MijnStadMijnDorp is een project van Historisch Centrum Overijssel en is mede mogelijk gemaakt door de Provincie Overijssel.

Wie woonden er aan het Beulakerpad in Sint Jansklooster?

Verhaal

Het is zaterdagmiddag 23 september 2000. De nazomerzon heeft zo laat in het seizoen nog veel belangstellenden naar het bezoekerscentrum De Wieden van de Vereniging Natuurmonumenten aan het Beulakerpad in Sint Jansklooster gelokt. Ze kunnen zich net als op andere dagen vrij over het terrein en in de gebouwen van het bezoekerscentrum bewegen. Alleen het achterhuis van één van deze gebouwen, de Holken geheten, is deze middag voor hen gesloten. Daar ontvangen Ron Don, de beheerder van het centrum, en zijn medewerkster Lian Flikkema een aantal gasten. Bijzondere en zeer welkome gasten, zo'n vijftig met elkaar. Hun leeftijd varieert, maar ze hebben allemaal herinneringen aan dit buurtje. Verschillenden hebben er hun jeugdjaren doorgebracht, anderen bezochten er hun oom en tante of hun grootouders. Voor de meesten is het een nostalgisch plekje. Heel herkenbaar ook, want er zijn geen nieuwe huizen gebouwd.

De woningen in het dorpje Beulake enkele honderden meters verderop aan het eind van het pad, werden tijdens de stormvloeden en overstromingen van 1775 en 1776 grotendeels kapotgeslagen. Het dorpje, de grond er omheen en het pad er naartoe verdwenen grotendeels in het water. Wat er nog bovenuit kwam, zou tijdens latere stormen verzwolgen worden. Het pad en de grond met de gebouwen aan het begin dicht bij de Leeuwte, lagen iets hoger in de luwte van het hoge Land van Vollenhove. Zodoende bleven deze gespaard.

Natuurmonumenten kocht hier in 1960 haar eerste woning. In de jaren daarop  verwierf ze er meer bezittingen; woningen, schuren en andere optrekken en verder grond. Zo werd ze geleidelijk aan eigenaar van meer gebouwen en grond aan het Beulakerpad.

Het oude buurtje met zijn dicht bij elkaar staande, overwegend kleine huizen onder een laag rieten dak, is inmiddels uitgegroeid tot één van de visitekaartjes van Natuurmonumenten, een buurtje dat ze koestert. De vereniging vestigde er haar bezoekerscentrum voor het Wiedengebied in een nieuw pand, dat wat betreft bouwtrant en grootte nauwelijks afwijkt van de andere huizen aan het Beulakerpad. Ze gaf het de naam de Foeke, zoals in de streektaal een visfuik wordt genoemd. Ron en Lian hebben veel gelezen over het buurtje, waarin ze elke dag vertoeven. Het blijft voor hen evenwel wat ver weg en algemeen. Ze willen iets meer horen over de mensen, die hier verbleven in de jaren voordat Natuurmonumenten er haar bezittingen verwierf. Hoe ze huisden, wat voor werk ze deden, hoe ze leefden en dan bij voorkeur uit de mond van de bewoners van destijds zelf. Vandaar dal ze zo blij zijn met hun vele gasten. Het kost de gastheer en gastvrouw weinig moeite de gesprekken op gang te brengen.

Na enige ogenblikken is een ieder terug in de tijd van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, toen het Beulakerpad met links ervan een sloot met daaraan knotwilgen nog zo landelijk vanaf de Leeuwte achteruit liep in de richting van het Wiede.

In het buurtschapje hebben destijds zestien woningen gestaan; zes aan de noordkant van het Beulakerpad, zes aan de zuidkant, en vier aan de zijweg ervan, de Dwarsakker genoemd. Woningen op een fundering van turf, net als elders op de veengronden in Noordwest-Overijssel. Dicht bij elkaar gelegen woningen, gedekt met riet, een product uit de eigen omgeving. Door brand zouden er twee verloren gaan. Ze werden niet herbouwd. Verder ontstonden er open plekken door het afbreken van enkele oude en niet meer bewoonbare pandjes en een woonkeet.

