niks niet opgeruumd." En Dina glimlachte bij de herinnering aan gisteravond, toen zij haar gewone bezoek bij de oude vrouw had gebracht, maar met het bericht was thuisgekomen, dat Triene "gien kik" gegeven had. "Wa' ploagt dat minse toch heurzelfs d'rmit, dat heur 't hemd zo vaeke verkeerd stoat, is 't niet, moeder?"

"Krek zo, maegien, dat zeg ie goed. Oe vaeder zeg ook mennigmoal, da' zie veur heurzelfs 'n biester ongelukkig minse is deur die kwoajigheid."  ̶

"Wá' zeg ie, moeder?" vroeg een poos later Dina die bij het sissende gebak minder scherp hoorde.

“Ik zegge, ie moe'n straks 'n paer dunnegies bakken veur d'olde vrouwe. Onze Jan kan ze heur wel  brengen. "

“Joa," zei de bakster lachend, "dan zal ze misskien ook weI wat vrendelijker worren.”

Mar Dina had te grote verwachting van de invloed van haar pannenkoeken, zoals wij weldra zullen zien.

Men moet weten, dat de vorige avond nauwelijks het werk gedaan was, of een van de Verhoogens was het woonvertrek van de boerderij binnengekomen met het bericht dat 't “'n weinegien begos te droppelen." Wat later kletterde de regen reeds tegen de ruiten. Eindelijk stroomde het water uit de lucht, zodat men niet kon nalaten om tot elkaar te zeggen: " Heur, heur ‘t ‘s regenen!"

“O sapperloot, had Verhoogen lachend gezegd, wat zal nou onze buurvrouwe kwoad wezen.... Moar 'k hebbe toch 'n betien ezurgd,” had hij aan zijne huisgenooten verteld. "In ’t veurbijrieden binne 'k van de morgen bij iene von de turfmaekers op de Venediek anegoan, en die hef mij beleufd, dat hie de turf van Triene mit wat roegte (ruigte[24]) bedekken zol."

lntussen was Dina met haar werk gereed en Jan werd met de pannenkoeken naar onze oude vriendin gezonden. Het was bij twaalven, en men stond op het punt het middagmaal te gebruiken. Maar Jan bleef langer weg dan nodig was, en men besloot dus niet op hem te wachten, maar alvast aan tafel te gaan.

Men had echter nauwelijks enige ogenblikken gezeten of de knaap trad binnen met een gezicht, dat van kwaadheid gloeide. Hij liep de aan tafel zittenden voorbij, en barstte met nauwelijks weerhouden tranen los in de uitroep: “'k Wol, dat olde Triene dood was, en ... en ... ik wiI d'r nooit weer hen!" Hij liep naar het raam toe, waar hij bleef staan, zwijgend naar buiten kijkend, en met de rug naar de zijnen gekeerd.

Met ontsteltenis keken de anderen op, en verward klonk het dooreen: "Hoe heb 'k 't nou mit oe, Jan? Wat hef zie 'ezegd? Wat is 'r veurevallen, jongien?"

Maar op geen van die vragen gaf de knaap antwoord; het was hem ook niet mogelijk. Zijn gemoed was zo vol, dat hij zich slechts met de grootste moeite ervan weerhield luid te snikken, en grote tranen biggelden hem langs de wangen.

Toen men nogmaals een poging wilde doen, om hem tot spreken te bewegen, zei Verhoogen op gedempte toon: "Stille moar!" en gaf de zijnen een wenk om de jongen ongemoeid te laten.

Na enige ogenblikken sprak Verhoogen: "Kom, onze Jan! nou zol 'k moar goan zitten, en eerst 'n weinegien eten, dan zu' we straks saemen 's proaten."

"Mij lust gien eten, vaeder!" was het antwoord, waarin Verhoogen berustte.