De bewoners aan de noordkant van het pad

1. Het eerste huis aan de noordkant van het pad was van Jan en Harmpje Huisman. Het was een vrij klein pand met een voorkamer, een woonkeuken, twee slaapvertrekjes en een deel, waar het gezin 's zomers doorgaans verbleef; in elk geval tijdens het eten.

Jan en Harmpje hadden achttien kinderen. Er was veel te weinig plaats in de daarvoor bestemde slaapruimten voor iedereen. Daarom klom een deel van hun kroost 's avonds de trap in de woonkeuken op om op een matras zo maar op de zoldervloer een plekje te zoeken voor de nacht. Zo ging het overigens in die dagen in een enkel ander kinderrijk gezin in het buurtschapje ook. Vader Huisman was visventer. Net als zijn collega's uit Ambt en Stad Vollenhove haalde hij elke middag een mand vol vis van de afslag aan de haven, en trok daar de volgende ochtend vroeg mee naar Steenwijk, Meppel, Zwolle of een andere plaats in de omgeving. Als Jan met ander werk geld kon verdienen, pakte hij dat echter ook aan. Zo zag hij er tijdens de bouw van de watertoren in Sint Jansklooster in 1932 elke avond en nacht op toe, dat er geen gereedschappen en materiaal op het terrein werden ontvreemd. Jongemannen uit het dorp of één van de dorpen uit de omgeving, die in het weekend nog laat op pad waren en licht zagen in het verblijf van nachtwacht Huisman, hielden hem vaak een poosje gezelschap.

Van de kinderen van Huisman waren er al enkele volwassen. Bart, één van de oudste zoons, was de meeste dagen in zijn visrokerij te vinden. Deze stond op een paar tientallen meters van het huis in het grasland aan het Beulakerpad in de lengte langs de sloot. Dat grasland is nu grotendeels veranderd in een parkeerplaats van Natuurmonumenten. Het was een houten gebouw van acht tot tien meter lang, een meter of vier breed en drie meter hoog. Het gebouw was verdeeld in een vijftal compartimenten, elk met een rookopening in het dak. De achterwand van de rokerij stond precies op de rand van de sloot. De vertellers, onder wie Piet Jongman, zien Bart nog zo bezig. Hij haalde de verse vis, paling en haring, net als de visventers, van de afslag aan de haven in Vollenhove. Ze ruiken ook nog de doordringende geur van het smeulende zaagsel onder de aan speten gestoken vis in de hangen. Wanneer de vis voldoende gerookt was, werd ze op een lange toonbank aan de voorkant van het gebouw klaargemaakt voor de verkoop. De paling ging in kistjes, van binnen bekleed met vetvrij papier.

Gerookte haring, bokking geheten, werd met twee zestallen bijeen, aan een wilgentwijgje geregen. Zo'n twijgje met twaalf bokkingen werd een "riesien" genoemd. Bart had wel afzet in de omgeving, maar verreweg zijn meeste paling en bokking ventte hij uit in Driebergen en omgeving. Daar had hij een aantal vaste afnemers. Om de laadruimte in zijn personenauto te vergroten, had Bart het achterste deel van de carrosserie tot aan de voorstoelen verwijderd en een houten bak op het onderstel gezet. Met dat wonderlijke vehikel trok hij een paar maal in de week naar zijn klanten in het Utrechtse.

Na de bevrijding kwam de rokerij leeg te staan. Na enige tijd werd ze afgebroken. Bart Huisman had gebruik gemaakt van de rijksregeling voor vissers, visventers, visverwerkers en anderen, die door de afsluiting van de Zuiderzee en de inpoldering van delen van het IJsselmeer ernstig zouden worden gedupeerd. Bart kreeg een baan als corveeër in een kazerne ergens in de buurt van zijn vroegere ventgebied. Gerrit, een broer van Bart, ging in de jaren dertig op daghuur. 's Winters was er echter nauwelijks werk. Maar Gerrit kwam in die slappe tijd doorgaans ook wel aan de kost. Dan zag je hem regelmatig het land ingaan met zijn hond. Gerrit was namelijk een gewiekste mollenvanger. Bijna elke keer kwam hij met een aantal dieren terug. 's Avonds vilde hij deze en spande hij de velletjes op een plank om ze te laten drogen. Een gaaf velletje met een dichte, zwarte pels bracht in die tijd wel eens acht cent tot een dubbeltje op.

Gerrit en ook anderen in het buurtschapje, die dikwijls op de mollenvangst gingen, verschalkten nog liever grotere pelsdieren als hermelijnen en bunzings. De prijzen daarvan waren namelijk veel hoger. Een otter was het duurst. Maar otters kwamen in Noordwest-Overijssel toen al niet veel meer voor.

De woning van Jan en Harmpje Huisman stond in de lengte langs het Beulakerpad. Het voorhuis keek uit op de Leeuwte. Op het betrekkelijk kleine erf achter hun woning stonden een schuur en het "huussien", zoals de plee met daaronder een tonnetje werd genoemd. Zo'n "huussien" was er bij elke woning. Bij een enkeling had het kleine hokje niet een plekje op het erf, maar was het boven een sloot gebouwd, zodat er niet een tonnetje nodig was. Urine en fecaliën plompten in zo'n "huussien" meteen in het water. Er sijpelden van verschillende erven overigens ook dierlijke uitwerpselen vanaf mestvaalten en gierputten naar de sloten.

Van het huis van Jan en Harmpje is niets meer over. Op de plaats ervan bouwde Natuurmonumenten een nieuw pand, waarin ze haar bezoekerscentrum onderbracht. We noemden het al in het begin van dit artikel.

2. Er was maar weinig ruimte tussen de schuur achter de woning van het echtpaar Huisman en het boerderijtje van hun buren Teunis en Jacobje van der Linde en hun kinderen. Het achterhuis van Teunis' boerderij, beter gezegd de stal die later aan het woonhuis was vast gebouwd, bood plaats aan een koe of acht en wat varkens. De koeien graasden in de weideperiode op gepacht grasland op de Uiterdijken bij de Moespot. Daar kwam ook een deel van het hooi vandaan. Van der Linde haalde echter ook veel hooi uit het lage land, grenzend aan de rietkraggen langs het Beulakerwiede bij Sint Jansklooster.

Net als veel andere kleine boeren pachtte Teunis elk jaar een paar akkertjes bouwland op de Kloosterkampen. Daar verbouwde hij in hoofdzaak rogge, met als nagewas knollen, en aardappelen. Een deel van het erf van Teunis en Jacobje was min of meer openbaar terrein. Hier stond namelijk de gemeenschappelijke waterpomp van de hele buurt. Leidingwater kenden de bewoners aan het Beulakerpad nog niet. Elektriciteit overigens ook niet. Aan het eind van de jaren vijftig ging dit boerderijtje, toen bewoond door Dirk Leeuw en zijn gezin, in vlammen op. Het werd niet herbouwd. Het gevaar voor brand zo dicht bij de woningen van de buren aan de overzijde van het pad was te groot naar het oordeel van het gemeentebestuur.

3. Naast dit boerderijtje was een open plek. Daar had het huisje van visventer Johannes Dikken met zijn vrouw Jantje en hun kinderen gestaan. Dat was al vóór 1930 verbrand. Johannes en Jantje hadden ook geen toestemming gekregen hun pandje weer op te bouwen. Dikken bracht zijn koopwaar met de hondenkar naar zijn klanten. Zijn dieren hoefden gewoonlijk geen grote afstanden af te leggen. Hun baas had zijn ventterrein vooral in Zwartsluis en Hasselt.