Intussen was het middagmaal geëindigd. De tafel werd afgenomen; allen gingen huns weegs en aan hun arbeid. Vader en zoon bleven alleen in het vertrek.

Verhoogen stopte zijn pijp, en na die aangestoken te hebben, sprak hij:

"Zie zo, mien jongen, kom nou 's hier zitten, en vertel vaeder 's wat 'r gebeurd is. Hef olde Triene 't zo biester[25] 'emaekt?"

Jan zette zich naast zijn vader en begon: "Joa, zie hef 'ezegd, dat vaeder net zo gemien was as d' aeren, en da'je te gierig waeren om 'n old mense te helpen. As de burgemeister of de domeneer 't oe 'evroagd hadde, zei zie, zol 't weI gebeurd wezen .... , want da'je veur de grootheid weI kloar stoan, moar da'je um ’n aarm minse krek zoveule geven as um 'n katte of 'n hond ...

Joa, dàt zei zie", herhaalde hij met toorn, maar tevens werd opnieuw zijn aandoening hem te machtig, en met hese stem voegde hij er nog slechts de verzekering aan toe: "en 'k goa d'r nooit weer hen."

"Het spiet mij," zei Verhoogen, na een poos gezwegen te hebben, “'t spiet mij, dat 't gebeurd is. 'k Wol krek oe 'ezegd hebben, om noa de middag (het middagmaal) 't olde peerd veur de waegen te zetten, en mit Dinoa de turf te goan haelen van de Venediek. De natsten kunnen buten 'ezet worren om te dreugen."

Maar de knaap gaf door geen enkel woord te kennen, dat hij zin had om van voornemen te veranderen.

Alsof hij daar niet op lette, begon Verhoogen opnieuw: "En toe 't olde minse zoo roasde, heb ie toe ook wat weerumme 'ezegd?"

"Nee," luidde het aarzelend antwoord, "ik hebbe niks 'ezegd."

Moar da's mij onbegriepelijk, jongien! Ie binnen noatuurlijk kwoad 'eworren, en ie zollen niks weerumme 'espreuken hebben? .. Kom, Jan, vertel mij de woarheid!"

En Jan, zich vermannend, bekende: "Joa . . . ik hebbe heur uuteskolden . . . . "Olde hekse" heb ik 'ezegd, en . . . leugenoarster . . . ."

"Nou joa," viel zijn vader hem in de rede, "en misskien nog weI meer zukke woorden .... , moar ’t is goed, da'je de woarheid spreken." En een ogenblik later: "Die woorden ha'je niet moeten gebruken. ’t Is broaf, da'je 't niet heuren willen, as er kwoad van mij 'espreuken wordt, moar ... ."

,,'t Is 'n slecht minse", vulde de knaap aan.

"Het is 'n lastig minse," zei Verhoogen toestemmend en verzachtend tevens. "Moar d' olde vrouwe is altied allienig. Zie hef gien maegd um veur heur te waarken, en gien kiend um veur heur te zurgen. Zie hef meestentieds last van de kolde, en as 't 's nachts moar 'n beetien waeit, willen heur de voeten niet waarm worren, klaegt zie. Dan zit heur 't rimmetiek hier en dan doar in de leden ... Nou ku'je weI begriepen, dat zo’n minse veultieds ontdoan is en knorrig, en da' zie gaauw kwoad wordt. Ie weten dat nog zo niet, mien jongien, moar zo'n olde vrouwe, die zwak en aarm en allienig is, dat is zo'n stumper in de wereld!"

Hier  ̶  was 't opzet of toeval? - hier zweeg hij, om op te staan, een zwavelstok van de schoorsteenmantel te nemen, en na die in het vuur te hebben gehouden, er zijn pijp mee aan te steken, die uitgegaan was.

Blijkbaar luisterde de knaap naar zijn vader, zij het niet zonder enige onwil.