4. Door het verdwijnen van de woningen van Dirk van der Linde en Johannes Dikken is er thans nogal wat ruimte tussen het eerste en het tweede pand aan de noordkant van het Beulakerpad. In dit tweede huis, destijds dus het vierde, woonden in de jaren dertig Cornelis ter Meer en zijn vrouw Geertje Petter, die afkomstig was uit Dwarsgracht, met kinderen van verschillende vaders en moeders. Geertje was namelijk eerder getrouwd geweest met Klaas Harsevoort en daarna met Gerrit Leeuw. Beide mannen waren overleden; Harsevoort in 1914 en Leeuw een jaar of tien later. Harsevoort had de kost verdiend met vis venten. Elke ochtend in de vroegte had hij zijn grote tenen mand vol vis op de kruiwagen gezet en was ermee naar Meppel gereden. Gerrit Leeuw had het met riet snijden, turf maken, werken bij een boer en losse karweitjes dichter bij huis gezocht. Cornelis ter Meer had een klein boerenspulletje. Het was veel te gering van omvang om er van te kunnen bestaan. Daarom ging hij ook geregeld op daghuur bij een landbouwer, tevens timmerman, in Sint Jansklooster.

5. Naast de woning van Cornelis en Geertje stond aan dezelfde kant van het pad nog één woning en wel die van Geert en Anna Zandbergen met hun twee kinderen. Een klein gezin vergeleken met de meeste andere gezinnen aan het pad. Geert hield een paar geiten. Land had hij niet. Het voer voor de geiten scharrelden Geert en zijn vrouw bijeen in de kraggen en van de bermen langs de wegen in de omgeving. 

Er waren destijds veel mensen in deze omgeving, die een paar geiten hielden en een of twee varkens. Geiten namen genoegen met een sober rantsoen en met hun melk, voor zover niet nodig in het gezin, werden de varkens gemest, uiteraard met aanvulling van meel, doorgaans roggemeel.

Het echtpaar Zandbergen viel op in de buurt. De man had namelijk gouden ringetjes in zijn oren en zijn vrouw droeg meestal een witte neepjesmuts. Dat soort mutsen werd toen al weinig meer gedragen en zeker niet op een gewone doordeweekse dag. Een neepjesmuts hoorde bij een lange rok en een jak, beide donker, de vroegere uitgaanskleding voor een vrouw in deze streek. Mannen droegen een zwart duffels pak; hun broek had geen gulp maar een klep. Geert was los arbeider. 's Winters bracht hij veel dagen door in de kraggen met het maaien en later doorbinden van riet. In het voorjaar en de zomer ging hij elke morgen het veen in om turf te maken. Er waren echter ook nogal wat dagen, waarop hij bij geen werkgever terecht kon. Op zulke dagen werkte hij voor zichzelf. Zo trok hij in het najaar nu en dan een dag naar de houtwallen tussen de kavels op het hoge land. Daar sneed hij grote aantallen lange, houtige pennen van takken van sleedoorns. 's Avonds schilde hij de bast eraf. Net vóór de tijd van de huisslachtingen aanbrak, had Geert zo elk jaar een partijtje blanke worstpinnen voor de verkoop. Ook in het zomerseizoen zette hij een dergelijk soort handeltje op. Daarvoor moest hij naar de waterkant. Als de grote egelskoppen volgroeid waren, sneed hij een hoeveelheid lange, smalle bladeren van deze planten en spreidde deze op het land uit om ze te laten drogen. Varkensdulen werden die bladeren genoemd. In gedroogde toestand zijn ze taai. Ze werden gebruikt voor allerlei doeleinden: rietbosjes binden, bonenstokken bijeenbinden, zijden spek te drogen hangen aan een spijl, enz. Wie zulk bindmateriaal nodig had, kon bij Geert terecht.