Verhoogen begon opnieuw: "Heb ie doar weI 's an 'edocht, dat oe moeder, as zie 't beleeft, ook ienmoal zo'n old minse zal wezen? Doar heb ie nog nooit an 'edocht, wed ik. 't Is weI woar, moeder zal nooit zo grommig wezen. Moar as nou 's vaeder en Dinoa en wijluden[26] allemoale 'esturven of wegegoan waeren, zol dat dan veur moeder ook niet 'n bedroefd en allienig levent[27] wezen?"

Nog eens ontstond een kleine pauze.

"Loa 'k 's zien," vervolgde daarna Verhoogen, "loa 'k 's zien, hoe old zol Triene al wezen? Zie is in heur drieënzeuventigste, a'k 't wel hebbe. Het is weI te denken, da' zie 'r niet laange meer wezen zal. ’t Is het beste, da' we heur verdraegen, d' aarme vrouwe, zolaank as 't nog duurt. As zie non 's dood en begraeven is, geleuf ie dan niet, dat het skrikkelijk spietig is, a' je zo 'n minse niet medeliedend behaandeld hebben?"

Na dit gezegd te hebben, stond Verhoogen langzaam op. Zwijgend zette hij zijn stoel tegen de wand en verliet het vertrek.

Op de deel gekomen, vroeg Dina  ̶  zij had evenals de andere huisgenoten het woonvertrek vermeden, begrijpend dat vader "mit Jan an de gaank" was  ̶: "Vaeder, is 't nou gien tied om de turf te goan haelen? Dan kun' we krek nog veur melkoavend weerumme wezen." Maar Verhoogen vond, dat er geen haast bij was, en dat zij het nog maar gedurende een uur "op zien beloop" moest laten.

Maar zie, van dat uur was nog niet de helft verstreken, of de knaap was bezig het oude paard van stal te halen en het in te spannen. De hekken, nodig voor het bergen van het vrachtje, legde hij op de wagen, en riep toen: "Dinoa, bi' je kloar? Kom vort dan!" En Dina, door een natuurlijke fijngevoeligheid bestuurd, gaf door blik noch woord iets van verwondering te kennen. Alsof het de natuurlijkste zaak van de wereld was, verscheen zij op het geroep van de jongere broer, zette zich naast hem op de wagen, en weldra waren zij samen op weg naar de Veendijk.

Twee à drie uren later stond reeds het vrachtje op het kleine erf van olde Trienes woning. Jan stond boven op de turven en vulde de manden, die vervolgens door Dina in de kleine schuur werden gebracht. Nu en dan was er een half of bijna halfvol, Jan waarschuwde zijn zuster dan met: "Natte!", en die werden dan door Dina op het erf uitgestort.

Handig en vlug werd het werk verricht, en weldra zien we de knaap met een bezem de bodem van de wagen aanvegen, opdat niet het kleinste stukje van de brandstof verloren zou gaan. Daarop sprong hij naar beneden, en bouwde met zijn helpster van de vochtige turven luchtige stapeltjes, opdat zon en wind er hun best op zouden doen.

Maar terwijl we dat ijverige tweetal en hun arbeid gadeslaan, zouden wij haast vergeten, dat er nog een ander is, die eveneens de ogen op hen gevestigd houdt. Het is Verhoogen. Hij bevindt zich in zijn woonkamer, en staat bij het raam, waar zijn zoontje straks aan toorn en droefheid ter prooi was geweest.

Hij bukt zich, om onder het gordijn door te kunnen kijken, en bespiedt zijn kinderen. Nauwelijks heeft hij zich uit zijn gebogen houding opgericht en zich even van het raam verwijderd, of opnieuw keert hij terug, bukt zich en staart naar buiten. Het is, alsof hij zich niet genoeg kan krijgen van wat hij er ziet.