Het beroep van turfmaker werd in Geert Zandbergens tijd al niet veel meer uitgeoefend. Eens waren de turfmakers in Noordwest-Overijssel elke ochtend met drommen het veen ingetrokken. Er waren zo veel handen nodig dat mensen uit gebieden, waar minder werk was, graag naar deze streek trokken om een boterham te verdienen. Meermalen kwamen er in het voorjaar hele gezinnen, zelfs vanuit Duitsland. Ze verbleven hier gedurende de turfmaanden in houten keten, turftenten genoemd, dicht bijeen. Dat is echter lange tijd geleden. Het hoogtepunt van de turfmakerij in deze streek was omstreeks 1750. Toch herinnert de naam van een weg in Barsbeek nog aan de tijd dat er Duitse seizoenarbeiders verbleven: Poepershoek. En in de buurt van Belt Schutsloot draagt een gracht de naam Poepenvaart. Poepen was indertijd de minder nette bijnaam van Duitsers. Mogelijk was Poepen een  verbastering van Buben (uitspraak boeben), dat is het Duitse woord voor jongens.

Niet alleen voor seizoenarbeiders was er in de tweede helft van de achttiende eeuw in deze streek geen werk meer in het veen, ook voor de plaatselijke bevolking werd het moeilijker daarin de kost te verdienen. Wie verknocht was aan het turf maken, verhuisde naar een gebied in Drenthe of Friesland, waar grote lappen ongerept veen op hem wachtten. De uittocht hield ook in de jaren daarna nog aan, zij het in veel minder sterke mate. In de decennia net vóór en net na 1900 zeiden weer veel Noordwesthoekers hun geboortegebied vaarwel. Hen lokte het vaste werk in de bloeiende textielindustrie in Twente.

6. Tijdens de bezettingsjaren is er naast het woninkje van de familie Zandbergen nog een woonkeet gebouwd. Daar huisden Klaas en Geertie van der Linde met hun kinderen. Klaas was de zoon van de hier voor al genoemde Teunis en Jacobje van der Linde op wier erf de buurtpomp stond. Niet lang na de bevrijding verhuisden Klaas en de zijnen naar een nieuwe woning aan de Molenstraat. Hun keet werd daarna afgebroken.

De bewoners aan de zuidkant van het pad

1. In het eerste huis, beter gezegd huisje, aan de zuidkant van het pad woonden de arbeider Harm van der Linde met zijn vrouw Klaasje. Het was een volle boel in het woongedeelte van het gebouwtje, want het echtpaar had elf kinderen. Ook in de stal was het mudjevol met een koe, een stuk of wat varkens en een paar geiten. Harm was een harde werker en hij pakte alles aan waarmee hij iets kon verdienen. In 1948 werd hij op de driesprong van het Beulakerpad en de weg door de Leeuwte aangereden door een auto, waarbij hij overleed. Het ongeval maakte een diepe indruk in de buurtschap. Het gezin kreeg het moeilijk, doordat het met verzekeringen en sociale voorzieningen in die tijd nog slecht was gesteld. Het gerenoveerde huisje wordt thans bewoond door Harm van der Linde, één van de zoons van Harm en Klaasje.

2. Op de woning van het echtpaar Van der Linde volgde die van Hendrik en Dienigje Wind en hun gezin. De toegangsdeur van hun huis was pal tegenover de opslag van de mest uit de stallen van de Van der Lindes. Hendrik had drie grote honden, trekhonden. De dieren hadden een hok bij het schuurtje voor de hondenkar enige meters achter de woning. Wind ging elke dag op pad met zijn kar vol negotie. Dat kon van alles zijn. Gewoonlijk was het vis. In de herfst en de winter hield hij het echter nogal eens bij droge groenten als knollen, koolrapen, wortels, uien enz. Ook verkocht hij aardappelen. De knollen, zogeheten boterknollen, kwamen net als de aardappelen van een akker op de Kloosterkampen. Wind ventte meestal in Meppel. Als de handel vlot verliep, kon hij al vroeg in de middag naar huis. Hendriks honden kenden de weg precies. Wanneer het wat lang duurde voor hun baas zijn spullen kwijt was, werden de dieren onrustig. Eens waren ze het wachten blijkbaar beu. Ze namen althans met kar en al de benen op weg naar hun hok, de verbouwereerde Hendrik bij een klant achterlatend. Er waren toen al niet veel visventers meer, die er met de hondenkar op uittrokken. De meesten hadden een transportfiets aangeschaft, een zware fiets met een grote lastdrager vóór aan het stuur, waarop de mand met vis kon staan. De mannen waren gehuld in een stevig manchester pak, gemaakt door een plaatselijke kleermaker.