Toch is daar niets anders te zien dan het eenvoudige toneel, dat wij beschreven: de twee jongelieden, bezig met buurvrouws brandstof. Verhoogen bukt zich en kijkt . . .. "Best jongien!" zegt hij zacht en peinzend. Zo zacht en peinzend als iemand pleegt te spreken, die een dankzegging op de lippen zweeft. . . . .

Het was ruim zes uur, toen de lege wagen langzaam de boomgaard doorreed en bij het huis stilhield. Na samen het paard onttuigd en op stal gezet te hebben, stapten Jan en Dina naar binnen, waar zij tot de juist koffiedrinkende familie zeiden:

“'n Oavend saemen!" en zich in de kring nederzetten. Toen sprak Verhoogen tot zijn vrouw: "Moeder, za 'k oe wat zeggen? lene van de maegies moet nog noa de bakker om krentenweg[28]. Hef hie gien krentenweg, dan de grootste en beste koeke, die in de winkel is. En dan moet er sukeloamelk 'ekookt worren. lk traktere vanoavend. En woarumme denk ie? Umdat onz' Jan zo bovenste best op'epast hef."

Vader klopte bij die woorden de knaap, die met een verlegen Iach rondkeek, op de schouder. En moeder, reeds met de hand diep in de beugeltas om er geld voor de bakker uit te halen, moeder knikte haar jongen toe met vochtige, maar stralende ogen.

Het spreekt vanzelf, dat Dina Verhoogen en haar jongere zusters het gebeurde vertelden aan hare vriendinnen, en natuurlijk lieten die vriendinnen niet na, het thuis door te vertellen. En zo kwam het dat een paar dagen later "mieneer" Botting, die zijn buurman, de timmermansbaas, aan het werk had, door deze werd aangeklampt met de vraag of hij het reeds gehoord had, dat "olde Triene Jan van KIoas Berends zo biester ofegraauwd hadde."

Botting verklaarde, dat hij er al iets van vernomen had, en zei tevens: “'t Is bespottelijk, zo 'n last die Verhoogens zichzelf op de hals gehaald hebben."

Onze timmerman echter vond het “oarig van die luden", dat zij zoveel verdragen wilden van de oude vrouw.

"Met je permissie," zei de ander, "vind je het dan ook aardig om de mensen te stijven in hun verkeerdheid? Als je alles verdraagt, worden de lui hoe langer hoe brutaler. Verhoogen ondervindt het nu al van dat lastige mens. Nee, ze moeten mij de arme lui niet leren kennen. Eens was er in mijn buurt een gezin ziek. Toen zeg ik op 'n middag tot de meid: breng er wat aardappelen en vlees en een halve fles wijn naartoe. En denk je, dat ik er ooit een bedankje voor gehad heb?"

Alles ging de oude gang. Olde Triene bleef oud en knorrig. En het gezin van Verhoogen bleef dezelfde zorg voor haar dragen.

Desalniettemin, zoals het in de wereld pleegt te gaan, had er onder deze schijnbare bestendigheid een langzame verandering plaats. Vooral bij ons oudje. Zij was gewoon, 's morgens met een kleine emmer naar de put te gaan op Verhoogens erf, die zelf te vullen en huiswaarts te dragen. Dat geschiedde niet meer. Eerst hadden de kinderen op regenachtige en gure dagen het voor haar mogen doen. Maar weldra was het een vaste gewoonte geworden, dat zij haar van water voorzagen.

Wat het weer het ook mocht zijn, kou noch warmte, regen noch wind konden 's zondags Triene in huis houden: getrouw deed ze de verre en moeilijke kerkgang. “Ik mag 't niet zien," had Verhoogen meer dan eens gezegd, en dikwijls had hij haar aangeboden de kapwagen in te spannen en haar daarin naar de kerk te brengen. Maar de oude vrouw wilde er niet van weten. 't Was duidelijk, dat zij die zware vermoeienis zich als een zelfkastijding oplegde. Alleen door list liet zij zich nu en dan, de laatste tijd bijna elke zondag, overhalen om te rijden. Het heette dan, dat Verhoogen en zijn vrouw zelf het weer te warm of te koud, de weg te nat of te stoffig vonden, om te voet te gaan. En daar men, zich naar de Protestantse kerk begevend, de Roomse voorbij moest, kon Triene gemakkelijk onderweg uitstappen.