3. Hendrik Wind had een buurman met dezelfde naam. Deze Hendrik Wind was ook visventer. Hendrik en zijn vrouw Klaasje kregen nogal eens buurtgenoten over de vloer. Zij hadden namelijk een radiotoestel, dat werkte op een accu en batterijen. Er waren nog maar weinig huiskamers, waarin zo'n apparaat voorkwam. Dit pand dient thans als kantoor van het bezoekerscentrum.

4. Albert Hoogstede naast Hendrik en Klaasje Wind was de boer met het grootste aantal koeien aan het Beulakerpad. Albert en zijn vrouw Willempje hadden er een stuk of tien. 's Winters had Hoogstede op zijn boerderij niet veel werk. Dan liepen hij en later ook zijn zoons op de meeste dagen 's ochtends langs de woning van Zandbergen aan de overkant van het Beulakerpad achteruit om in de kraggen enkele uren riet te gaan snijden. Op het land aan de sloot schuin achter het erf van de Zandbergens had Albert zijn opslagplaats voor riet en hooi. Op het erf bij zijn huis was alleen ruimte voor een mestvaalt.

Albert Hoogstede overleed in 1938. Zijn vrouw en kinderen zetten de boerderij voort. De kinderen trokken er geleidelijk aan uit, behalve zoon Jacob. Hij en zijn vrouw namen het ouderlijke bedrijf over. In het begin van de jaren zestig verkochten zij de boerderij met hun in de buurt ervan liggende land en rietkraggen aan Natuurmonumenten en verhuisden met hun gezin naar elders. Natuurmonumenten richtte enige tijd later het pand in als woning voor haar toenmalige beheerder Jaap Slot en de zijnen.

5. Het volgende huis werd bewoond door Teunis Wind en Grietje Hollander. Teunis was de zoon van de al genoemde Hendrik en Dienigje in het tweede huis ten zuiden van het pad. Het echtpaar had zeven kinderen. Teunis was arbeider, een man die van aanpakken hield. Werk was er echter in de malaisejaren dertig vaak moeilijk te krijgen. Met name niet in de herfst- en wintermaanden. Dan fietste Teunis, laarzen aan en een blauw busje met drinken aan het stuur of aan een touw of een riem op de rug, net als veel anderen uit Sint Jansklooster en omgeving, elke ochtend over de Veneweg tussen het Beulaker- en Belterwiede door naar de Polder Giethoorn. Daar verrichtten de mannen ontginningsarbeid op een werkverschaffingsproject. Een fietstocht naar Giethoorn was Teunis niet vreemd, integendeel. In zijn jonge jaren reed hij er elke week wel een paar keer heen. Zijn vrouw Grietje Hollander kwam er namelijk vandaan. 

De woning is nu eigendom van Natuurmonumenten. Ze gaf het gebouw de naam Bollemaat, een naam die ook het gebied met verlandende trekgaten tussen Zuider Dwarsgracht en Jonen draagt, en bracht er het educatieve onderdeel van haar bezoekerscentrum in onder.

6. Arend de Goede en zijn vrouw Trijntje van der Woude en hun drie kinderen woonden in het laatste huis aan de zuidkant van het pad. De Goede had een boerenspulletje en 's winters trok hij de meeste dagen met het rietsnit de kraggen in. In de jaren dertig was er nog veel bedrijvigheid aan het pad. Niet echter in en om het boerderijtje van De Goede. Zijn kinderen waren de deur uit en Trijntje was overleden. Korte tijd na de bevrijding stierf ook Arend. Spoedig daarna trok Jacobje van der Linde, de weduwe van Teunis van der Linde uit het huis met het erf met de gemeenschappelijke waterpomp aan de noordkant van het pad naar deze woning, samen met haar kleinzoon Kees Regelink. Kees was één van de kinderen van haar dochter en schoonzoon op het Heetveld. Om de dochter te ontlasten voedde haar moeder dit kleinkind op, iets wat in die tijd wel meer gebeurde. Kees Regelink werd hier veehouder. Omstreeks 1965 overleed zijn grootmoeder. Haar erfgenamen droegen de boerderij met het erbij horende gras- en rietland over aan Natuurmonumenten. In het achterhuis van het gebouw, thans de Holken geheten naar de daar in de buurt aan het Beulakerwiede gelegen stukjes grond, worden dia's, videofilms en dergelijke gepresenteerd. Verder worden er tentoonstellingen gehouden.