Toch beklom ze de wagen zelden, zonder te verklaren, dat zij verkeerd handelde, en dat Verhoogen ook niet moest denken, er goed aan te doen. Zei de laatste dan met een glimlach: Moar, buurvrouwe, onz' lieven Heere zal toch weI willen lieden, dat zo 'n old minse in de waegen noa de kaarke goat", dan wendde zij het gezicht af en antwoordde ze met enige drift: "Hold oe stille, KIoas Berendsz, oe gelove is joa mien gelove niet!"

Een zeer gewoon zwak van bejaarde mensen speelde ook een rol in haar afkeer van de wagen. Zij kon volstrekt niet dulden, dat iemand van haar dacht: olde Triene kan niet meer. Daarom moesten ook alle kleine diensten die haar werden bewezen, haar worden opgedrongen onder allerlei voorwendsels. Begon je met haar te zeggen, dat iets haar te moeilijk of te veel zou zijn, dan kreeg je het onmiddellijk met haar aan de stok.

Zij had nu drie jaren in het huisje van Verhoogen gewoond. De derde winter was zij gelukkig doorgekomen,  ̶  zou zij het ook nog het derde voorjaar kunnen doen?  ̶  De kans leek klein. Want haar krachten verminderden zichtbaar, en wat bij een vrouw van vaste gewoonten een veeg teken mocht heten: s morgens stond zij steeds later en later op.

Op een zekere morgen liet Dina zich bij het binnenkomen ontvallen: "Hoe is 't Triene, bin ie niet goed, da' je zo laete nog op bedde liggen?"

"Niet goed? Wat proat ie toch, wicht? Begriep ie dan niet, dat 'n aarm minse list moet gebruken, as de centen opraeken? A 'k 'n maande vol turf in iens op de heerd kos gooien, dan zô 'k weI vrogger van bedde wezen. 't Is om de kolde en aers niks!"

Zo’n vergissing als Dina hier beging, gebeurde echter slechts zelden. Men kende nu eenmaal het zwak van de oude vrouw. En ten overvloede herinnerde Verhoogen nu en dan de zijnen eraan, dat ze bij Triene "mit de zaeken niet zo rechtuut, moar zo 'n weinegien van ter ziede moesten ankoemen."

Het was op een koude grauwe morgen, in het begin van april, dat het venster van het kleine huisje veel langer dan anders gesloten bleef. Uit de boerderij had men er een paar maal reeds de aandacht op gevestigd, maar gedacht: "Zie sloapt nog." Toen het evenwel acht uur werd, zonder dat het venster werd geopend, ging vrouw Verhoogen op aanraden van haar echtgenoot eens kijken.

De kleine schuurdeur was steeds zo losjes dichtgemaakt, dat men die van buiten zonder veel inspanning kon ontsluiten. De oude vrouw lag te bed en opende, toen haar bezoekster voor de bedstede trad, de ogen. Maar het was terstond te zien, dat haar blik iets glinsterends, iets gejaagds en verwards had.

"Zoo, maegien, breng ie de brije? Kom, da 's goed. Moar is zie weI waarm? Als zie kold is, lust zie mij niet."

Zij was klaarblijkelijk in de veronderstelling, dat het avond was en ze Dina voor zich zag.

"Ik binne Roelefien, oe buurvrouwe. Ik kome 's kieken, hoe 't mit oe goat."

"Zo, bin ie Roelefien?" sprak Triene langzaam en nadenkend, terwijl ze oplettend vrouw Verhoogen in het gezicht keek. "Moar," zei ze eensklaps sneller, "moar woarumme steek ie de laampe niet an? Wat zullen de luden weI zeggen?" En vervolgens zei ze weer half fluisterend, alsof zij tot zichzelf sprak: "Zie zullen zeggen: de boedel is op; zie hef gien eulie meer in de laampe, gien vuur meer an de heerd, en olde Triene is dood!"

"Stille moar, Triene, 't is gien oavend. 't Is ochtend, mien beste, 't is al acht uur 'eslaegen. Stille moar!"

"Acht uur 'eslaegen? fij, wat hebbe 'k dan laank 'esloapen. Fij, fij!" En ze ging overeind zitten, om haastig op te staan.

,,O nee, dat nou niet," zei vrouw Verhoogen, met zacht geweld haar tegenhoudend. "Blief nog ’n poosien liggen. Da 's veule beter', want ie binnen ’n beetien uut stuur[29]."

"Uut stuur?" riep de zieke. "Proaties! zegge 'k oe. Kom, Roelefien, gauw wat, help mij van bedde, heur ie 't niet?" En of ze wilde of niet, buurvrouw moest het oudje ondersteunen, toen ze bevend en zwak van het bed op een stoel en van de stoel op de grond stapte. Uitgeput zeeg ze neer en bleef ze bij de bedstede zitten.

Vrouw Verhoogen maakte van dit ogenblik gebruik om snel naar buiten te gaan en het venster te openen, vervolgens neer te knielen bij de haard, en een paar half verbrande turven uit de as op te rakelen. Weldra had zij een vuurtje gereed en de ketel met water erboven gehangen.

"Moe 'k nou hier blieven zitten? Hoe hebbe 'k ’t nou mit oe, Roelefien?"

"Nee, wisse niet. Ie willen bij 't vuur wezen, is 't niet?"

Zonder te antwoorden liet Triene zich van de stoel overeind helpen, en terwijl vrouw Verhoogen de ene arm haar om de rug sloeg en op de andere de hand van de zieke liet rusten, strompelde zij voort, voetje voor voetje, naar het warme plekje bij het vuur.

"Nou za 'k oe gauw 'n koppien koffie kloar maeken."  ̶  Werkelijk had zij in een oogwenk de warme drank gereed. Zij schonk in, goot de koffie uit het kopje in een schoteltje en bood het de oude vrouw aan. Deze dronk er werktuiglijk van en sprak: "Joa, eerst gauw koffie drinken. En dan moet oe vaeder de waegen moar inspannen. 't Is tied veur de kaarke."

"Tied veur de kaarke? Moar 't is joa zoaterdag, Triene!"

Maar Triene antwoordde niet. Zij haalde de schoudermantel nog dichter om zich heen, en zat half duttend bij de haard zich te koesteren.

Ik durf niet te zeggen, of het Verhoogens echtgenote opviel, maar het was in het oog springend, dat, als je daar die zieke oude vrouw zag zitten te midden van haar versleten meubelen, alles op wonderlijke wijze sprak van oud en op zijn. Het kreupele bureau, met wormgaatjes bezaaid; de kleine vierkante tafel met haar rondgesleten hoeken, haar grauwe verveloosheid en diepe naden; het spaarlampje[30], dat nog van de vorige avond op de tafel stond, bijna zonder olie; de oude Friese klok, waarvan de slinger met een zeurig piepen heen- en weerging, en die wanneer hij sloeg bij elke slag trilde en rammelde, alsof zij[31] door de inspanning geheel ontstelde en bijna niet meer kon; en ten slotte de oude vrouw zeIf, weggedoken in haar mantel, het gezicht vol diepe, strakke rimpels en het suffe hoofd op de borst gebogen,  ̶  alles scheen te zeggen: Wij zijn versleten, verbruikt, stervende!