De bewoners aan de Dwarsakker

1. Behalve de twaalf woningen aan het Beulakerpad, aan weerskanten zes zoals we zagen, telde het buurtschapje er ook nog vier aan een zijweg, de Dwarsakker geheten. We noemden deze al. In de eerste naast het al genoemde huisje van Harm van der Linde in de hoek pal tegenover het bezoekerscentrum de Foeke, woonden Albert en Jentje Jongman met hun zes kinderen. Het was een kleine boerderij. Tol 1927, het jaar waarin hij overleed, had Evert ter Meer, de vader van Jentje hier gewoond. Evert was veehouder, rietteler en visserman geweest. Zijn schoonzoon Albert Jongman was koopman. Hij hield zich vooral bezig met de handel in kleinvee als kippen en konijnen. Maar ook andere handelswaar schuwde hij niet, integendeel. Zo kocht hij 's winters vaak mollenvelletjes op. Hij had een vergunning voor de handel in huiden.

2. In de volgende woning aan de Dwarsakker huisden Piet en Mientje Korthoef met hun dochter Geertje, beter gezegd haar dochter. Mientje was namelijk eerder getrouwd geweest met ene Klaver uit Belt Schutsloot. Korthoef was boer en visser. Hij was een handige vent. Als iemand in het buurtje een van zijn boten kapot had, brachten ze die wel naar hem voor reparatie. Met de bouw van een nieuwe punter had hij evenmin moeite. Maar hij maakte geen boten voor de verkoop. In een sloot bij Piets huis lagen altijd een aantal dikke bomen. Wilgenbomen, die klompenmaker Hendrik Korthoef, een broer van Piet, aan de Schaarweg bij Sint Jansklooster in Giethoorn had gekocht. De bomen waren hier met een bok over het Beulakerwiede naartoe gebracht. Vóór Hendrik ze verwerkte, moesten de bomen enige tijd in het water liggen om het hout duurzamer te laten worden. Regelmatig kwam Hendrik bij de sloot om er een stuk of wat op de wal te trekken. Daar zaagde hij ze in moten en bracht deze met een handkar naar zijn huis.

3. Aan het eind van de Dwarsakker stond de boerderij van Jan Korthoef en zijn moeder Lieze. Jan was ook een broer van de boven genoemde Piet. Het gezin van Jan en Bet Lassche woonde bij hen in. Na het overlijden van moeder Lieze in de jaren dertig en het vertrek van de Lassches bleef Jan Korthoef in zijn eentje in het grote huis achter. Omstreeks 1950 verkocht Korthoef zijn boerderij aan Hendrik Hoogstede en zijn vrouw Harmpje Visscher. Hendrik, zoon van de al genoemde Albert en Willempje Hoogstede en opgegroeid aan het Beulakerpad, was na zijn huwelijk in 1943 hier weggetrokken. Blijkbaar had hij toch een band met het gebied behouden. Toen hij evenwel de gelegenheid kreeg om te verkassen naar nieuwe ruilverkavelingsboerderij aan de Hevenweg tussen de oude Zuiderzeedijk en Jonen, verlieten hij en zijn gezin het buurtschapje. Dat was in het begin van de jaren zestig.