Zonderling! Het scheen weI, alsof op dit ogenblik een dergelijke aandoening zich een weg baande door de verwarde gedachten van de oude vrouw en tot haar bewustzijn doordrong. Want toen de klok op haar gewone, luidruchtige wijze tien uur sloeg, keek zij met bevend gezicht naar de wijzerplaat op, schudde met een flauwe glimlach het hoofd, en mompelde: "Krek as de vrouwe. Hies en bieverig van older!"[32]

Men haalde dokter. Hij vond de zieke koortsig en zwak, en sprak het niet tegen, toen Verhoogen zei: "Noa mien dunk goat 't zo zachies an noa 't ende!" Toch duurde het nog enige dagen, voor het einde er was, en Dina en haar moeder waren gedurende die tijd in de gelegenheid, om bewijzen te geven van hun barmhartigheid en  ̶  hun geduld. Het is onaangenaam en hard, om van een stervende iets kwaads te vertellen. Maar de waarheid gebiedt te zeggen, dat olde Triene weI een beetje een lastige zieke was. Als de ene van haar verzorgsters bij haar was, wenste zij juist de andere te zien. Bracht men, op haar verzoek om te drinken, haar thee, dan zei ze knorrig, dat zij water verlangde. Ongeduldig sprak zij soms . . . . , maar laat ons nu maar liever hiervan zwijgen, temeer, daar ik geloof, dat degenen, die haar verpleegden, reeds lang die onaardigheden hebben vergeten.

Nacht en dag zat de moeder of de dochter bij de bedstede. Een jongere zuster van Dina wilde eveneens haar diensten bewijzen, maar vader en moeder zeiden: “’t Maegien is te jonk, zie moet heur sloap hebben." Wat voor de zieke nuttig of smakelijk mocht wezen, werd haar dagelijks aangeboden. "A 'k oe nou is 'n slokkien wien met waeter gaf, Triene;  da's fris in de mond," zo luidde het nu eens; en dan weer: "Lust oe de soepe niet? Wat dunkt oe dan van 'n beskute mit wat rookvleis?" enz. Dat Triene niet te ruim voorzien was van beddelinnen en andere nodige artikelen, kon je tijdens haar ziekte niet bespeuren. En toen eindelijk de dokter waarschuwde, dat het nu nog maar kort kon duren, liep Verhoogen naar de pastoor en

zei: ,,'k Geleuve, mieneer de pestoor, dat 't van de nacht ofloopt met onze buurvrouwe!" Terstond volgde de priester Verhoogen, en Triene ontving de laatste vertroostingen van haar kerk.

Een paar uren vóór haar verscheiden had zij een zeer helder ogenblik. Zij zag en herkende Verhoogen, die bij hare bedstede stond.

"Kloas, ik zegge oe goenacht!" zei ze met zwakke stem. "Ie hebben veuIe veur mij edoan, en Roelefien mit de kiender ook!"

Maar alsof een boze geest, in weerwil van haar zwakte en ondanks de kracht van de kerkelijke genademiddelen, de arme ziel nog parten speelde, voegde zij er bij: "Moar 't was toch ook oe plicht, want ik was old, . .  . en veule ha 'k niet neudig."

Het was het laatste woord, dat van Triene’s lippen werd vernomen.

Het behoeft niet gezegd te worden, in welk huis de dood van de oude vrouw een gevoel van leegte veroorzaakte. De hulp, door de Verhoogens aan haar verleend, had zich langzamerhand uitgebreid tot een aantal dagelijks terugkerende kleine diensten. En het gebeurde nu menigmaal in de loop van de dag of 's avonds, dat een van de kinderen de opmerking maakte: ,,'t Is mij toch krek, moeder, of  'k nog vergeten hebbe, noa olde Triene te goan."