4. In het oude huis tegenover Albert Jongman aan de Dwarsakker, woonden in de jaren twintig de paling- en haringroker Bart Huisman, over wie we al schreven, en zijn vrouw Mientje en hun kinderen enige tijd. Het was een boerderijtje met een vrij royale woonkamer met twee bedsteden, een stal en deel. Toen Geuje en Hennie Winters hier later met hun gezin verbleven, zou het huis te klein worden, althans wat de slaapruimte betreft. Het echtpaar kreeg namelijk twaalf kinderen. Geuje had de stal niet nodig, want hij was in de begintijd van zijn huwelijk trammachinist op de lijn Zwolle-Blokzijl. Daarom verbouwde hij deze ruimte tot twee slaapkamers. Zo was er voor iedereen een plek voor de nacht. Vader en moeder sliepen in de ene bedstee, hun vier dochters in de andere en de acht zoons in de beide nieuwe slaapvertrekken. Het was 's winters nooit echt behaaglijk in de woonkamer. Het gezin zat in een kring om de kachel. Van voren werd iedereen warm, verbrandde soms haast, maar de rug bleef koud.

Halverwege de jaren zestig werd het gammele pand afgebroken en niet herbouwd. Van de zestien woningen en woninkjes zijn er thans nog elf over; vijf zijn eigendom van particulieren, zes van Natuurmonumenten.

Goede herinneringen

De meeste oud-bewoners van het buurtschapje bewaren goede herinneringen aan 't Pad, zoals een ieder het buurtje noemde. Hun gedachten gaan nog vaak terug naar hun jonge jaren in dat leefgemeenschapje. Iedereen kende iedereen. Er was enig standsverschil, maar dat stoorde de onderlinge contacten geenszins. Aan het einde van de werkdag kwamen veel bewoners vóór het huis van Harm van der Linde op de hoek van het Beulakerpad en de Dwarsakker een poosje buurten. Als mannen later op de avond vóór ze naar bed gingen een vluchtige kijk hadden genomen in de stallen en op het erf, zochten ze ook nog vaak even dat plekje op. De kinderen bezochten de school in Sint Jansklooster, maar verder kwamen ze nauwelijks in het dorp. Ook de moeders gingen daar niet vaak heen. Voor boodschappen konden ze vlakbij in één van de beide kruidenierswinkeltjes in de Leeuwte terecht.

Op hun vrije dagen trokken de schooljongens dikwijls de kraggen in om daar in een sloot te gaan vissen. Het water was er zo helder dat ze het konden drinken. Heerlijk vonden ze het. Ze dachten niet aan het vuil, dat in hun buurtje in de sloten was terecht gekomen. Zonlicht, zuurstof, bacteriën en andere organismen en verder oeverplanten, in het bijzonder riet, hadden inmiddels hun werk gedaan als het water zo ver in de kraggen was doorgedrongen. Zichtbare verontreinigingen kwamen er althans niet meer in voor.

't Pad was in de bezettingsjaren geliefd bij onderduikers. In het slecht toegankelijke kraggengebied bouwden ze een onopvallende schuilplaats. In de rietlanden elders in de Noordwesthoek gebeurde dat overigens eveneens. Ook binnenschippers, die bang waren dat hun boot zou worden gevorderd, verstopten er hun vaartuig tussen en Soms half onder het riet. Veel vroegere padbewoners staat die tijd nog helder voor de geest.

Bron

De vertellers op 23 september 2000 in de Holken bijeen, aangevuld met afzonderlijke gesprekken op een later tijdstip met enkelen van hen, onder meer met Piet Jongman (oud-melkcontroleur), Harmpje Hoogstede-Visscher, Hennie Slot-Harsevoort, Jaap Slot en Hennie Winters.

Dit artikel is eerder verschenen in Kondschap 2001, nr. 2. Kondschap is het huisorgaan van Cultuurhistorisch Centrum Land van Vollenhove.

 

Auteur:T.R. Stegeman
Trefwoorden:Bewoningsgeschiedenissen, Beulake, Foeke, Wieden, Beulakerpad
Personen:Piet Jongman, Harmpje Hoogstede-Visscher, Hennie Slot-Harsevoort, Jaap Slot, Hennie Winters
Locatie:Sint Jansklooster
Digitaliseren Embed
Digitaliseren
Embed