"Joa, kiend, da's de gewoonte!" placht moeder daarop te antwoorden. En als onwillekeurig dan de gedachte verwijlde bij haar, die 't voorwerp van hun barmhartigheid was geweest, dan zei de een: "Wat was ’t olde minse  toch kraekzindelijk!" en de andere: "En wat was zie zunig!" en een derde: "Wa' kos zie nog mit 'n iever zitten te spinnen!"  ̶  Mocht bij zo’n gelegenheid iemand herinneren aan haar knorrigheid en slecht humeur, dan zei met goedvinden van allen moeder op vergoelijkende toon: "Zie was weI 'n weinegien bemeurig (humeurig,) maar 't was toch ook 'n old en ongelukkig minse, is 't woar of niet?"

Toen op een van de eerste dagen na het overlijden van Triene de bakker zich meldde bij Botting, en de heer des huizes zich verwaardigde zelf het verse brood van hem aan te nemen, liep hun gesprek, aan de voordeur gevoerd, over het pas beschreven gebeuren.

"Naar mijn domme verstand," sprak mijnheer Botting, "moet haar dood voor Klaas Berendsz een verlossing wezen. Wat heeft hij anders van haar gehad dan last en verdriet?"

En teneinde ook de bakker zijn opinie over arme mensen aannemelijk te maken, vertelde hij nogmaals het immer treffende geval van het gezin, dat eens aardappelen, vlees en een halve fles wijn van hem had gekregen, en hem niet eens had bedankt.

 

 

 

[1] tante

[2] Vroeger was het gebruikelijk om de thee van het kopje op de schotel te gieten, zodat het kon afkoelen en men het sneller kon drinken. Vooral in de drukke hooitijd was dat praktisch, maar zoals we hier zien, gebeurde het ook wel wanneer het op de boerderij rustig was.

[3] avondschool

[4] apparent: duidelijk blijkend

[5] weefsel van geitenhaar en wol

[6] schort

[7] 26 december

[8] anders

[9] suikerschaar is de naam van een soort van nijptang, bij onze boeren algemeen in gebruik, om kandij aan stukken te breken. (Heering)

[10] precies (< Frans: correct)

[11] Het is in Drenthe en Overijssel de gewoonte, dat na afloop van het begrafenismaal aan de armen het overschot wordt gegeven. (Heering)

[12] “Uit de tijd zijn”. Gewone uitdrukking voor overleden zijn. (Heering)

[13] Onder deze naam staan de gelden bekend, die enkele dagen vóór het nieuwe jaar ingezameld en op de oudejaarsdag aan de armen uitgereikt worden. (Heering)

[14] ons

[15] meiden

[16] meisjes

[17] vernielen, ruïneren

[18] eigenaardig

[19] schort

[20] paal

[21] touw

[22] plaats waar de koeien gemolken worden

[23] klaar ben

[24] onkruid

[25] erg

[26] wij

[27] Dikwijls voegen de Overijsselse landlieden omwille van de welluidendheid een t achter het woord leven. Wij doe het niet achter, maar midden in wezentlijk. (Heering)

[28] krentenbrood

[29] overstuur

[30] Volgens het Woordenboek der Nederlandse Taal een zuinig brandende lamp. Het jongste citaat in dit woordenboek met ‘spaarlamp’ dateert uit 1866, en in dat citaat wordt de spaarlamp al ouderwets genoemd.

[31] Heering verwijst naar de klok eerst met een mannelijk persoonlijk voornaamwoord (hij), en dan met een vrouwelijk persoonlijk voornaamwoord (zij). Beide zijn mogelijk (hoewel die combinatie natuurlijk vreemd aandoet) , maar de Woordenlijst van de Nederlandse taal heeft een voorkeur voor het vrouwelijk woordgeslacht.

[32] Hees en bevend van ouderdom. (Heering)

Auteur:Pieter Heering
Trefwoorden:Dialect, 19de eeuw, Steenwijkerwold
0 annotaties

Annotaties

Er zijn nog geen annotaties op dit item

Plaats een annotatie

Velden met een zijn verplichte velden.

Soort
Titel
Bericht
Bestand